1904 Wandeling boven en beneden den Moerdijk deel 4: Van Veere tot Mastenbosch (Noord Brabant)

Reisverhalen > 1904 Wandeling boven en beneden den Moerdijk

Dit is deel 4 van het reisverhaal uit 1904. Lees eerst deel 1, als u dat niet eerder deed

Veere.

Van Middelburg kunnen wij naar Veere wandelen, maar wij maken gebruik van de Middelburgsche boot naar Zieriksee of Rotterdam, die over het Walcherensche kanaal dicht voorbij Veere vaart.

Al spoedig zien wij van verre de hooge, zware kerk met haar stompen, afgekoepelden toren verrijzen boven de lage huizen van het doode stadje, en als wij niet beter wisten, zouden wij hier heel wat verwachten. Doch zoodra wij Veere binnentreden, zien wij onmiddellijk, dat het een afgestorven plaats is, maar die door enkele gebouwen, zij het ook, dat zij vervallen zijn, aan het rijke verleden herinnert.

Buiten de tegenwoordige dorpskom, waaromheen aardappels groeien en kool geplant wordt, werden eens flinke straten gevonden, vele met huizen van aanzienlijke kooplieden of met pakhuizen, enz. Dat alles is lang voorbij. Alleen de kerk en het stadhuis zijn nog tamelijk bewaarde overblijfselen van vroegere grootheid en een enkel bouwvallig, particulier huis wijst op den kunstzin, die hier eens zetelde. Deze bouwgewrochten staan schier eenzaam en verlaten als voelen zij zich niet te huis binnen de kleine gedeelten der weggeslonken stad.

Veere is een stille, doode stad, waar de stilte spreekt met eigen stem uit de geluidlooze straten of verdwenen huizenrijen, misschien krachtiger dan in een van onze doode steden. Zij klaagt en jammert en weent over het zwijgen, dat hier heerscht van den morgen tot den avond. Al is Veere weer een weinig bijgekomen, al wil de Veerenaar met voldoening op eenigen vooruitgang wijzen1, bij eene [273]vergelijking met het verleden is Veere niets meer. De hoofdstad van het vroegere Markgraafschap, de markiezenstad Veere, waar in 1862 Koning Willem III bij een bezoek nog als “de geliefde markies” werd aangesproken, iets, wat den Vorst zeer trof, is tot een onbeduidend dorpje verlaagd.

Veere, veelal Ter-Veere of ook wel Kamp-Veere genoemd naar de overvaart, die hier plaats had op het dorp Kampen op Noord-Beveland, is in opkomst een oude stad, omtrent welker stichting geen zekerheid bestaat. Floris V moet hier al verblijf gehouden hebben en men meent, dat in zijn tijd de plaats reeds versterkt was, hoewel anderen dit op 1358 stellen. In het midden der 14e eeuw was Veere een handeldrijvende plaats met tolvrijheden en daardoor bloeiende koopmanschap. De grootste bloei van Veere valt in de 16e eeuw; in de laatste helft dier eeuw begon de stad, reeds te kwijnen. De verondieping van het Veersche Gat was de oorzaak van den achteruitgang der stad, die meer en meer inkromp en door de bewoners verlaten werd. In 1700 telde men er nog 700 huizen; in 1840 werden er 173 opgegeven, in 1890: 175 waarvan 26 onbewoond en in 1890: 204 huizen. In den bloeitijd bedroeg de bevolking zeker niet meer dan 4000 zielen; in 1795: 1860, in 1840: 849, in 1870 was zij weer gestegen tot 1100, maar in 1890 weder gedaald tot 514. In 1900 telde het plaatsje 874 bewoners.

Groote Kerk te Veere.

Groote Kerk te Veere.

’t Was een kloeke koopmansbevolking, de poorterschap van het oude Veere, ondernemend en vaderlandslievend, die, zooals Van Haren schreef, “het voorbeeld wist te geven, als men ’t vaderland zag beven”, doelende op den drang tot verheffing van den Prins als Stadhouder in de jaren 1672 en 1747 (zie pag. 194) die van Veere uitging.

Mag Veere’s geschiedenis met eere noemen ondernemende kooplieden als Moucheron, zij draagt ook roem op dappere zeelieden, als Sebastiaan de Lange, op den menschlievenden loods Frans Naerebout, hier geboren, en op vrouwen als de geleerde Anna van Borsele, overl. 1519, tevens een beschermster der geleerden, en bovenal op Maria van Reigersbergen, de nooit volprezen echtgenoote van [274]Hugo de Groot (zie pag. 135). Aan haar denkende, zong Robidé van der Aa in 1829 van Veere:

Hef van uit de Zeeuwsche stroomen

Vrij de grijze kruin omhoog!

Wat de tijd u hebbe ontnomen,

Wat hij wreed aan u onttoog,

Nog versiert u eeuwige eer,

Klein en nederig ter Veer!

Vlissingen moog’ Ruiter roemen,

Brouwershaven praal’ met Cats,

Goes moog’ op een zanger roemen,

Stout, oorspronklijk vol van schats;

U versiert nog hooger eer,

Klein en nederig ter Veer!

De Groote Kerk te Veere aan den buitenkant haar zwaren koepel ten hemel beurend, hoezeer ook vervallen, is toch belangwekkend en mooi als een gedenkstuk van het verleden. De stichting der kerk dagteekent van 1479; de bouw werd opgedragen aan Antonius Kelderman, den oude. Sedert 1812 tot op onzen tijd werd zij achtereenvolgens voor militair hospitaal, werkhuis, kazerne en bergplaats gebruikt. De toren heeft een hoogte van 68 meter, de kerk is 53 M. lang en 50 M. breed. Deze kerk staat thans in geen verhouding tot de bewoners, die er allen in zouden gehuisvest kunnen worden, en is ook slechts gedeeltelijk in gebruik.

Het Lammetje van Veere uit de 16e eeuw.

Het Lammetje van Veere uit de 16e eeuw.

Zelfs in den tijd van de grootste welvaart der plaats kon de kerkgaande bevolking, hoewel nog niet verdeeld in sekten, de ruimte niet vullen. Het was een bedehuis, gesticht als een monument ter eere des Allerhoogsten, om Zijn grootheid voor te stellen. Zelfs kon het middeleeuwsche Veere daarvoor de middelen niet bijeenbrengen, doch een kapel te Lieve-Vrouwepolder, waar jaarlijks duizenden bedevaartgangers samenkwamen, verschafte de gelden tot dien bouw, waartoe waarschijnlijk ook de Bourgondiërs en Borselens bijdroegen.

Op het kerkhof trekt een klein monumentje de aandacht: een achthoekig gebouwtje, door ronde zuiltjes omgeven, die een Gothiek gewelf met het jaartal 1551 [275]dragen, gedekt door een leien dakje. Het heet een fontein, doch is eigenlijk een waterput, zooals wij het noemen.

Het stadhuis is een sierlijk gebouw uit het laatst der 15e eeuw (1474), met gevelbeelden der heeren van Borsele en Bourgondië, en gekroond door een slanken toren met klokkenspel. In de zoogenaamde vierschaar, met banken en beschot van donker eikenhout, zijn tafel en zitplaatsen met rood laken bekleed en prijkt de doornstaf der justitie nog nevens de zitplaats van den baljuw.

De beelden in den gevel stellen voor: Hendrik van Borsele, heer van Veere † 1474, diens vrouw Johanna van Halewijn, Wolfert van Borsele † 1486, diens tweede vrouw Charlotte van Bourbon, Philips van Bourgondië † 1498, Anna van Borsele, zijn vrouw, en Adolf van Bourgondië † 1540.

Een belangrijk bezit van Veere is de verguld zilveren beker, met kunstig drijfwerk versierd, door Maximiliaan van Bourgondië in 1551 aan de stad geschonken, onder voorwaarde, dat die nooit vervreemd of in pand mag gegeven worden, in welke moeielijkheden de stad ook verkeert.

Stadhuis te Veere.

Stadhuis te Veere.

Onvergelijkelijk is het uitzicht van den Kampveerschen toren op den omtrek. Daar vóór u ligt het Veersche Gat, met het in groenen weerschijn schemerende water aan uw voet, dat verderaf opkleurt tot zacht matblauw en van verre in schitterende glanzen opkabbelt tegen de witte helling, waarmede Walcherens westelijke duinzoom uitsteekt naar het noorden. En als gij u om wendt, ligt het schilderachtige eiland vóór u, met die talrijke treffende tafereeltjes van eenvoudige schoonheid, die dieper indruk [276]maken dan het overweldigende bergland. Dat zijn de wonderlichte landschapjes der Hollandsche en Vlaamsche landschapschilders. Aan de overzijde ziet ge van verre Noord-Beveland met zijn overal verspreid liggende hofsteden, welker roode daken mooi tegen het frissche groen afsteken. En naar het zuiden glinsteren de naakte schorren van het Sloe van verre, grijszwart, terwijl nog verder de dam wordt ontwaard, die Zuid-Beveland met Walcheren verbindt.

De contrasten van het kunstzinnig verleden met het heden maken Veere tot een interessante plaats, die veel bezocht wordt en waar schilders uit den vreemde vele elementen opdiepen voor hun scheppingen. Aan de zuidzijde der haven vindt men nog eenige bezienswaardige gevels, o. a. het Schotsche huis en het huis “Lammetje van Veere”, dagteekenend uit het midden der 16e eeuw. Eenige van deze monumenten zijn door Haagsche kunstbevorderaars gekocht, om ze te bewaren in hun oorspronkelijke gedaante.

Arnemuiden.

Naar Middelburg terugkeerend, gaan wij een bezoek brengen aan Arnemuiden. Niet, dat dit oude, eens aanzienlijke stedeke belangrijke gebouwen geeft te zien,—Arnemuiden heeft niets, wat aan ’t verleden herinnert—doch thans is het ons doel, om kennis te maken met de eigenaardige bevolking, de visschers van Arnemuiden.

Eens lag Arnemuiden meer zuidwestelijk, dichter bij Middelburg. Het was in de 14e eeuw een aanzienlijke, neringrijke stad, met veel handel en scheepvaart, overtrof zelfs Middelburg en had een deftig slot, waar de heeren van Arnemuiden zetelden. Destijds lagen de polders ten Z.O. van Walcheren nog diep onder water en liep voorbij Arnemuiden de breede stroom, die Walcheren van Zuid-Beveland scheidde. In het begin der 15e eeuw werd Arnemuiden onder de aanzienlijkste koopsteden van Europa gerekend en in 1418 werd het opgenomen in het Hanze-verbond.

De aanvallen der zee op het land waren aanleiding, dat men verder noord-oostwaarts de huizen bouwde en den grondslag legde tot de tegenwoordige plaats. Door grondbraken aangetast, ging de oude stad in het laatst der 15e eeuw te niet, en van dat tijdstip dagteekent de opkomst van Nieuw-Arnemuiden. In de 16e eeuw had Arnemuiden nog een belangrijke haven. Van hier vertrok in 1496 Johanna van Arragon met 135 schepen naar Spanje en in 1522 zeilden er 150 schepen uit, om Karel V uit Engeland te halen. In dien tijd wemelde het aan de haven van Arnemuiden van Nederlandsche edelen en Spaansche grandes met hun schitterende costuums. Doch, helaas! de haven verzandde langzamerhand, en zoo ging de plaats achteruit, om tot den rang van een nederig visschersdorp te dalen, welks ondiepe haven thans tusschen aangedijkte polders ligt. [277]

Een smalle, vervaarlijk hobbelig geplaveide straat loopt door het plaatsje, aan beide zijden begrensd door lage huizen, meest van één verdieping, alle uiterst eenvoudig of sober. Sommige herinneren nog iets aan de 17e eeuw, toen de rijk geworden schipper de voordeur zijner kleine, nette woning gaarne met fraaie, in hout gesneden krulwerken en bloemen versierde. Als de mannen op zee zijn en de vrouwen op de “schorren” of aan ’t “leuren”, terwijl de kinderen op school zitten, is ’t er buitengewoon stil.

De “Arremuenaers” zijn een bijzonder ras van menschen, zegt Nagtglas, van wiens schetsen wij hier dankbaar gebruik maken, menschen, die zich maar zelden met andere Zeeuwen vermengen. De mannen zijn doorgaans niet groot, doch forsch gebouwd, “ineengestuukt” en sterk gespierd. In den regel zijn ze donker van opslag, met een trek van ernst en stoutheid op het schraal, door wind en weer gebruind gelaat; voor vreemden zijn zij stug, tot onvriendelijk toe, en zoo teruggetrokken, dat men meenen zou, dat hun klanklooze en teemende spraak slechts met inspanning kan worden voortgebracht. Als de meeste visschers zijn zij gehecht aan het oude en afkeerig van het nieuwe; kerksch en stijf gereformeerd. Opgekweekt onder het bruisen der golven en het loeien van den storm, kennen zij op het water geen vrees, en het “saevis tranquillus in undis” (gerust te midden der woeste baren) is voor hen een eenvoudige waarheid. Een leven van rusteloozen arbeid onder dagelijksche ontbering en onophoudelijke gevaren stempelt het karakter en veroudert vroeg, maar schenkt ook aan deze zielen eigenaardige deugden, want over het algemeen zijn zij spaarzaam, trouw, ernstig en godsdienstig.

De “zeeboerinnen”, zooals men de vrouwen vroeger wel eens noemde, zijn meestal krachtige vrouwlui, “kante wuven”, gehard tegen het weer en onvermoeid arbeidende. Jong zijnde en “knap op er lief” (zindelijk op haar lichaam), zien zij er dikwerf jolig en frisch uit, met een blozende kleur, donker-guitige oogen en glanzende, zwarte haren, die onder een wit mutsje tegen het voorhoofd worden opgerold. Het gladde, zwarte jakje, waartegen de met zorg geplooide, zacht gekleurde doek netjes afsteekt, omsluit gevulde vormen en laat een paar stevige, roode, tot boven den elleboog ontbloote armen zien. Zij verouderen echter snel na het huwelijk, wanneer de houten wieg dikwijls maar al te spoedig bezet raakt, verscherpen de trekken, vergrijzen de haren en worden de welgemaakte beenen, zichtbaar onder de korte en zwart gestreepte baaien rokken, mager en stokkerig.

Die vrouwen verdienen zuur hun brood, want ’t is een vracht zoo’n ganschen dag te “leuren mè ’n paer zwaere kurve”; het “venterswerk” mocht wel “veinterswerk” (mannenwerk) wezen en “kraekt minnig wuuf” (breekt menige vrouw). Het is waarlijk niet te verwonderen, dat men nu en dan langs den [278]weg zoo’n troepje vrouwen puffend naast de manden ziet neerstrijken, om zich ’t zweet af te drogen.

Gewoonlijk verlaat de vrouw bij ’t eerste morgenkrieken haar schamel leger. Over “de guus” (het kind) houdt een buurvrouw het oog, wat niet verhindert, dat het jonge volkje den ganschen dag over de straat kruipt, in de modder wriemelt en, als ze wat grooter worden, een ouden klomp, als visschersschuit getuigd, in goot of sloot te water laten. Moeder slaat den ouden, zwarten schoudermantel om, zet een strooien hoed op, legt het juk met de gisterenavond uitgeschuurde “bennen” over de schouders en wandelt naar de “kaaie”. Daar is de visch uitgeladen, door de schippers aangebracht, die nu aan de leursters ieder voor “een partje” wordt verkocht, om, naar oud gebruik, des Zaterdagsavonds af te rekenen.

De manden worden met kabeljauw, schelvisch, tongen of mindere soorten van zeebewoners gevuld en op een eigenaardig, schommelend drafje, om de zware korven in evenwicht te houden, gaan de vrouwen, des zomers meestal barrevoets, in troepjes naar de steden, of somtijds verre het land in. Aan stof tot gesprek schijnt het hun niet te ontbreken en reeds in de verte hoort men ze met lijmend stemgeluid naderen, maar hun gepraat valt moeielijk te begrijpen.

Zoo trekken zij rond, van huis tot huis, dingende en kibbelende bij den verkoop; zoo gaat het altijd door, zomer en winter, in zonneschijn en regen, door aanzienlijke wijken en geringe achterbuurten, onderwijl terende op het brood, dat zij koopen, en op ’n “bakkie” koffie, door goede bekenden geschonken.

En als de visschen in de manden hebben plaats gemaakt voor wortels, uien, kroten en andere groenten, zakjes koffie en thee, en ook wel zoetekoek en suikergoed, waarvan sommigen veel houden, keeren zij des middags, dikwijls laat, naar hun woonplaats terug. Daar wacht hun dan het huiswerk. De kinderen moeten worden verzorgd; er dient te worden gestopt en gelapt, gewasschen en geschrobd. Op deze wijze brengt de vrouw der Arnemuidensche visschers het leven door, volgens een naar de natuur geteekende schets, die Nagtglas er van gaf.

Deze vrouwen worden al vroeg aan een hard leven gewend. Als jonge meisjes beginnen zij reeds op de schorren zeekraal te zoeken. Van het laatst van April tot het einde van Juli kan men hun bij het opgaan der zon in groepen van 30 à 40 in roeibootjes naar de schorren van het Sloe of Kamperland zien roeien, om daar de zeekraal te halen. Op die in wording zijnde landen blijven de meisjes een uur of zes met bloote voeten door slik en water “dobberen”, om de heldergroene, vliezige stengeltjes der zeekraal, die als kleine pijpestelen in ontelbare menigte uit het slijk te voorschijn komen, af te snijden. De gevulde bennen worden tehuis “in ’t ruwe” schoongemaakt, o. a. van de alikruikjes gezuiverd, die meestal weggeworpen, doch in het voorjaar afzonderlijk [279]gerookt en veel gegeten worden. Den volgenden dag wordt de groente als “mooie, vorsche zeekraele”! in “klusjes” uitgeleurd, waarmede een aardig centje verdiend wordt.

Vlissingen.

Thans terug naar Middelburg, om verder de zuidelijkste plaats van het eiland te bezoeken, de havenstad Vlissingen, met 18.900 inwoners, het eindpunt van de spoorweglijn, vanwaar men oversteekt naar Albion. Wij kunnen van Middelburg per spoor, per tram, maar ook gemakkelijk per fiets gaan.

Op een plek ten W. van de tegenwoordige stad, waar in het begin der 19e eeuw het gehucht Oud-Vlissingen nog gevonden werd, dat bij uitbreiding der vestingwerken in 1810 is gesloopt, ontstond Vlissingen. Een overzetveer naar Vlaanderen was waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het vestigen van een nederzetting; en van het oude Vlissingen trokken al vroeg (± 1227) bewoners verder oostelijk, misschien een gevolg van het verloopen der vaargeul, naar de plaats waar het tegenwoordig Vlissingen ontstond.

Vlissingen, gezien van den Boulevard.

Vlissingen, gezien van den Boulevard.

Schippers en visschers met hun vennooten of maats en huurknapen of bootsgezellen waren voornamelijk de eerste bewoners. Daar de zee voor hen open lag, sloot de handel zich bij het visschersbedrijf aan, gelijk op menige plek in de Nederlanden. De oudste handel was op Vlaanderen gericht. Graaf Willem III begiftigde in 1315 Vlissingen met de Nieuwe haven, welke nog in de stad aanwezig is. Ten O. hiervan werd in 1581 de Pottehaven en in 1612 een dokhaven aangelegd, [280]thans de Marinehaven, onder den naam Oude- of Koopmanshaven. De haringvangst vooral droeg oudtijds veel bij tot den bloei van de stad.

Aanzienlijke voorrechten had Vlissingen te danken aan Prins Willem I, zoowel tot belooning van de dapperheid der burgers als wegens de bevordering der vrijheid door deze stad. De poorters en poorteressen van Vlissingen zouden niet in confiscatie van goederen vervallen, ook al konden wegens misdrijven hun lijfstraffen opgelegd worden. Aan de Vlissinger visschers werd verder vrije vaart op de reede te Arnemuiden, te Middelburg en te Antwerpen toegestaan.

Door deze bevoorrechting werd Vlissingen een belangrijke koopstad, al moest zij ook in aanzien voor Middelburg onderdoen. In oorlogstijd bloeide hier de kaapvaart, die wel groote voordeelen gaf, wel kloeke mannen vormde, maar den eigenlijken handel ondermijnde. En in de laatste helft der 18e eeuw ging ook hier de handel snel achteruit, evenals in de meeste Hollandsche steden.

In de 19e eeuw kwam de stad langzamerhand weer tot ontwikkeling, vooral na den aanleg van nieuwe havens in 1867, mede de beste van West-Europa. Met deze groote werken ontwaakte een nieuwe hoop voor de toekomst der Scheldestad.

O Vlissingen! de breede Noordzeebaren

Besproeien trotsch uw welgelegen wal;

’t Is grootsch, haar gang en golving aan te staren

En haar gedruisch te hooren overal.

Die zeemuziek galmt vroolijk langs uw boorden,

Zij zingt van heil, van handel en vertier,

En gij, gij hoort aandachtig naar die woorden

En heft uw hoofd naar boven, vlug en fier.

Wat schoon verschiet geeft u de zee te aanschouwen!

Zij brengt voor u de hoogste welvaart aan:

Een handelsschat uit verre zee en ouwen,

Die uit uw vest door gansch Euroop zal gaan.

Mercurius vliegt ijlings naar uw wallen

En plant zijn staf op uw gewenschte ree:

Daar zal het lied der koopvaardije schallen,

Elk groet u daar als koningin der zee.

Werk ijvrig voort aan al uw weidsche dokken,

Opdat de vloot der wereld tot u koomt,

Die ’t voordeel zoekt en dus naar u getrokken,

De winst geniet, waarvan de handel droomt.

Niets hindert u; geen barre wintervlagen,

Geen wind noch storm versperren uwen wal;

O, breid u uit, opdat de stond moog dagen,

Die Middelburg met u vereenen zal.

Zoo sprak M. H. de Graaf, uit Antwerpen, in 1871 de stad vol optimisme toe. [281]En hoewel niet al die verwachtingen vervuld zijn, door de vestiging der stoomvaartmaatschappij Zeeland en van de scheepsbouw- en stoomwerktuigenfabriek der Kon. Maatschappij de Schelde is Vlissingen toch tot vooruitgang gekomen, terwijl de spoorwegverbinding, in 1872, voor de stad van het grootste belang werd. Van de 5700 bewoners in 1795, een aantal, in de 17e eeuw veel grooter, was de bevolking van Vlissingen in 1815 geslonken tot 4538. Langzaam nam die weder toe, in 1840 tot 7800, in 1860 tot 10700. Na eenige schommelingen telde de stad in 1890: 13100 bewoners en in 1900: 18900.

Vlissingen maakte vroeger met zijn nauwe straten en meest oude huizen een pover figuur tegenover het ruimer, grootscher en rijker aangelegde Middelburg. Het oude gedeelte van Vlissingen biedt dan ook weinig merkwaardigs aan, al zal men er ongetwijfeld rondwandelen, om de plekken te bezoeken, die aan de jeugd van Michiel de Ruyter herinneren. Wie zal niet den blik slaan naar den toren der St. Jacobskerk, waaraan de legende van den jongensstreek verbonden is; naar het kantoor der Gebroeders Lampsens, 1646, thans kantoor van het Nederlandsch loodswezen? De lijnbaan bij het Waaigat, waar de Ruyter als jongen het wiel draaide, is verdwenen, en het wiel is tot groot leedwezen der Vlissingers naar Middelburg overgebracht. De schoonste huizen in de oude stad staan langs de havens, doch vele belangrijke gebouwen vindt men hier niet. Het oude raadhuis, dat een der schoonste van Zeeland was, een navolging van dat te Antwerpen, geraakte bij het bombardement in 1809 door de Engelschen in brand en werd vernield. Het raadhuis van tegenwoordig is een particulier huis van Anthonie Pieter van Dishoeck, “het Paleis” genoemd, dat in 1812 door de Fransche Regeering werd aangekocht. Daartegenover staat het “Beeldenhuis”, in denzelfden stijl als het raadhuis gebouwd, met beelden in den gevel. De oudheidkamer boven het stadhuis met herinneringen aan de Ruyter, Naerebout, Betje Wolff, Bellamy e. a. is wel een bezoek waardig.

Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.

Standbeeld van Michiel Adr.zn. de Ruyter.

Doch hoofdzakelijk gaat men Vlissingen bezoeken, om de havens te zien en de zee. De eerste liggen in het oosten der stad. Wij willen daarbij niet vertoeven, doch begeven ons naar het westen, naar de Schelde en de zee. De gedempte [282]vesten hebben hier een uitgestrekt bouwterrein geopend, waar een nieuwe stadsaanleg is begonnen, met ruime, breede straten. Hier verrijst op de plek, waar de hoofdstraat van de stad naar het Badhuis zich met den weg naar Middelburg vereenigt, op het Elizabeth Wolffsplein een fontein, ter eere dezer schrijfster en harer vriendin gesticht.

Elizabeth Wolff was te Vlissingen geboren. Een kade in de stad is naar Bellamy genoemd, die ook in Vlissingen het levenslicht aanschouwde (Bellamykade), terwijl een gedenksteen geplaatst is in zijn geboortehuis. Het standbeeld, dat in 1841 voor de Ruyter werd opgericht op de Haringplaats (later de Ruyterplein genoemd) werd in 1894 naar den Westwal, thans Zeeboulevard geheeten, overgebracht, waar de onthulling herhaald is door H. M. Koningin Wilhelmina. Bij het naderen van dit standbeeld zagen wij vreemdelingen zoowel als Nederlanders eerbiedig het hoofd ontblooten en in zwijgende beschouwing het aanstaren.

Zijn roem is aan geen volk of vaderland bepaald;

Hij heeft triumfen voor het wereldrond behaald,

En welk een landstreek hem het eerst haar taal deed hooren,

Hetzij hij Belg of Brit of Spanjaard waar’ geboren,

Zijn deugd behoort aan hem, zijn volksnaam aan ’t geval,

Zijn eer aan ’t menschdom en zijn grootheid aan ’t Heelal!

Dicht aan zee ziet men de beide societeiten der Nederlandsche en Belgische loodsen naast elkander in sierlijke, flinke gebouwen, een wijd uitzicht over de zee en de Schelde aanbiedend. Daar leven zij een gedeelte van den dag onder de veranda’s, steeds op den uitkijk met hun kijkers, om te zien, of er schepen naderen in de verte, die hun diensten noodig hebben.

Op ongeveer een kwartier afstands ten westen der stad staat aan het vlakke strand, dat uitstekend tot baden geschikt is, het badhuis. Langs de zeewering van den boulevard en den zeedijk is de beweging van vloed- en ebstroomen te sterk, om gelegenheid tot baden aan te bieden. Beschermd tegen noorden- en oostenwind, ligt de strandvlakte, die bij vloed 70 M., bij eb 300 M. breed is en 800 M. lang, met helder en frisch water; zoo biedt de badplaats vele voordeelen. Vooral Antwerpenaars, maar ook Nederlanders trachten hier voor zenuwen en lichaam nieuwe krachten te winnen in het zilte nat en in de zoute lucht.

Hoe heerlijk is het op een stillen zomeravond op een der banken van den boulevard te zitten mijmeren en in de door de dalende zon zoo schitterend verlichte zee te staren. Al is het weer nog zoo rustig, toch zetten de golven hun aanvallen op het strand voort en slaan met kracht op de golfbrekers, die den duinvoet beschermen tegen hun geweld. Indrukwekkender wordt het verschijnsel, als de stormwind hen tot teugellooze machten doet aangroeien, die in woede uitbulderend en schuimbekkend den worstelstrijd voortzetten. [283]

Ik min het schuim der zee, het sneeuwenblanke,

Stervende plotseling na zijn geboort;

Het is als ’t hemelskind, het bleeke, ranke,

Dat niet op deze ruwe aard behoort.

Ik min het schuim der zee, kristallen blaasjes,

Waarin het zonnehart zijn wezen spiegelt;

Het is als ’t bleeke wichte, zwakjes als een waasje,

Maar dat op zonlichtwiek omhoog wiegelt.

Ik min het schuim der zee, millioene atomen,

Droppeltjes, gerijgd tot witte beek!

Dat zijn aaneengebonden ziels-atomen

Van heilge kindren uit Mysteries bleek.

W. van Weide.

Wenden wij den blik van de zee af, dan ligt het Walcherensche land vóór ons. Landwaarts ontwaart men de woeste duinen van Zoutelande en onmiddellijk daarachter het frisch-groene weiland, dat Walcheren als met een tapijt overdekt, zoo hier en daar afgewisseld door het roode van de daken der hoeven, verspreid over het land en in hooge olmen half verscholen; door groote, boschrijke buitens, als Ter-Boedde, Moesbosch en Ter-Hooge; door de huizengroepen en torens van de dorpen en steden.

Het strand en badhuis te Vlissingen.

Het strand en badhuis te Vlissingen.

Van het badhuis zijn heel in de verte naar het Z.W. de hooge huizen van de Belgische badplaatsen Heyst en Knocke zichtbaar en bij zeer helderen hemel ontwaart men zelfs de torens van Blankenberghe. Doch de badgast is daarop niet gesteld. Zooals in het bergland het scherp geteekend uitkomen van de omtrekken der bergen, is ook hier dat vergezicht over zee een voorbode van regen, storm of onweer.

Verder naar het zuiden lijnt de kust van Zeeuwsch-Vlaanderen uit met de torens van Groede, het vuurlicht van Nieuwesluis en Breskens met zijn vervallen forten. En daar vóór ons golven de wateren van den breeden Scheldemond, verlevendigd met de vlaggen van allerlei natiën, en in de verte de visscherspinken [284]met witte zeilen, als een vlucht meeuwen op de golven zwevend. Wij rusten hier en peinzen over verleden en toekomst.

Over het Eiland.

Na een bezoek gebracht te hebben aan de steden van Walcheren, willen wij nog enkele dorpen van het eiland bezoeken. Wij doen dit hier met vlugge schreden, niet omdat de bekoorlijkheden geen nadere beschouwing waard zijn, maar dewijl onze ruimte beperkt is.

Van Middelburg gaan wij een tochtje maken naar het zuiden over Abeele, een uitspanningsplaats, naar Oost- en West-Souburg langs den zoogenaamden “Ouden Vlissingenschen weg”. Deze breede weg, met hoog opgaand geboomte, heeft door zijn vriendelijke kijkjes op gehuchten en dorpen een groote aantrekkelijkheid. Thans is deze weg betrekkelijk rustig. Doch in den goeden, ouden tijd kon het hier rumoerig en druk zijn door het verkeer van handelaars en wandelaars, het geratel van rijtuigen, vrachtwagens en diligences, om de beide handelssteden te verbinden. Dat drukke handelsverkeer is opgehouden, maar toch heeft er nog een geregelde betrekking tusschen beide steden plaats en in den zomer bezoekt menig Middelburger Vlissingen, om daar de zeelucht te genieten.

Oost- en West-Souburg, vriendelijke dorpen met flink geboomte aan de straat, leveren weinig anders merkwaardigs op dan het monument op het graf van Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde, den dichter van het Wilhelmus van Nassouwe, den kloeken strijder naast Willem van Oranje voor staatkundige en geloofsvrijheid. Op initiatief van eenige Antwerpensche heeren is dit gedenkteeken er geplaatst, dat op 3 Sept. 1872 plechtig is onthuld en aan het gemeentebestuur overgedragen. Het bestaat uit een zuil met het opschrift: “Aan Marnix”. Op 17 Dec. 1898 bij den 300-jarigen gedenkdag van Marnix’ dood legde een deputatie van Antwerpensche burgers, met den burgemeester Jan van Rijswijk aan het hoofd, een bronzen lauwertak aan den voet van dit monument. Zoo vereert men in Antwerpen den vroegeren burgemeester dier stad.

Marnix heeft te West-Souburg verblijf gehouden op het Kasteel van West-Souburg, ook naar hem later Kasteel van Aldegonde geheeten, dat in 1780 is afgebroken. Het was een groot gebouw, geschikt tot vorstelijk verblijf. Keizer Maximiliaan hield zich hier op in 1478 en Karel V in 1518, toen zij nog aartshertogen waren en in Walcheren kwamen, om er ’s lands hulde te ontvangen. Ook in 1556 vertoefde Karel V alhier een tijd, toen hij, na afstand gedaan te hebben van de regeering, een goeden wind afwachtte, om de reis naar Spanje te ondernemen. Hier werd door Karel V den 7en Sept. de brief verleend, bij welken hij het bestuur over het Keizerrijk aan zijn broer Ferdinand overdroeg. [285]

Marnix van St. Aldegonde was eigenaar van dit kasteel en vestigde er zich gedurende tien jaren zijns levens. Hij heeft hier in 1591 de overzetting der psalmen uit het Hebreeuwsch in vloeiend Nederlandsch voltooid. Nog werd in de twee laatste jaren zijns levens zijn woonplaatst naar Leiden overgebracht, waarheen hij door de Algemeene Staten was geroepen, om mede te werken aan de overzetting des bijbels. Hier overleed hij den 15en van Wintermaand 1598, doch hij werd te Souburg begraven. Tot zijn nagedachtenis werd een Latijnsch grafschrift vervaardigd, dat in het Nederlandsch luidt:

Waar kon met zooveel roems, waar, Marnix! even veilig,

Uw jongste rustplaats zijn als binnen Leydens wal?

Dat Leyden, dat als gij, en Mars en Pallas heilig,

In beider gloriewerk geen weêrgae vinden zal.

Van hier kunnen wij verder een bezoek brengen aan het dorp Ritthem, een echt Walcherensch dorp, schilderachtig tusschen het geboomte gelegen, met een merkwaardige kerk uit de 15e eeuw.

Een andere weg van Middelburg naar Vlissingen loopt over Koudekerke. Deze wint het in pittoresk en vriendelijk landschapschoon nog van den vorigen. De flink aangelegde, met populieren belommerde straatweg loopt eerst tusschen tuinen door naar het buiten Toorenvliedt, een vierkant gebouw met een koepelvormig, houten torentje, te midden van bosschen. Verderop verrijst het buiten Vijvervliedt en daarna het zwaar geboomte van het Huis Ter-Hooge, een landgoed, in de 14e eeuw aangelegd en met een kasteel bebouwd door een der edelen uit het huis der Van Borselens, dat met zijn twee vierkante torens, van onderen dicht met klimop begroeid, en met zijn breed grasveld aan de voorzijde, waarop enkele beuken en andere boomen zich trotsch verheffen, een werkelijk vorstelijken indruk maakt. Het oude slot, rondom in het water gelegen, stond hoog in aanzien. De aartshertogen Maximiliaan en Filips van Oostenrijk gaven ten gunste van Adriaan van Borsele, eersten heer van Ter-Hooge, onderscheidene privilegiën aan dit slot. Een daarvan was dat van 1485, volgens welk recht alle misdadigers, welk kwaad zij ook begaan hadden, behalve Majesteitschennis, op het plein buiten het kasteel, met een ringmuur omtrokken, een vrijplaats mochten hebben. Aan dit slot was ook de vrijheid verbonden, om het eigen bier te mogen brouwen, zonder daarvoor eenige schatting aan de graaflijkheid te betalen. Het had verder het recht van vrije jacht van “hair en pluim” en van visscherij.

Door graslanden, waarboven van verre in het westen de duinen zich verheffen, voorbij het buiten Steenhove, bereiken wij het vriendelijke dorp Koudekerke, met een klein kerkje, door geboomte omringd, in ’t midden van het dorp op een [286]plein gebouwd. Rondom de kerk vindt men de begraafplaatsen van onderscheidene Engelschen, die in het begin der 19e eeuw op Walcheren het leven lieten.

Van hier gaan wij over het dorp Biggekerke onzen tocht voortzetten naar het dorp Zoutelande. Voor een groot deel is de weg door hagen van hakhout ingesloten en vóór ons zien wij de duinen op niet grooten afstand verrijzen uit het vlakke land. De huizen met hun groen geschilderde vensterluiken, in het midden wit, geven een kleurig uiterlijk aan het landschap. Biggekerke bestaat uit een straat met huizen en tuintjes er vóór, en verder uit een kom met een oud kerkje en hoog torentje. Kort daarna bereiken wij vervolgens Zoutelande.

Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).

Zoutelande (van de N.W. zijde gezien).

Het boomlooze dorpje Zoutelande, met zijn roode pannen daken, waarboven kerk en toren uitsteken, ligt schilderachtig tegen de duinen. Sober, uiterst eenvoudig is het plaatsje; het heeft naar ’t uiterlijk niet die netheid, welke men in andere dorpen vindt. Zoutelande is van zeer oude dagteekening en bezit nog een herinnering aan dat verre verleden. Wij wijzen op de put met zijn zuiver en heerlijk water, die aan Willebrord, den grooten Angelsaksischen evangelieprediker wordt toegeschreven. Of men hier misschien aan een heilige bron der oudste bewoners heeft te denken, die later gekerstend werd met de intrede van het Christendom? De put is overdekt, om het instuiven te beletten; rondom den put groeit helm in het aangewaaide duinzand. [287]

Zoutelande was oorspronkelijk weinig meer dan een aanwas bij Werendijke, dat zich weleer tot aan de kust uitstrekte en een kerk had, aan den apostel Jacobus gewijd, benevens een klooster, dat ”’s Hemels poorte” (Porta Coeli) heette. Het behoorde, evenals de Abdij van Rijnsburg, tot de orde der Benedictijnen en was wellicht een stift voor adellijke jonkvrouwen. Doch voorspoedig schijnt het dit klooster niet te zijn gegaan; het is thans totaal verdwenen. Men meent, dat het gestaan heeft op de gronden, waar thans de hofstede “Groot Werendijke” gevonden wordt.

Nadat de visscherij in Zoutelande voor korten tijd geheel te niet ging, is het eenige middel van bestaan voor de bewoners de landbouw, met eenige veeteelt.

Wij trekken verder en langs Boudewijnskerke bereiken wij den uithoek van Zeeland, West-Kapelle.

Vóór wij het dorp bereiken, zien wij een hoogen, zwaar gebouwden, vierkanten toren van Gothische orde, doch zonder spits, op een verlaten kerkhof verrijzen, door wild struikgewas omringd en met enkele lage huisjes in de nabijheid. Dat is de vuurtoren van West-Kapelle, die hier op den westelijken uithoek des lands een geschikte plaats heeft. Een steenen wenteltrap voert naar het plat van den ongeveer 38 meter hoogen toren. Omstreeks 1470 werd deze toren gebouwd als kerktoren; in 1818 werd hij als vuurtoren ingericht. De kerk, welke hiermede verbonden was, is in 1831 door brand vernield en niet weer opgebouwd. Zoo staat de toren alleen, door de kerk verlaten. Maar door het prachtig kunstlicht, dat zijn stralen uitzendt tot op een afstand van bijna 8 uren, is de oude toren een nuttige baak voor hen, die zwerven op de zilte wateren nabij deze gevaarlijke kust.

Het dorp West-Kapelle ligt op den uithoek van Walcheren, tegen den dijk, doch waar in de oudheid de duinen aan den buitenkant een breeder voorland vormden. Wij merkten reeds elders op, dat de duinen door de Noordzee zijn afgeslagen in historischen tijd. Aan den binnenkant van het duin werd hier in de oudheid een nederzetting gevestigd, die al bestond, vóór het Christendom er gepredikt werd. In den tijd, toen Willebrord hier een afgodsbeeld zou verbrijzeld hebben, was het dorp reeds welbevolkt en in 1233 had de plaats beperkte stadsrechten en werd zij een smalstad. In den grafelijken tijd had zij levendige scheepvaart en visscherij. Doch de zee, die dezen onverdedigden zandhoek meer en meer aantastte, noodzaakte de bevolking in 1470 de kerk verder landwaarts te zetten. De plaats nam daardoor af in omvang en ook in beteekenis; handel en scheepvaart verminderen en het stedeke werd een vlek, hoofdzakelijk in de lengte langs een straat gebouwd.

De bewoners van West-Kapelle onderscheiden zich door hun ronde gezichten en iets donkerder haren van de overige bewoners van Walcheren, alsmede door hun kleeding. Dat zich hier Noorsche visschers gevestigd hebben in ’t grijs verleden, die [288]tamelijk op zichzelf bleven staan, schijnt niet onaannemelijk. Thans wonen hier meest dijkwerkers, maar voor dezen valt het te bejammeren, dat de dijk sterker is dan ooit. Als dijkwerkers gewoon onder den invloed der woeste zee te staan en tegen het water te strijden, hebben zij iets ruws in hun voorkomen, iets ongegeneerds, maar tevens brengen die levensomstandigheden hen tot eenvoud. Ook de vrouw, in kleine gebouwen gehuisvest, die de zorg voor een meestal talrijk kroost op zich neemt, heeft niet aan weelde te denken en deze ontbreekt dan ook in haar kleeding. Ook zij is gewoon de ongenade van het weder te trotseeren, waardoor haar brood wordt verschaft, en zij is er in opgevoed, om, als de man het water niet verlaten kan, hem bij te staan, al ware het maar door hem voedsel en dranken te brengen. De kleeding zullen wij niet beschrijven; wij wijzen er enkel op, dat het haar iets verder uit de muts te voorschijn komt; de vrouwen hebben, gelijk men zegt, een grooter “streeksel”.

West-Kapelle.

West-Kapelle.

Als wij door het dorp zijn gewandeld, verheft zich daar vóór ons de zware West-Kapelsche dijk, de welsprekende uitdrukking der Zeeuwsche kracht, die tot den Oceaan zegt: tot hiertoe en niet verder! Als wij denken aan de groote schatten, den arbeid, den tijd en het overleg, aan dit dijkgewrocht besteed, “dan rijst in het onbevangen oordeel het nuttige boven het ijdele”.

Plaats u op dien dijk bij het eerste morgenkrieken, als het groote hemellicht oprijst boven de eilanden en wateren van Zeeland. Zie het dan een tooneel beschijnen van welvaart en leven: akkers met paardenboonen, koolzaad, meekrap en allerlei veldvruchten bezet; weilanden, met rundvee uitgedost; smaakvolle landgoederen; prachtige olmen, die de dijken versieren; schoone steden en dorpen. En dat dit landschap daar zoo idyllisch rustig en onbezorgd nederligt, heeft het te danken aan dezen dijk, zonder welken Walcheren een land van woeste schorren zou uitmaken.

Het zwaartepunt van West-Kapelle is tegenwoordig de zeedijk; hij werd in 1540 wegens den afslag der duinen, met vergunning van keizer Karel V [289]aangelegd. Het nog overgebleven duin werd afgevlakt, aan de zeezijde met zulk een flauwe helling, dat men bij het opgaan de stijging bijna niet kan bemerken; de helling aan de landzijde is sterker. Deze dijk heeft een lengte van ongeveer 4300 meter en sluit zich op beide einden bij de duinen aan; zijn kruin ligt in het westen 5–5.25 M. boven hoog water. Vele jaren werd er niet minder dan ƒ 75,000 kosten tot onderhoud van dezen dijk besteed, welks zekerheid voor Walcherens behoud onmisbaar is. Sterk moet de dijk zijn, want geen punt van onze kust is meer aan de woede der golven blootgesteld dan dit. Bij den stormvloed van 1775 werden zelfs steenen van 3000 en 4000 pond op de kruin van den dijk geworpen. Op den dijk staat een windmolen, die er de volle kracht der luchtbeweging opvangt.


Langs den binnenkant van het duin kunnen wij over een goeden grintweg Domburg bereiken. Eerst loopt de weg over den dijk, later door de schrale duingronden, welke hier nog de bosschen missen, die men ten noorden van Domburg vindt. Wij hebben dien weg genoemd, maar willen hem niet kiezen voor de wandeling, die wij in gedachten maken. Wij keeren terug naar Middelburg, om vandaar den tocht opnieuw te beginnen.

Zeeuwsche wagen van den duinkant.

Zeeuwsche wagen van den duinkant.

Van hier kan men twee wegen kiezen naar Domburg. De eene loopt voorbij het gehucht Buttinge, met de ruïne eener kerk, die reeds lang gesloopt is evenals het oud-adellijke huis Ravenstein, naar Grijpskerke. Bij dit dorp ziet men de hofstede Munnikenhof, gesticht door de abten van Middelburg, eens de tijdelijke verblijfplaats van Jacob Cats. Grijpskerke is een fraai dorp. Als wij van hier den weg vervolgen naar Oost-Kapelle, zien wij rechts nog het huis Molenbaix, waar Hugo de Groot vertoefde, toen hij naar de hand van Maria van Reigersberg dong. Verder wordt de weg zeer vriendelijk en voorbij het landgoed Molenwijk [290]bereiken wij Oost-Kapelle. Wij nemen thans den anderen weg, die het meest wordt gekozen.


In bevallige kronkelingen slingert de weg van Middelburg over Brigdamme, St. Laurens, Serooskerke en Oost-Kapelle naar Domburg, een afstand van drie uren wandelen. Deze weg was reeds in het begin der 17e eeuw bestraat. Vermogende magistraten en handelaren uit Middelburg hadden aan dien weg onderscheidene buitens en om die beter te kunnen bereiken, werd de straatweg gelegd. De meeste dier buitens zijn thans verdwenen; alleen herinneren de zware gemetselde of hardsteenen pilasters der poorten van de flinke boerenhuizen, met namen als Klarebeek, Swanenburgh, Rijnsburg e. a. er aan, dat hier en daar eens de toegang was tot een aanzienlijke buitenplaats. Doch al zijn de buitens verdwenen, het blijft een schilderachtige weg, die ons echt Walcheren doet zien.

Kasteel Westhoven.

Kasteel Westhoven.

Langs het gehucht Brigdamme, met de ruïne eener in 1562 verbrande kapel, die aan St. Brigatta gewijd was, en langs het kleine dorp St. Laurens, welks aanzienlijk, uit de 13e eeuw dagteekenend slot Popkensburg, dat in de laatste helft der 19e eeuw gesloopt is, bereiken wij Serooskerke, een welvarend dorp aan een kruispunt van wegen, langs de straat gebouwd en met onderscheidene buitenplaatsen in den omtrek. Een zijweg voert van hier naar het hoogste gedeelte [291]van Walcheren, waar het dorp Vrouwepolder ligt, en langs een grintweg komt men verder aan de Oranjezon, een vriendelijke uitspanning in de noordelijkste duinen van Walcheren, die hier met bosch bedekt zijn en een schilderachtige afwisseling bieden.

De hoofdweg loopt verder langs “Vrede Rust”, een nieuw fraai, aangelegd buiten, voorbij Ipenoord, met zwaar hout en mooie waterpartijen, en langs Zeeduin, een aanzienlijk landgoed, door een zware poort aangewezen, naar Oost-Kapelle.

Een flinke hoofdstraat doorsnijdt het dorp, waaruit een zware toren zich verheft. Oost-Kapelle was vroeger een heerlijkheid, bijna geheel in eigendom van de Abten van Middelburg, die het als onsterfelijk leen bezaten. Ook de riddermatige hofsteden Duinbeek en Westhoven alhier waren tot de Hervorming eigendommen van de Abdij; na 1574 werden deze goederen meestal verkocht.

Oost-Kapelle is mede een der mooiste dorpen van Walcheren, in een heerlijke streek, niet ver van de duinen en met onderscheidene boschrijke buitens in de nabijheid. Wij noemden reeds Ipenoord en Zeeduin; wij wijzen verder op Schoonoord, Westhoven, Duinvliet, Overduin, Eikenoord, Duinbeek en Berkenbosch, welker bosschen en duinen tal van schilderachtige gezichtspunten openen. De boschrijke duinzoom ten noorden van Domburg heet de Manteling.

De belangrijkste van deze buitens zijn Overduin en Westhoven. Op het eerste, het eigendom der familie De Jonge van Ellemeet, werd in 1862 Koning Willem III op vorstelijke wijze ontvangen; hier was de eigenaar in 1873, de gastheer van een schaar letterkundigen, bij het Taal- en Letterkundig Congres te Middelburg vereenigd, en Beets zong in de Oranjerie van dit buiten den gastheer toe:

Dat de Overduinsche bloemhof bloei’,

Zijn boomgaard ryke vracht doe plukken,

Het kunsttrezoor er overvloei’

Van altijd nieuwe meesterstukken;

Zijn Eigenaar aan ’t zilvren haar

Op ’t hoofd, zoo ongebogen,

Nog lang den gloed van ’t leven paar’,

Dat tintelt in zijn oogen.

Bij zooveel keurigs, zooveel schats,

Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde,

Verhoog’ nog steeds iets nieuws van Cats

Van zijn verzameling2 de waarde;

Cats’ hooge leeftijd, blijde moed

En hoop op beter leven,

Meer waard dan al der wereld goed,

Zij rijklijk hem gegeven.

[292]

Historisch meer beroemd en vooral bekend door Mevr. Bosboom-Toussaints geschiedkundigen roman van dien naam, is Westhoven, een kasteel, waarvan de eerste stichting onzeker is. Sommigen meenen, dat het een grenssterkte is geweest tegen de Noormannen, of misschien wel door dezen gesticht, om hun veroveringen op Walcheren te verzekeren. Men wil ook, dat dit kasteel den Tempeliers tot woonplaats verstrekt heeft, en als dat juist is, moet de stichting tusschen 1118–1314 hebben plaats gevonden. Het kasteel zou vervolgens het eigendom geweest zijn van het geslacht der heeren Van Borsele van Brigdamme, en bij een zoen over een doodslag, gepleegd door Boudewijn van Borsele van Brigdamme, omstreeks 1358 aan den Abt van Middelburg gekomen zijn.

Westhoven verstrekte vervolgens tot lustplaats aan de rijke prelaten van Middelburg, die hier een groot deel van den zomer doorbrachten en er niet zelden vorsten en andere hooge personen, die Walcheren bezochten, als gasten ontvingen. Hier zag men als zoodanig verschijnen in 1500 hertog Filips van Oostenrijk, verder prinses vrouwe Johanna en in 1515 hertog Karel van Oostenrijk, die later, in 1540, toen hij keizer was, dit kasteel nog weer bezocht. De toenmalige Abt, Floris van Schoonhoven, heeft het kasteel veel verbeterd en verfraaid.

Na de Hervorming werd dit kasteel verkocht in 1579; “met zijne vervalle huijsinge, grachten, boomgaarden en bosschen” enz. werd daarvan eigenaar Jonkheer Heinrich Balfour voor ± ƒ 10,000. De geschiedenis der verwisseling van bezitters zullen wij niet verder volgen, doch wij gaan de plaats bezien en zullen enkel bij eenige historische personen stilstaan, die hier een bezoek brachten.

Niet ver voorbij het dorp, op den weg naar Domburg, voert een laan naar het kasteel, dat, door grachten omsloten, zijn gekanteelde muren en torens doet verrijzen te midden der bosschen van de Manteling. Wij staan voor den toegang, waar een breedgetakte linde het voorplein overschaduwt. Deze nog elk voorjaar weder verjongende boom is misschien de oudste levende bewoner van Walcheren; hij was eertijds aan de Heilige Maagd gewijd, en werd zeker door een der Abten geplant als een hulde aan zijn heilige beschermvrouw. Heel wat geschiedenissen heeft de linde aan haar voet zien afspelen. Toen Karel V hier in Juli 1540 de gastvrijheid genoot van den rijken abt Filips van Schoonhoven, geurden haar bloesems reeds heerlijk. Hier kwam bijna een halve eeuw later Louise de Coligny, die destijds het Prinsenhof te Vlissingen bewoonde, dikwijls met den toenmaligen eigenaar, Loiseleur de Villiers, den toestand van het benarde vaderland en de sluwe plannen van Leicester bespreken. De Staten van Zeeland, die tijdens de kerkgeschillen er over dachten, in deze provincie een Hoogeschool te stichten, hadden daarvoor het oog op Westhoven gevestigd. En op dit buiten beraamde, twee eeuwen later Joh. Adr. van der Perre met zijn huisprediker, den lateren hoogleeraar J. H. van der Palm, in den opgewonden tijd van toewijding en verlichting [293]in het laatst der 18e eeuw, zijn plan om in Middelburg een museum te stichten tot verspreiding van degelijke, bruikbare kennis en volksgeluk. In 1894 zag Westhoven ook onze jeugdige Koningin Wilhelmina hier binnentreden en was het getuige van de geestdrift, waarmede de Zeeuwen de vorstin ontvingen.

Thans wordt dit schoone buiten door de mildheid der eigenares, Mevr. de Wed. de Bruijn-Boddaert, aan een schoon doel gewijd. Het strekt gedurende de zomermaanden tot een herstellingsoord voor behoeftige kinderen van Walcheren.


De rijweg door de Manteling achter Westhoven, Berkenbosch en Duinbeek slingert zich schilderachtig over de met knoestig bosch dicht begroeide duinheuvelen. Wie een flinke wandeling van Domburg uit wil maken en niet tegen een drietal uren afstands opziet, verzuime niet, die naar de Oranjezon te kiezen, door de Manteling heen en terug over de landgoederen Overduin en Zeeduin. Verrukkelijke gezichten, een voortdurende afwisseling van natuurtooneelen biedt deze tocht aan. Achter Westhoven en Berkenbosch vooral kronkelt de weg zich rijzend en dalend, nu over een vrij hoogen heuvel, aan de eene zijde begrensd door het kreupelhout der duinen en aan den anderen kant door een even dicht begroeide diepte, dan weer door een belommerde vallei. Al naarmate men de zee meer nadert, wordt het bosch lager en ruwer; de takken wringen zich zonderling door elkander en de strijd tegen den zeewind spreekt uit elken knoestigen, gebogen vorm. En daar buiten ligt het naakte duin met zijn geelwitte randen langs de zee.

Van Westhoven gaan wij voorbij de bosschen van Duinvliet en enkele villa’s, en weldra zien wij het stille, vredige dorp Domburg voor ons liggen aan den binnenkant der duinen, terwijl op het duin onderscheidene villa’s en gebouwen verstrooid staan.

Blonde duinen, weest gegroet!

Scheidsmuur tusschen land en stroomen,

Blauwe golven, groene boomen,

Samenkomende aan uw voet!

’k Zie ter rechterzijde, op ’t strand,

Wentlen zich de wilde baren;

En ter slinke rijpen d’ airen,

Wachtende op des maaiers hand.

Grootsche tweeklank, die hier klinkt!

Ginds ’t gebruis der groote waatren,

Die een dondrend loflied klaatren;

Hier de jeugd, die ’t oogstlied zingt.

O! wat liefelijk akkoord

Vormt die twee verscheiden galmen

Tot den heerlijksten der psalmen

Voor den Bouwheer van dit oord!

Hasebroek. [294]

Domburg is een nederzetting van zeer hoogen ouderdom. Wanneer zich hier menschen gevestigd hebben, valt niet te zeggen, maar opgegraven oudheden bewijzen, dat dit reeds in den heidenschen tijd was. In 1647 werd bij buiten gewoon laag water hier op het strand in zee gevonden het overblijfsel van een tempelvloer en daarbij fragmenten van beelden en een aantal zoogenaamde geloftesteenen, gewijd aan de godin Nehalennia, die op vele plaatsen werd vereerd. Ook in 1870 werden er nog geloftesteenen opgegraven. Van 1687–1817 ontgroef men hier ook ruw bewerkte doodkisten met een aantal geraamten, waarbij gevonden werden urnen en andere voorwerpen van huiselijken aard, stijgbeugels, messen, sleutels, ringen, naalden enz., die in het Museum te Middelburg bewaard worden.

Dit alles wijst er op, dat de zee hier het land heeft afgeslagen, maar tevens, dat er in zeer oude tijden een bedrijvige plaats moet hebben bestaan, die een levendigen handel dreef. De opgegraven Romeinsche doch voornamelijk de Frankische en Angel-Saksische munten toonen eveneens een handelsverkeer en ontwikkeling der plaats aan in dien tijd. Ook later nog was Domburg in aanzien; in 1223 wordt het een Poorte genoemd en waren de inwoners “poorters”. Het was een “smalstad”, die wel stedelijke voorrechten bezat, doch niet alle stedelijke rechten. De ontwikkeling van de stad ging echter niet verder; de plaats verviel en in 1452 werd Domburg door Filips den Goede als heerlijkheid verkocht. Sedert was Domburg slechts een eenvoudig boerendorp.

Gezicht op het duin te Domburg.

Gezicht op het duin te Domburg.

Een nieuw tijdperk ving voor Domburg aan, toen het in 1837 een badplaats werd. Door een gift van koning Willem I en de bijdragen van onderscheidene Middelburgers werd het eerste badhuis gesticht, waarvoor de eerste steen gelegd werd op 1 Maart 1837. Het gebouw bestond uit een groote zaal, vervolgens uit een kamer, ingericht voor warme zeebaden, terwijl aan de noordzijde een vertrek alleen bestemd was voor zwakken of vermoeiden.

Toch was het bezoek aanvankelijk nog hoofdzakelijk bepaald tot bewoners van het eiland. In het jaar 1842 werden er ongeveer bij de duizend baden gebruikt. Maar een schrijver van dien tijd zegt, dat er de gezelligheid nog gemist werd. [295]

In plaats van het oude, eenvoudige gebouwtje is in 1889 een grooter en meer comfortabel badhuis gebouwd. Het staat op het duin vooruit, met eenige villa’s meer op den achtergrond. Van deze hoogte heeft men, dikwijls half in nevels verborgen, het gezicht op de duinen van Schouwen, waarboven de lichttoren uitsteekt, die, met het vuurschip op den gevaarlijken Banjaard, den zeeman op de wateren aan deze kust waarschuwend den weg wijst.

De duinen bij Domburg hebben heerlijke gedeelten, waar alle schakeeringen en tinten van zee, lucht en land in één blik worden omvat. Hier komen ons de zangen van Helene Swarth voor den geest, als zij de blanke duinen met haar dichteroog ziet:

De zilvren wolken zijn als cherubijnen,

Die spelemeien in de blauwe lucht.

In teeder amethyst van mistgordijnen

Wijkt, ver in zee, de laatste meeuwenvlucht.

Ik lig in duin en zie de zon verdwijnen,

En luister naar het ruischen van den zucht

Der blanke zee, waar pareltinten kwijnen,

Die nooit kan slapen en die eeuwig ducht.

Hoewel waarschijnlijk niet met door dit landschap, heeft toch Edward B. Koster soortgelijke indrukken gehad, toen hij het voorjaar en de duinen bezong:

Hel-gele duinen en hel-blauwe lucht,

’t Dorpje en zijn huizen in vogelvlucht,

Veraf geruisch en een glimp van de zee,

Liggen in voorjaarsschomm’ling tevreê.

Vogels, gespikkeld op ’t pralende blauw,

Wolkjes, verschilf’rend, totdat men ze nauw

Langer kan zien in hun spreidend geel-wit,

Kraaien, zich teek’nend op ’t duinzand als git.

Helm, op de hellingen wuivend in wind,

Dartelend huppelt hij rond als een kind,

Jolig en jong speelt hij vroolijk den baas,

Overal stoeiend met lentegeblaas.

Luisterend lig ik in ’t mollige zand,

Hoor de geluiden van zee en van land,

Hoor, hoe de lente mijn vreugde weer schiep,

Wekte, wat ’s winters zoo vast in me sliep.

[296]

Wie een rustige badplaats wenscht, waar de zeelucht met een schoone natuur samenwerkt, om zielerust te herstellen, kan geen beter keuze doen dan Domburg. ’t Is geen drukkende rust die hier heerscht, maar een kalmte, die tot nieuwe krachtsinspanning sterkt. Als de zeewind te hevig is, kan men door de wandelingen in de schoone, windvrije bosschen toch de zuivere lucht inademen.

De kermisdrukte van enkele badplaatsen vindt men hier gelukkig nog niet. Door dit alles wordt Domburg als herstellingsoord door geen badplaats in Europa overtroffen. Carmen Sylva bracht hier eenige zomers door.

Was tot voor weinige jaren Domburg nog uiterst primitief, dit is allengs verbeterd door de hôtels, die hier zijn opgericht en alle gemakken voor logies aanbieden. Merkwaardigheden heeft het dorp op zichzelf geene, waarbij wij behoeven stil te staan.

Een oud binnenhuis bij Domburg.

Een oud binnenhuis bij Domburg.

Nog willen wij wijzen op een zonderlinge vischvangst, die men hier in Augustus en September nu en dan kan waarnemen. Bij zacht, betrokken weer wordt een klein, doch volgens Bellamy smakelijk vischje, smelt, uit het bij eb droogloopende strand met een spade opgedolven en, als het te voorschijn komt, met vlugge hand gegrepen. Dat smeltvisschen schijnt in de 18e eeuw een waar volksfeest geweest te zijn, zooals blijkt uit Bellamy’s schoone beschrijving van deze visscherij.

Daar leeft in Zeeland aan het strand

Een kleine, ronde visch,

Die naar der Zeeuwen kieschen smaak

Een lekker voedsel is.

Des zomers, als de zuidewind

Langs kleene golven speelt,

En vriendlijk ’t gloeiende gelaat,

Des nijvren landmans streelt,

[297]

Dan gaat de jeugd met spade en ploeg

Naar ’t breede, vlakke strand,

En ploegt dan, vol van vroolijkheid,

Het dorre, natte zand.

Dan grijpt in de opgeploegde voor

Een rappe hand den visch,

En dikwijls is de vlugste hand

Te traag bij dezen visch.

Slechts zelden heeft dit smeltvisschen thans nog plaats. Zoo is ook het strandfeest opgehouden, dat daaraan verbonden was, en waarvan de dichter vertelt:

Intusschen speelt en stoeit de jeugd

En fladdert door het nat,

Dat schuimend, met een groot gedruisch,

In mond en oogen spat.

De jongling grijpt een meisjen op

En draagt haar mede in zee,

Het meisje roept en wringt vergeefs,

Hij draagt haar mede in zee.

De treurige gebeurtenis met Roosje, die den dichter aanleiding gaf tot dit lied, is bekend; zij moet aan het strand van West-Walcheren hebben plaats gehad.

Het in zee dragen van meisjes kwam oudtijds op meer plaatsen langs het strand voor. Jacob Cats geeft hiervan op Schouwen, waar het misschien bij het stra-rijden gewoonte was, het volgende verhaal:

Een ridder uit het Brittenland

Ging dwalen aan het Zeeuwsche strand

En hadde (zoo het scheen) gezien,

Hoe dat aldaar de jongelien

Zich gaan vermaken in de zee,

Niet verre buiten Zieriksee.

Hij zag het als een zeldzaam ding,

Dat vrij wat uit de regel ging;

En daarom heeft hij ’t ons vertelt,

Gelijk hier onder is gesteld.

Ik kwam eens treden op het strand

Daar ik veel jongelieden vand;

Ik zag er zes of zeven paar,

Den eenen hier, den andren daer,

Maar bovenal zoo was er twee,

Die gingen vaardig naar de zee;

Een ieder had een jonge maagd,

Die hij tot in het water draagt;

[298]

En of de vrijster vreeze kreeg,

Ja, schier van angst ter neder zeeg,

Ook hem met bleeke lippen bad,

Nog ging hij dieper in het nat,

Totdat het water werd gezien,

Tot aan, ja, boven hare knien.

En nog is ’t niet genoeg gedaan:

Het moest er vrij wat holder gaan;

Ten leste neemt de losse kwant

En giet ook water metter hand,

Juist als Diana voortijds plag,

Als zij Acteon bij haar zag:

Hij goot het water hier en daar

Tot in haar schoon gekreukeld haar,

Zoodat, hetgeen eerst geestig stond,

Geleek een natten waterhond.

Ten lesten, als de jonker zag,

Dat hij niet hooger op en mag,

Zoo keert hij weder naar het droog,

Want hij zag tranen in haar oog;

Maar straks, zoo loopt hij naar het strand

En trekt haar naar het mulle zand;

Hij legt haar op een hoogen duin

En rolt dan van een steile kruin,

Tot onder in het lage dal,

En daar eens even weder mal:

Hij zout haar in het gulle zand

En strooit het stof aan alle kant;

Hij laat niet af hoe dat zij wijkt,

En dat zij nauw een mensch gelijkt.

Welk doel had dit spel? Zeer waarschijnlijk van anderen oorsprong, heeft Cats er toch een praktische beteekenis aan gehecht. Hij zegt:

Gij, hoor toch, waarom dit geschiedt:

Het is, vermits hij daaruit ziet,

Hoe zich een jonge vrijster heeft,

Als hij zoo zeldzaam met haar leeft;

Of zij dan ook een jonkman viert,

Dan of ze lui en leelijk tiert,

En of haar eertijds zoet gestel

Verandert in een norsch gezwel.

En als het eens is uitgemald,

Dan ziet hij, hoe zij hem bevalt

En of hij verder dient te gaan,

Dan of zijn vrijen heeft gedaan.

Het spel, om zijn meisje in zee te dragen, had niet alleen bij Roosje een treurigen afloop. Françoise van Egmond, o. a., dochter van den onthoofden [299]graaf Lamoraal, werd er mede het slachtoffer van, wel niet door verdrinken, maar door een verwonding, die zij kreeg bij het tegenworstelen, toen zij in zee werd gedragen te Scheveningen in 1598.


Doch wij wenden ons af van de sombere geschiedenissen, welke met de zee verbonden zijn, en waarvan Zeeland ons veel zou kunnen verhalen. Liever slaan wij van het duin nog een laatsten blik op de machtige aan onzen voet, die eeuwig spreekt in duizende talen, voor alle zielen en natiën, die alle stemmingen doet leven, welke opwellen in het menschenhart.

De zee, de zee klotst voort in eindelooze deining,

De zee, waarin mijn ziel zich-zelf weerspiegel ziet,

De zee is als mijn ziel in wezen en verschijning,

Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.

Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,

En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt,

Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning

En zingt een eeuwig blij en eeuwig-klagend lied.

W. Kloos.

Wij moeten thans afscheid nemen van het vriendelijke Walcheren, dat niemand, die het bezoekt, nalaten kan, lief te krijgen. De lente is er schoon door haar bloeiende meidorens en koolzaadvelden, de heete zomer door zijn frissche zeelucht; de herfst door zijn rijkdom aan tinten en kleuren, en de winter in Middelburg door zijn gezelligheid. Tot afscheid spreken wij het den wensch van Beets toe ook als de onze:

Uw vette klei zij meer en meer

Met voedzaam goud beladen;

Uw handel bloei’, gelijk weleer,

Langs nieuw beproefde paden;

De ronde Zeeuw veroudre nooit;

De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;

En al wat Zeeuwsch is toone

Den glans van ’t Goede en Schoone.

[300]


1 Veere is in de laatste jaren iets vooruitgegaan. In 1890 telde de gemeente 175 huizen, waarvan 26 onbewoond; in 1900: 204 huizen, waarvan 3 onbewoond.

2 Museum Catsianum.

[Inhoud]

Door Zeeuwsch-Vlaanderen.

Nu wij de Zeeuwsche eilanden bezocht hebben, begeven wij ons van hier naar Zeeuwsch-Vlaanderen. Wij zullen de boot nemen van Vlissingen naar Breskens, Zeeuwsch-Vlaanderen vervolgens van het westen naar het oosten doorwandelen, om daarna van Hulst naar Walsoorden aan de Schelde het land nog eens dwars te doorsnijden, de Schelde weder over te gaan met het veer naar Hansweerd, om van hier binnen enkele minuten den spoorweg van Zuid-Beveland weder te bereiken.

Voor hem, die de breede Schelde niet wil overvaren, is er geen andere gelegenheid, om in Zeeuwsch-Vlaanderen te komen, dan over Antwerpen en van daar over St. Nicolaas met den trein naar Hulst te reizen en zoo verder. Wie ten W. van den Braakman wil zijn, moet over Gent reizen, vervolgens naar Eecloo of Maldeghem, om hier een tram te kiezen.

Wij begeven ons weder naar Vlissingen, gaan daar aan boord van een boot en bevinden ons weldra op de breede Hont of Wester-Schelde. Het bevaren van de Schelde heeft iets grootsch en indrukwekkends. Dat aan deze breede watervlakte de naam is gegeven van de rivier, welke België doorstroomt, is in strijd met de natuurlijke geschiedenis van het land. Want wij bevinden ons in werkelijkheid op een inham der zee, een schepping van de zee, waar de oceaan zijn zoute wateren bij elken vloed nog in uitstort en als een zware, rijzende golf voortstuwt tot bij Antwerpen, om daarna, vereenigd met het water, dat de Schelde afvoert, terug te keeren. De rivier de Schelde eindigt eigenlijk ongeveer daar, waar zij de Nederlandsche grens bereikt, ten einde hier in den inham, welken de zee heeft geschapen als om de rivier tegemoet te gaan, uit te monden. De oudere schoolgeographen, die als één van de drie hoofdrivieren van Nederland ook de Schelde noemden, eischten voor ons land iets op, wat Nederland niet toekomt, omdat de Schelde als rivier bijna geheel Belgisch is; wij nemen enkel haar rivierwater over en niets meer. [301]

Achter ons begint Vlissingen langzaam weg te nevelen en aan den overkant van de Schelde zien wij de vage massa van struiken allengs aangroeien en zich vervormen tot stammen. Tal van witte zeilen zwieren lustig om ons over de zacht deinende watervlakte. Zoo hier en daar stijgt de zware rookzuil op van een groot stoomschip, dat zijn ladingen uit verre landen aanvoert naar of afvoert van Antwerpen, de eerste koopstad der Schelde. De groote buitenlandsche stoombooten worstelen en stampen tegen den ebstroom, en strepen van schuimend kielzog wijzen nog lang den weg aan, dien zij hebben afgelegd. Tusschen die vaartuigen door laveeren een paar loodskotters, die zee kiezen, om den schepen den weg te wijzen naar en door de Schelde, te midden van de gevaarlijke banken.

Wij vorderen meer en meer; de kerktorens, huizen en boomen van Walcherens zuidpunt duiken weg aan den horizon, en uit den blauwgrijzen, nevelachtigen band, welke, van Vlissingen gezien aan de overzijde lucht en water scheidde, ontwikkelt zich langzamerhand duidelijk de hooge dijk, waarboven een toren, roode daken, enkele boomen en scheepsmasten zichtbaar worden. Onze vaart heeft ongeveer een half uur geduurd; thans zijn wij voor de haven van Breskens. Als de stoomboot door het water binnen kan loopen, komen we zonder moeite aan wal, doch als het lage water ons noodzaakt, om aan het hoofd uit te stappen, hebben wij een moeielijke wandeling over de ongelijke steenen der zeewering, glibberig door de overstrooming van het vloedwater.

De zeemondingen van het delta-land hebben een eigenaardige bekoring door de voortdurende afwisseling, welke zij in hun uiterlijk aanbieden bij het dagelijksch spel van vloed en ebbe. Hier, in de Wester-Schelde, is het verschil in waterstand nogal aanzienlijk en het neemt van den mond tot dicht bij Antwerpen in grootte toe. Te Vlissingen en Breskens bedraagt het gemiddelde verval van den waterstand bij de getijden 36 d.M. (bij springtij 46 d.M.), te Terneuzen 39 (bij springtij 49), te Bath 44 (bij springtij 51) en te Antwerpen 43 d.M. Door deze groote rijzing van het water bij vloed is de Schelde zoo ver in het land voor groote schepen bevaarbaar.

Gedurende laagwater vormt de Schelde een reeks van uitgestrekte, zonnig grijze vlakten, tijdelijke rustplaatsen voor tienduizenden blanke zeevogels, meer of minder in blinkende schittering gehuld, naarmate de eb lager afloopt. Golvende, zilveren banden, van onregelmatige breedte en vorm, doorsnijden die platen langs de diepere geulen en met zijarmen strekken die zich uit, als om enkelen kleinen meertjes, op de banken verstrooid, de hand te bieden in hun eenzame verlatenheid, bijna afgezonderd van de zee.

Slechts kort duurt die toestand, want na een kwart etmaal rijzen de wateren weder, eerst schuchter, als om de eilanden onmerkbaar en spelend te naderen, [302]en straks met meer kracht, als om ze te bestormen. Aanvankelijk nemen de golven de buitenwerken veroverend in; verder doen zij bij hoogen vloed de banken, gorzen en schorren weder verdwijnen door het overwinnend heir van de steeds krachtiger aansnellende legerscharen der golven, die over het overwonnen land met huppelenden pas voortijlen naar de bolwerken langs den oever, welke hun, dank zij den verdedigingswerken onzer waterstaatsofficieren, het “tot hiertoe en niet verder!” toeroepen. Dan worden deze groote, breede ruimten één uitgebreide watereenzaamheid, één geluidlooze ruimte zonder omlijning, zonder eenig houvast voor het oog.

Op dit oogenblik strekt de Schelde zich nog in haar volle uitgebreidheid, doch kalm en rustig, uit. Maar wild en onstuimig kan ook die waterarm worden, dreigend en jagend. Als de westenwind uit zee komt aangieren en de golven doet schuimen, bruisen en koken met donderend geraas, waar zij met de banken in strijd komen; als de zwellende vloeden in woedend geweld tegen elkander opsteigeren en, hier in de nauwte doorgedrongen, tot bergen van water en hooge kruinen van schuim opdrijven, dan dreunen de dijken bij de zware aanvallen en mokerslagen van hun machtigen vijand, dien zij trachten tegen te houden.


Als wij te Breskens voet aan wal zetten, krijgen wij door de indrukken der plaats en van het volk bijna onmiddellijk een gevoel, of wij in een vreemd land zijn. Wel hooren wij nog de Nederlandsche taal spreken, maar zij is met zooveel vreemde elementen vermengd, dat men daarin buitenlandsche invloeden onmiddellijk kan ontdekken. De bouw der woningen, de inrichting der nederzettingen, de namen der herbergen, de “estaminets”, de kleeding, schier in alles bemerken wij iets, dat Zeeuwsch-Vlaanderen van het overige Nederland onderscheidt.

Zeeuwsch-Vlaanderen is dan ook een “achterhoek van den overkant”, zooals Nagtglas het noemde; het vormt een overgang tot het Belgische Vlamenland en behoort er geographisch nader toe dan tot Zeeland. Toch bestaat er in het volkseigene dier beide streken nog groot verschil, dat men spoedig opmerkt, als men over de grenzen naar België gaat. Men vindt in het Belgische niet alleen overheerschend een anderen godsdienst, andere kleeding, andere volksgebruiken en gewoonten, maar ook een andere taal, een taal, zoozeer afwijkend van het Zeeuwsch-Vlaamsche dialect, dat de Zeeuw, die in Zeeuwsch-Vlaanderen een zusterspraak hoort, welke hij terstond herkent, waarmede hij zonder eenige moeite spoedig vertrouwd is, de taal over de rijks-grens als een vreemde taal beschouwt, grootendeels voor hem onverstaanbaar. Dit verschil is zeer in ’t oogvallend, omdat beide gedeelten niet door een natuurkundige grens van elkander gescheiden zijn, maar geographisch in elkander overgaan, terwijl er een dagelijksche aanraking tusschen beide gedeelten plaats heeft, thans nog bevorderd door spoorwegen, [303]kanalen, trams, enz. Daarenboven is dit verschil opmerkelijk omdat vóór een viertal eeuwen het volk aan deze en gene zijde van de tegenwoordige staatsgrens één was. Het oude Vlaanderen strekte zich uit tot de Wester-Schelde, en in dien tijd bestond ook dat taalverschil niet, zooals blijkt uit de geschreven stukken der 16e eeuw. Wij hebben hier dus het verloop van een scheidingsproces in historischen tijd op te merken, waardoor een volk, één van afkomst, verdeeld werd. Doch bovendien heeft in het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen de invloed van een binnenlandsche kolonisatie gewerkt, die hier volkselementen uit het overige Zeeland aanbracht, welke met het bekende conservatisme, den Zeeuw eigen, hun dialect, gewoonten en kleeding ten deele bewaarden, maar onder den invloed van het Vlaamsche toch eigenaardig ontwikkelden.

Het West-Vlaanderensche en het Zeeuwsch-Vlaanderensche (bijv. in het district van Sluis) zijn zeer verschillende dialecten. Waaruit is het verschijnsel te verklaren, dat o. a. in het gebied van Sluis de volkstaal met het Walcherensche dialect meer overeenkomst heeft dan met het West-Vlaamsche?

Niet onwaarschijnlijk werd de Zeeuwsche invloed in ouden tijd ook al tot ten zuiden van de Schelde uitgebreid, zooals o. a. hieruit valt af te leiden, dat de Zeeuwen in 1180 Damme bedijkten. Maar de invloed der Zeeuwsche taal, hoewel misschien op het eiland Kadzand het best bewaard, moest door het leven der bevolking met en in Vlaanderen wel verloopen, en uit de geschreven stukken der 16e eeuw valt overeenkomst in dialect tusschen Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen af te leiden, gelijk wij zeiden.

Na dien tijd evenwel werd de scheiding voltooid. Tijdens den Spaanschen oorlog vluchtten vele bewoners om den wille van den godsdienst uit Vlaanderen naar Walcheren, hielden daar langen tijd verblijf en brachten, van daar terugkeerend, natuurlijk de taal mede, die zij er hadden aangenomen. Zelfs werd uit het Walcherensche de vrouwenkleeding gedeeltelijk overgenomen en de ouderwetsche zeden in westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen hebben daarmede ook de meeste overeenkomst.

De invloed der staatkundige vereeniging met Noord-Nederland deed zich vervolgens in Staats-Vlaanderen gevoelen. Van West-Vlaanderen was men gescheiden, doch met Zeeland stond men door handel, rechtsbedeeling, godsdienst, bloedverwantschap en omgang in de nauwste betrekking. Daarenboven vestigden zich vele Zeeuwen in Staats-Vlaanderen. Dit alles werkte samen, om hier den Zeeuwschen tongval de overhand te doen verkrijgen, en deze werd de grondslag van de zich ontwikkelende taal.

Maar toch, het Zeeuwsch was er niet zuiver, want in Staats-Vlaanderen vestigden zich ook vele vreemdelingen, die hun eigenaardige taalelementen oplosten in het Zeeuwsche. Franschen, Walen, Luikenaars en Salzburgers kwamen hier aan. Door hun invloed werd de taal gewijzigd. “De taal is een [304]Zeeuwsch gebouw, op een Vlaamschen grondslag omhoog gerezen, dat hier een uitheemschen vorm heeft aangenomen,” zegt de heer H. Q. Janssen, die deze dialecten goed kende.

Gaat men de dialecten meer in bijzonderheden na, alsmede de nationale kleeding, dan zijn er drie gedeelten in Zeeuwsch-Vlaanderen te onderscheiden. Het westelijk gedeelte, ten W. van den Braakman, heeft een Vlaamschen grondslag, onder Zeeuwsche invloeden gewijzigd; het Land van Axel, ten O. van den Braakman, is meer Zeeuwsch getint, en het ten oosten daarvan gelegen Land-van-Hulst is meer met Brabant en Antwerpen verwant. Wij komen later hierop terug.


In de eerste plaats een blik op de geschiedenis des bodems en der bewoners.

Het is geen gemakkelijke taak de veranderingen van Zeeuwsch-Vlaanderens bodem en wateren in historischen tijd na te gaan, en wij willen dit ook geenszins beproeven. Daarvoor is buitengewone locale kennis noodig naast studie van de bronnen. Wel zijn er kaarten van het oude Zeeland en ook van Zeeuwsch-Vlaanderen geconstrueerd uit gegevens, welke men aan de geschiedenis ontleende, doch dikwijls liet men zich daarbij ten deele leiden door onbewezen gissingen. De voorstelling, welke Ab Utrecht Dresselhuis in zijn kaart van Zeeland omstreeks 1200, gegeven heeft van Zeeuwsch-Vlaanderen, wordt op vele gronden als onjuist beschouwd.

Wij hebben voor dit werk een historische kaart laten reproduceeren van Zeeland naar een voorbeeld, dat een copie is van Lieven van Thuyne, gemaakt volgens een kaart, die van 1288 heet te zijn. De echtheid dezer kaart wordt door enkelen bestreden, door anderen verdedigd. Geheel juist is ook deze kaart zeker niet, maar wij meenden haar toch te moeten overnemen, om daarmede, zij het ook niet in details nauwkeurig, toch een algemeen beeld van den vermoedelijken toestand van oud-Zeeland te geven. Voor Zeeuwsch-Vlaanderen schijnt ons deze kaart juister dan die, welke Dresselhuis ontwierp; voor de overige gedeelten heeft die van Dresselhuis misschien meer waarde.

Zonder nu in bijzonderheden te treden, gelooven wij ons Zeeuwsch-Vlaanderen, evenals het overige gedeelte van Zeeland, vóór den aanvang onzer jaartelling te moeten voorstellen als een laag kustland, van onderscheidene waterarmen doorsneden, maar toch over ’t geheel droog gelegen. De lagere waterstand der zee, welken wij reeds vroeger aannamen voor dien tijd, geeft ons grond tot een dergelijke veronderstelling. Daardoor was dit kustland bijzonder gunstig gelegen voor de eerste scheepvaart en had zich hier in de eerste eeuwen onzer jaartelling [305]reeds een bevolking gevestigd, die, evenals op de kustplaatsen van Zeeland (Domburg enz.), tot een hooge welvaart was gekomen.

De waterarmen in het kustgebied waren meest niet zoo breed als later, het Zwin misschien uitgezonderd. Het Zwin was een waterarm, die van den mond der Wester-Schelde in zuidelijke richting zich tot Brugge uitstrekte, waar het een natuurlijke haven vormde, terwijl onderscheidene smallere zij-armen er mede waren verbonden. Vóór 1180 vloeide het zeewater tot Brugge, doch dewijl deze stad gevaar liep van overstroomd te worden, versterkte men den afsluitingsdijk, die een uur beneden Brugge liep, en de stad aan dien dijk, Damme, werd daardoor de voornaamste haven van dit gewest. Aan het Zwin hadden zich ook andere nederzettingen gevormd: o. a. Sluis, Oostburg, e. a. Toen het Zwin als een doodloopend water, waarin de vloed opliep, om daarna terug te keeren, in den lateren tijd meer en meer dichtslibde in den bovenloop, werd de handel vervolgens naar Sluis verplaatst, gelijk wij zien zullen, terwijl ook deze plaats later een landstad werd.

Het Vlaamsche kustland, ten Z. langs de Schelde, werd al vroeg bewoond; hier begon St. Amand in het begin der 7e eeuw met St. Eloy de evangelieprediking, en in dien tijd bestonden Oostburg en Aardenburg reeds. De evangeliepredikers stichtten hier onderscheidene kloosters. Van het leggen van dijken en het inpolderen wordt niet gesproken vóór ± 1100, toen de genoemde dijk bij Damme gelegd werd. Het komt ons niet onwaarschijnlijk voor, dat in die eerste eeuwen het leggen van zware dijken niet noodig was, evenmin als in Holland, zoodat er enkel lagere kaden werden aangetroffen.

Toen evenwel de rijzing van het niveau der zee na de 10e eeuw zich langs de geheele kust openbaarde, die in het noorden de Zuiderzee deed ontstaan (zie I pag. 14 en 341), nam ook hier aan de kust de landvernieling aanvang. Langs de waterarmen, misschien wel door lage kaden omringd, spoelde het slappe land weg en het water drong er dieper in door. Aldus loste Zeeuwsch-Vlaanderen, voor zoover de bewoners door het leggen van dijken er geen voldoenden tegenstand aan boden, zich op in onderscheidene eilanden, door breede wateren gescheiden. Dit proces zette zich voort tot de 16e eeuw en deed heel wat land teniet gaan. Het Zwin werd breeder, hoewel tevens in het zuiden langzamerhand ondieper; de Braakman vormde zich tot een woest water (± 1440), het Land van Saeftinge in het oosten verdween in de golven (bij onderscheidene vloeden in de 16e eeuw); het Hellegat werd een breede inham, enz. In dien strijd werd de gedaante van het land geheel veranderd en weken de bewoners terug voor het water, terwijl de onrustige oorlogstijden der 16e eeuw niet de noodige zorg deden besteden aan het onderhoud van de verdedigingsmiddelen voor het land.

Doch na die woeste overwinningen der zee begon weder de aanwinst van [306]land. Toen het proces der landvernieling gestaakt werd, toen de bevolking tot eenige rust kwam en de dijken werden aangelegd of versterkt, terwijl alleen enkele binnenwateren met de zee in betrekking bleven, voerde het vloedwater bij elk getijde nieuw slib aan, dat in die doodloopende wateren bezonk. Sliklagen vulden de binnenwateren op, en vroeger goede havensteden als Damme en Sluis konden weldra niet meer bereikt worden door de schepen uit de zee.

De ontwikkelende landbouw maakte zich meester van de aanwassen, om het verloren land te herwinnen, en zoo werd Staats-Vlaanderen in een gebied met aaneengesloten bedijkingen veranderd. Het vroegere Zwin, waar oudtijds zulk een aanzienlijke handel gedreven werd, waarvan Maerlant getuigt in de Wapene Martijn:

“Al waert al dijn, dat comt in ’t Zwin,

Gout, Zilver, Loot, Staal, IJzer, Tin;”

waar in 1340 voor Sluis een zeeslag geleverd werd, bij welke de Fransche vloot, 123 zeilen sterk en met 40000 koppen bemand, door de Engelschen overwonnen werd, aangevoerd onder koning Eduard in persoon; waar in 1484 aartshertog Maximiliaan met wel anderhalf honderd schepen binnenliep, is langzamerhand geheel verdwenen. In 1648 werd het uit naijver der provinciën afgesloten, waarna het door opgroeiing en inpoldering steeds verkleinde. In 1872—73 verdween het laatste gedeelte door de bedijking van den Willem-Leopoldpolder. Nog in onzen tijd zet die arbeid van landaanwinst zich voort; in den Braakman en in het Land van Saeftinge hadden de laatste inpolderingen plaats.

Zoo is Zeeuwsch-Vlaanderen van een handelsgewest met bloeiende koopsteden en levendige zeevaart in den loop der laatste vier eeuwen een landbouwstreek geworden. De steden hebben daardoor veel van hun beteekenis verloren, doch het land is er bij vooruitgegaan. Door de herhaaldelijk nieuwe ingepolderde landen kwam er grond beschikbaar en vestigden zich hier ook kolonisten van Zeeuwsche eilanden, zelfs uit vreemde landen. Dit had ten gevolge, dat men er tegenwoordig nog zooveel volkselementen kan opmerken, die niet zelden van polder tot polder verschillen in godsdienst, zeden, gewoonten en kleederdracht.


Staatkundig heeft Vlaanderen in de oudheid een groote beteekenis gehad. Men verstond daaronder in de latere middeleeuwen het graafschap, dat ten N. grensde aan de Noordzee en den mond der Schelde, zoodat het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot het graafschap Vlaanderen behoorde en de Schelde de grens ervan uitmaakte. Verder vormden in het O. het markgraafschap Antwerpen, het hertogdom Brabant en het graafschap Henegouwen de grens, in het Z. Henegouwen, het graafschap Artois en een gedeelte van Picardië, en in het W. de Noordzee. In den tijd van Lodewijk den Vrome had Vlaanderen reeds een [307]zekere, doch beperkte uitgestrektheid verkregen en kwam het als een afzonderlijk land voor. Als zoodanig wordt het vermeld in het voorschrift, dat Lodewijk gaf omtrent de verdeeling van zijn landen in 838. Een streek bij Brugge komt in de 7e eeuw het eerst voor onder den naam van Pagus Flandrensis, waaraan de naam van het graafschap ontleend schijnt te wezen. Men meent, dat de Frankische koningen het land tot in de 9e eeuw door houtvesters (forestiers) deden besturen. Een van hen, Boudewijn met den IJzeren Arm, verwierf in 863 de hand eener dochter van Karel den Kale, die het gebied van zijn schoonzoon vergrootte en tot een graafschap verhief. De graven van Vlaanderen leefden herhaaldelijk in oorlog met hun naburen, vooral met de Graven van Holland, over het bezit van Zeeland ten westen van de Schelde (zie pag. 192), dat zijn de eilanden Walcheren, Zuid-Beveland, Noord-Beveland e. a., welke na 1323 aan Holland kwamen.

Bij de oorlogen van Vlaanderen met Frankrijk, de inwendige beroeringen, den vrijheidsstrijd van Jacob van Artevelde, waardoor de Fransche invloed in Vlaanderen bedwongen en de grond tot de zelfstandigheid van het land gelegd werd, zullen wij niet stilstaan. Door Philips den Goede werd Vlaanderen, met nog andere deelen van Nederland, onder één bestuur vereenigd, in 1429 met het graafschap Namen, in 1430 met de hertogdommen Brabant en Limburg, in 1433 met de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Al die bezittingen, vermeerderd met het hertogdom Luxemburg, vielen in 1467 ten deel aan Karel den Stoute, in 1477 aan zijn dochter Maria, en door haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk kwamen zij aan het Oostenrijksche huis. Onder Philips den Schoone kwam Vlaanderen met de andere Nederlandsche gewesten in nadere betrekking tot Spanje en deze duurde voort onder Karel V en Philips II, totdat de opstand losbarstte onder laatstgenoemden vorst. Vlaanderen nam daaraan aanvankelijk met ijver deel, schaarde zich voor en na aan de zijde van den Prins van Oranje, maar bleef ten slotte een provincie van de zuidelijke of Spaansche Nederlanden.

In het noordelijk gedeelte van Vlaanderen werd echter de grensstrijd tusschen Spanje en de Nederlanden gedurende den tachtigjarigen oorlog voortgezet. Hier werd door de noordelijke Nederlanden een gedeelte van Vlaanderen veroverd, dat in 1648 bij den vrede van Munster aan de Algemeene Staten werd afgestaan. Dit gedeelte verkreeg destijds den naam van Staats-Vlaanderen en behoorde tot de Generaliteitslanden. De grensscheiding was in het vredesverdrag niet nauwkeurig bepaald, doch nader werd die omschreven in het verdrag van 28 Sept. 1664; later kwam er in 1715 een nieuw, gewijzigd grensverdrag tot stand. Nog herhaaldelijk hadden er grenswijzigingen plaats, o. a. in 1718 en 1786.

Staats-Vlaanderen nu stond onder de oppermacht van de Algemeene Staten der [308]Vereenigde Nederlanden, die uit hun midden jaarlijks Gedeputeerden afvaardigden om de regeering der steden te bezetten, rekeningen op te nemen, enz. De Raad van State had het beheer over de geldmiddelen. Alleen langs de noordkust was een gedeelte, “het Committimus” geheeten, dat meer onder Gecommitteerde Raden van Zeeland stond.

De ingezetenen van Staats-Vlaanderen hebben in den tachtigjarigen oorlog met warmte de zaak der vrijheid omhelsd en daardoor was hun aansluiting bij de noordelijke gewesten bepaald, terwijl zij in de afscheiding van het overige Vlaanderen geen bezwaar zagen. De economische belangen, welke het gedeelte, dat sedert Staats-Vlaanderen heette, met het zuidelijke Vlaanderen hadden verbonden, hadden na de 16e eeuw niet meer de beteekenis van vroeger, gelijk wij nader zullen aantoonen, en daardoor werd de band tusschen beide deelen van Vlaanderen losser. Zelfs zag men daar niet zelden een bijzonderen ijver aan den dag leggen voor de belangen van het noorden.

Sluis en Hulst hebben bij de Pacificatie van Gent met kracht er op aangedrongen, dat de Spaansche, Hoogduitsche en Italiaansche krijgsbenden uit het land zouden verdreven worden, en zij hielden zich aan de Unie van Utrecht. Staats-Vlaanderen werd dan ook meest Protestantsch, alleen uitgezonderd het Land-van-Hulst, dat in de macht van Spanje viel en eerst in 1645 heroverd werd, evenals eenige gedeelten van heerlijkheden en dorpen, die eerst door den vrede van Munster er bijgevoegd werden, n.l. de streek lands tegenover Axel, ten zuiden van het Canisvliet, en de Staatsche gedeelten van de heerlijkheden Watervliet en Waterland en van het graafschap Middelburg. De kapellen, die de Roomsch-Katholieken hadden te Sluis en IJzendijke, waren meer in ’t belang van de bezetting dan van de burgerij.

Na de herstelling van onze onafhankelijkheid in 1815 werd het vroegere Staats-Vlaanderen tot de provincie Zeeland gerekend en is daarbij gebleven, al zijn de grenzen niet geheel dezelfde. Sedert wordt dit gedeelte van Nederland meest Zeeuwsch-Vlaanderen genoemd.


In economisch opzicht was Vlaanderen een tijdlang het belangrijkste gewest der Nederlanden. Vlaanderen trok voornamelijk voordeel van den door de kruistochten in het leven geroepen nieuwen staat van zaken op het gebied van handel en verkeer. In dien tijd werd in Vlaanderen de eerste groote tusschenmarkt voor den wereldhandel geopend. Verschillende omstandigheden werkten daartoe mede. Vlaanderen was van de zuidelijke gewesten der Nederlanden het eenige, dat door de zee bespoeld werd, en tevens het meest bevolkte gebied. De Vlaamsche steden waren in dien tijd reeds de aanzienlijkste, met een levendige nijverheid, terwijl de bodem er uitermate vruchtbaar was en goed bebouwd werd. [309]Van de zee kon men langs de onderscheidene waterarmen in het land doordringen, en op deze inhammen had zich een drukke scheepvaart ontwikkeld met stoute zeelieden, die met de Zeeuwschen het eerst flinke tochten over den oceaan waagden. In den tijd der kruistochten werden kruisvaarders uit het westen door Vlaamsche schepen overgebracht naar de Middellandsche Zee en met Oostersche voortbrengselen kwamen die terug. Daardoor werd Vlaanderen als vanzelf de markt voor de Oostersche waren, en door zijn geographische ligging, ongeveer midden tusschen de Oostzee en Middellandsche Zee, was dit gewest in de middeleeuwen aangewezen, om de handelaren der Hanze en die der Italiaansche steden aan de Middellandsche Zee tot elkander te brengen. Vlaanderen werd het ontmoetingsgebied tusschen noord en zuid; zoo ontwikkelden zich deze havens tot centrale markten voor den wereldhandel. De Vlaamsche nijverheid gaf daaraan tevens voedsel, terwijl zij op haar beurt door den handel werd gesterkt.

Tot de belangrijkste steden van Vlaanderen behoorden Brugge, Gent, Yperen, Oudenaarden, Rijsel, Aalst en Kortrijk. In al deze steden, bovenal te Gent, bestonden lakenfabrieken. Voor de scheepvaart was vooral Brugge het gunstigst gelegen. Deze stad lag wel niet dicht bij de kust, maar zij had met de zee gemeenschap door het reeds beschreven Zwin langs Damme en Sluis. In de 13e eeuw werd Brugge de groote voorraadschuur der voortbrengselen van Europa en het Oosten, de stapelplaats van den geheelen Nederlandschen handel. De toevloed van vreemdelingen te Brugge en de toeneming der bevolking maakten de stad een tijdlang tot de aanzienlijkste der Nederlanden; hier waren in het midden der 14e eeuw ongeveer 150.000 inwoners gevestigd en de beurs van Brugge beheerschte den wereldhandel. Het Hanzeverbond, Londen, Bristol, Avignon, Lissabon, Barcelona, Pisa, Genua en Venetië, alsmede Noord-Nederlandsche steden, hadden hier hun handelskantoren; papier op Brugge was gangbaar door de geheele wereld.

Toen de waterverbinding van Brugge met de zee slechter werd in de 16e eeuw, werd Antwerpen, zoo gunstig gelegen aan de Schelde, de opvolger van Brugge en de beheerschende stad van den wereldhandel, om die rol te blijven vervullen, tot de inneming van Antwerpen door de Spanjaarden in 1585.

Door dit alles vormde de kuststreek van het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot de 16e eeuw het voorland van het aanzienlijkste handelsgebied der aarde en ontwikkelden zich hier aan de mondingen der wateren belangrijke voorhavens, die grooter welvaart verkregen, naarmate het verkeer op de hoofd-handelssteden door de dichtslibbende wateren meer bemoeilijkt werd. Daardoor waren de steden van Staats-Vlaanderen met den bloei der zuidelijke handelssteden van Vlaanderen verbonden. Doch sedert de handelsbloei van het achterland achteruitging of ophield, werd ook die betrekking minder, de behoefte aan [310]nauwe aaneensluiting geringer. Dat was reeds het geval in het midden der 16e eeuw. Het noordelijke kustland van Vlaanderen gevoelde zich toen los van het in verval gerakende Brugge, trachtte zelf daarvoor in de plaats te komen, dewijl het nog open toegangen had uit zee, en deze omstandigheid bevorderde de scheiding tusschen noordelijk en zuidelijk Vlaanderen, deed het noordelijke nauwer bij Noord-Nederland aansluiten.

Dezen invloed der geographische ontwikkeling van den bodem op de staatkunde meenden wij kortelijk te moeten aanduiden, omdat die medegewerkt heeft, om een deel van Vlaanderen aan Noord-Nederland te verbinden, waardoor wij een strook lands ten zuiden van de Wester-Schelde als een Nederlandsch gewest kunnen doorwandelen, hoewel het in afkomst nader aan het Belgische Vlamingenland verbonden is.

Door de geschiedenis is de bevolking van Zeeuwsch-Vlaanderen in karakter Vlaamsch, maar vanouds met internationale bestanddeelen vermengd, welke door het drukke verkeer in dit bedrijvig gewest gebracht zijn. In den tijd, toen het als Staats-Vlaanderen zijn wereldhandel reeds verloren had, maar als vruchtbaar landbouw-gewest bleef bloeien, was dit gebied een grensgebied, dat verdedigd moest worden en daarvoor ook vreemde elementen in zich opnam. Vooral de nieuw aanwassende polders vormden van tijd tot tijd een nieuw gebied, geschikt tot vestiging van vreemdelingen. De gastvrijheid, binnen de landpalen der Nederlandsche gewesten verleend aan hen, die elders om hun geloof vervolgd werden, maakte Staats-Vlaanderen tot een toevluchtsoord voor vele emigranten. Tal van familienamen herinneren er nog aan Fransche afkomst. Men ontmoet er de namen Du Rieu, du Pré, Risseeuw (Rossé), Toussaint, de Hulu, Erasmus e.a. schier overal; de naam Hennequin wijst op afkomst eener familie uit Noord-Frankrijk. De hartelijke ontvangst maakte voor de vreemdelingen de vestiging in deze gewesten aangenamer, en vooral de Franschen, die hier veelal kwamen met kapitaal, waren er zeer gezien. Zij vormen nog een aanzienlijke klasse onder de bevolking, een soort van aristocratie, en hebben er veel bijgedragen tot de ontwikkeling der welvaart.

Minder in aanzien waren de Salzburgsche immigranten. Toen in de eerste helft der 18e eeuw tal van plaatsen in Staats-Vlaanderen door koortsen ontvolkt waren, kwam er behoefte aan arbeiders op het land, dewijl vele boerenzoons geen lust hadden in den landarbeid en liever te scheep gingen of zich in de steden als heerenknechts verhuurden. Om hierin te voorzien, wisten de Staten-Generaal in 1732 een 700tal Salzburgers, die wegens hun Lutherschen godsdienst vervolgd werden, over te halen, zich hier te vestigen. Die lieden, verjaagd en verdrukt, kwamen na veel ellende in Staats-Vlaanderen aan, in de hoop hier geloofsvrijheid en arbeid te zullen vinden. [311]

In de consistoriekamer van de Luthersche kerk te Groede hangt nog een plaat, gemaakt naar een schilderij uit die dagen, welke de uitdrijving dier verdrukten voorstelt. Hier wordt een drietal afgebeeld, in eenigszins theatrale houding voortschrijdend, het hoofd omhoog geheven, den bijbel aan het hart gedrukt, terwijl verder een moeder haar zuigeling in de armen heeft en een paar kleine kinderen met zich voert. Een man is neergevallen op den kruiwagen, waarop hij zijn bundeltje heeft geladen: alles, wat hem overbleef van zijn welvaart; hij is door smart overmeesterd. Een vrouw heeft zich omgekeerd; zij is op de knieën gezonken en strekt de armen uit naar de heerlijke bergen van haar vaderland. Zij kan niet scheiden. Maar naast haar, achter de anderen, overal staan de dragonders, om hen weg te drijven in ballingschap, naar een vreemd, onbekend land.

Doch hoe goed ook bedoeld, het leven hier viel den Salzburgers tegen, terwijl zij evenmin de behoefte aan werkkrachten op het land aanvulden. De Hollanders meenden, dat zij volstaan konden met de Salzburgers zoo goed mogelijk in hun huishouden te zetten en gaven nog eenige voorschotten in den eersten tijd. Voor de verzwakte lieden evenwel was het verschil in stand en arbeid te groot. Gewoon, in goud- en zoutmijnen te werken, bij metaalsmelterijen te arbeiden, konden zij niet gewennen aan den arbeid op de zware klei. Van den aanvang af zag men rusteloosheid, teleurstelling en moedeloosheid bij velen hunner. Bij troepen trokken zij het land door, in alle dorpen zoekend naar iets, wat op hun vaderland geleek. Er werd een kunstmatige werkverschaffing voor hen in ’t leven geroepen; een wolfabriek o. a. werd opgericht, om daardoor de schapenteelt aan te moedigen en den Salzburgers een arbeid te verschaffen, zooals zij dien wenschten. De Salzburgers zijn in aantal verminderd; velen vertrokken weder en hoofdzakelijk komen zij nog voor in Groede, waar de Luthersche gemeente een kerk heeft.


Na dit algemeene overzicht zetten wij onze wandeling voort door het landschap. Wij zullen eerst het Land-van-Kadzand in Zeeuwsch-Vlaanderen, ten westen van den Braakman, doortrekken. Wij bevinden ons in Breskens, een flink dorp, waar de nette, lage huizen grootendeels langs een breede straat zijn gebouwd. Er ligt reeds een Belgische tint over dit dorp. De bloei van Breskens dagteekent voornamelijk van den aanleg van den grooten weg, den breeden “Calcey-weg”, dien Napoleon I van Gent tot hier, in 1808, liet leggen, om de verbinding met Middelburg te verkrijgen, en die eerst tien jaren later voltooid werd.

De polders van deze gemeente zijn pas in 1619 op het water teruggewonnen. [312]Toch was deze plek al in den Romeinschen tijd bewoond, zooals uit opgegraven penningen blijkt. Doch het oude Breskens werd in de 15e eeuw overstroomd. Hoewel in 1480 (of 86) op de golven herwonnen, ging het in 1570 door het bezwijken van den zeedijk opnieuw te gronde, om eerst later weer te worden aangelegd.

De weg van Breskens naar Groede, over de klinkers, is een lieve wandeling; olmen en populieren spreiden er hun beschuttend looverdak uit. Aan afwisseling ontbreekt het niet. Ter weerszijden zien wij nu eens uitgestrekte bouwlanden, waarop de voortreffelijke Zeeuwsche tarwe golft, dan weer heldergroen vlas, sierlijk gepluimde gerst, frissche suikerpeeën of welige weilanden, waarop het vee rustig graast in de schaduw der bloeiende, hooge meidoornstruiken. Houtgewas wordt niet gemist en de groote bouwhoeven liggen soms als in een bosch verscholen. De arbeiderswoningen zien er meer schilderachtig dan welvarend uit, en waar gij er enkele aantreft bij een klein, ouderwetsch, houten molentje, kunt gij u een paar eeuwen terugdenken, in den tijd, toen onze landschapsschilders dergelijke tafereeltjes zoo schoon op het doek wisten te brengen. De menschenbeweging is echter schaarsch in deze streken; het is er buitengewoon stil, zelfs tot het drukkende toe. Of die stilte ook invloed heeft op den geest en de opgewektheid der bewoners? De heer Nagtglas meende bij de arbeidersbevolking hier niet dat pit te vinden als elders.

Boven het lommer steekt een torentje uit: dat is Groede, een goed bevolkt dorp, met een schier uitsluitend Protestantsche bevolking. In den tijd der worsteling tusschen dwang en vrijheid stak men hier de dijken door en het land liep onder water. De kerk bleef toen achter te midden van het verwoeste land. Doch in de 17e eeuw ving men opnieuw met het dijken aan, en toen het land weder droog lag en in bezit genomen werd, is ook het oude kerkje in eere hersteld. Op een pleintje, tusschen frisch en bloemrijk plantsoen, staat daar het eerwaardige bedehuis, omringd door kleine, maar nette woningen.

In Groede vindt men een Luthersche gemeente met een eigen predikant en school. Zij dankt haar ontstaan aan de Salzburgers, wier komst in deze gewesten wij beschreven. Hoewel deze kerkelijke gemeente door belangrijke giften gesteund werd,—de wonderdokter Ludeman te Sloterdijk o. a. schonk er in 1749 tienduizend gulden aan—bleef zij kwijnen. De nakomelingen der Salzburgers zijn thans zoo verstrooid, dat men er nauwelijks meer sporen van kan vinden.

Ook de Fransche gemeente, uit rijker en arbeidzamer réfugié’s ontstaan, ging in het eerste gedeelte der 19e eeuw teniet, evenals de Doopsgezinde.

Vervolgens loopt de weg verder door de vruchtbare kleilanden naar Kadzand. Overal op dezen tocht zien wij, dat wij ons in een uiterst vruchtbare streek bevinden. Nergens ruischt de gerst voller en zwaarder dan in het land van [313]Kadzand en het kan gebeuren bij donkeren avond, dat de boer op den weg stilstaat, om te onderscheiden, wat daar zoo ruischt: zijn “baardtarwe” of de zee. Nergens vlammen de klaprozen heller op uit de zwartgroene, zoetrokige klaver of trappelen de breedschonkige, fijnschoppige paarden luchtiger voor zware vrachten over de hooge kleidijken dan in het land van Kadzand.

Waar bloeien de boonen zóó rijk, als wilden ze met hun zoete, zware geuren bedwelmen, die langs de akkers gaat, en waar lachen de blauwe vlasbloempjes zoo koketjes uit het lichtgroen omhoog? Waar schuilen oude boerderijen en felrood bepande, zwarte schuren in hun blauwe wilgen deftiger en ongenaakbaar vriendelijker onder de hooggesnoeide, donkere olmen, en waar zijn ouderwetscher ploegen, waar wagens, die zóó hotsen, vrouwen, die zoo kunnen “commeeren”, en rijke boeren, die zoo statig kunnen rentenieren als in het land van Kadzand? Aldus schetst de heer G. Haspels den indruk van dit land door het doen uitkomen van de sprekende contrasten.

Het oude eiland Kadzand is al sedert lang door bedijkingen van verslijmde en opgeslibde stroomen aan het vasteland verbonden. Het dorp komt met zijn oud kerkgebouw schilderachtig uit tegen de duinen op den achtergrond. Van deze plaats maakt Dante gewag in zijn Divina Commedia, als hij in zijn XVen zang der Inferno, volgens de vertaling van Hacke van Mijnden, zegt:

“Gelijk de Vlamen ’t land, aan zee gelegen

Bij Brugge en Kadzand, tegen hooge vloeden

Door zware dijken te beschermen plegen”.

Stiller dorp dan Kadzand kan men zich op dit oogenblik nauwelijks denken. De vrij nette woningen zijn aan de voorzijde veelal gesloten en op de kunstig gesnoeide palm- en taxisstruiken, tusschen de bloembedden der kleine tuintjes, sjilpen de musschen rustig.

Het dorp Retranchement, of eigenlijk: “Retranchement Cadsandria”, door het spraakgebruik tot “Trezjement” verbasterd, dankt zijn naam aan de versterkingen, door Prins Maurits aangelegd, om meester te blijven van den zeearm het Zwin.

Waar gij thans onafzienbare akkers aanschouwt, door bloeiend koolzaad als verguld, waar het kostelijk graan golft of bieten groeien, zag men voor niet lange jaren alleen kale schorren en slikken, waarop slechts wat zeekraal werd ingezameld en de scheper zijn kudde weidde. De smalle, ondiepe kreek, welke er doorheen kronkelde, was het overschot van de beroemdste der zeeboezems van Europa, de reeds besproken “Sincfala”, de zuidelijke grens van het oude Friesland, aan welker oevers Brugge eens tot een der aanzienlijkste havens van Europa werd. [314]

Wij naderen het stedeke Sluis. Een hoogte buiten de stad, achter de begraafplaats, wijst de plek aan, waar eens het vermaarde kasteel van Sluis stond.

Filips van Bourgondië, gehuwd met Margaretha, erfdochter van Vlaanderen, en sinds 1384 graaf van Vlaanderen, wilde de dikwijls onstuimige Vlamingen, die vrijheid niet zelden met bandeloosheid verwarden, in bedwang houden. Om verder ook den Engelschen, hetzij een inval in of een gemakkelijke verbinding met het licht tot opstand geneigde Brugge te beletten, besloot Filips, den doorgang van het Zwin door een sterkte te verzekeren. Daar lag, op den meest westelijken uithoek der schor Bewester-Eede, tegenover den mond van den Budansvliet en waar deze zich met het Zwin vereenigde, het plaatsje Sluis, dat Filips had ingeruild en aan Vlaanderen bracht. Hier wilde hij een kasteel bouwen, dat zoowel het vrije verkeer van Engeland met Vlaanderen kon beletten als de Vlamingen in toom houden. In 1385 werden er de grondslagen voor gelegd, ten N. van de stad, aan de oostzijde der haven, en er verrees een bouwgevaarte, in vorm aan de Bastille te Parijs herinnerend, sterk en hecht van metselwerk, geschikt, om den stormram te trotseeren. De zware muren vormden een vierkant, welks buitenzijden, binnen de grachten, van het oosten naar het westen 86 M. besloegen en van het oosten naar het zuiden 80 M. Op regelmatige afstanden waren de muren door ronde torens versterkt; aan de hoeken verrezen de zwaarste torens. Het muurwerk had een dikte van 3,8 M. Aan de binnenzijden liepen, zoowel langs de torens als aan den wal, twee rijen gewelfde gangen boven elkander, die een veilige gemeenschap van het eene punt met het andere verleenden. De benedenste gang, welke ongeveer een meter onder den beganen grond van het plein lag, voerde naar de kelders of onderste gewelven der torens:

Grauwe kluizen, donk’re holen,

Nimmer door de zon bestraald,

Waar geen lichtglimp heen kwam dolen,

Dan in scheemring gansch verdwaald;

Waar de wanden en gewelven

Altoos biggelden van ’t vocht,

Of zij weenden om zichzelven

Of om ’t wee van zulk een krocht,

aldus Hofdijk. Het geheel bevatte 36 kelders en vertrekken.

Hertog Jan zonder Vrees deed aan de westzijde der haven, tegenover het kasteel, nog een nieuwe sterkte bouwen, kleiner, doch niet minder sterk, die gewoonlijk “de toren van Bourgondië” genoemd werd; met een keten tusschen beide gespannen, kon de haven worden afgesloten. Nog in 1794 was die keten op het raadhuis te Sluis aanwezig. [315]

Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao 1739 op het gemeente-archief.

Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao 1739 op het gemeente-archief.

Het reusachtig slot vervulde een belangrijke rol in de geschiedenis van Sluis; het heeft menige belegering moeten doorstaan en onderscheidenen aanzienlijken diende het tot gevangenis. Dit was het geval met den hertog van Bouillon [316]in 1553, met den Admiraal de Coligny in 1557 en met Lamoraal van Egmond, den zoon van den onthoofden graaf van dien naam, in 1582.

De veranderde krijgskunst had in de 16e eeuw reeds den toren van Bourgondië nutteloos gemaakt, zoodat die werd afgebroken, doch het groote slot werd versterkt. In de 17e en 18e eeuw verviel het kasteel al meer en meer; in 1794 hebben de Franschen het sterke slot gedeeltelijk doen springen en in 1840 zijn de bouwvallen voor afbraak verkocht. De steenklompen zijn grootendeels gebruikt als zinkstukken voor de dijken te Ellewoudsdijk. Zoo werd, in puin gevallen, het kasteel nogmaals tot een bolwerk des lands bestemd.


“Sluis” of “Sluis in Vlaanderen” is onder den naam Lammensvliet ontstaan aan het Zwin en verkreeg in 1290 stadsrechten van Guy van Dampierre. Door visscherij, scheepvaart en koophandel wies de stad aan en in het begin der 15e eeuw bedroeg het aantal makelaars te Sluis reeds 87. Het dichtslibben van het Zwin bij Brugge en boven Sluis deed den handel verder benedenwaarts verplaatsen. Kooplieden en schepelingen uit alle landen van Europa ontmoetten toen elkander hier, en Sluis bloeide in het Bourgondische tijdperk zoozeer, dat de vorsten er dikwerf vertoefden en feestvierden.

De haven van Sluis.

De haven van Sluis.

Isabella van Portugal, de bruid van Filips den Goede, toen graaf van Vlaanderen, kwam op Kerstdag 1429 te Sluis aan en werd hier door haar bruidegom opgewacht; volgens enkelen zou het huwelijk te Sluis zijn voltrokken. Margaretha van York, de zuster van den Koning van Engeland, kwam den 25en Juni 1468 met 16 schepen te Sluis binnen, waar zij door een stoet van aanzienlijken en haar bruidegom werd ontvangen; de ondertrouw had hier plaats. De bloeitijd van Sluis viel in het midden der 15e eeuw; destijds telde Sluis 7 markten, 69 straten, 2 parochiekerken, 3 openbare kapellen, 3 kloosters en tal van openbare gebouwen.

De onrustige tijden aan het eind der 15e eeuw, de belegering in 1492, die een [317]groot gedeelte van de stad vernielde, den handel knakte, brachten den eersten slag toe aan Sluis. Het ondieper worden van het Zwin, waardoor groote schepen niet in de stad konden komen, deed het verdere, en in de 16e eeuw ging Sluis snel achteruit, zoodat geheele straten vervielen. De stad kwam aanvankelijk geheel onder Brugge te staan, en hoewel zij gedurende den opstand tegen Spanje meer zelfstandig werd, zich van Brugge afscheidde en zich bij de Unie van Utrecht aansloot, toch stond Sluis gedurende den oorlog en ook later als grensstad aan vele belegeringen bloot en nooit kwam zij tot haar ouden bloei terug. Het aantal bewoonde huizen en inwoners kromp in en in 1840 telde Sluis niet meer dan 257 huizen binnen de kom. Sedert is het aantal bewoners wel weder iets toegenomen, zoodat dit bedroeg 2300 in 1900, maar het is toch een rustig, stil landstadje gebleven, alleen kleinhandel op den omtrek drijvend. Van de eens zoo aanzienlijke haven is niets meer over dan een ligplaats voor de schepen in het kanaal naar Brugge. Zoo is Sluis een dood stadje geworden, met smalle straten. Het bombardement van 1794 verwoestte een gedeelte der nederzetting; de prachtige St. Janskerk geraakte in 1811 in brand en werd vernield en aldus zijn vele schoone gebouwen van Sluis te gronde gegaan.

Het belangrijkste gebouw van Sluis is nog het stadhuis, in 1396 gebouwd, met zijn in den trant der Vlaamsche belfroits gebouwden toren, die zich trotsch verheft met zijn vier spitsen. Dit gebouw is gerestaureerd en in den oorspronkelijken toestand teruggebracht.

Bij het uurwerk van den toren, in een der galmgaten, zetelt de oudste burger van Sluis, een houten beeldje, in 1424 vervaardigd, dat bij het slaan enkele tonen aangeeft en als “de klokman Jantje van Sluis” bekend staat.

Al is Sluis in verval, toch getuigt menig geveltje nog van de ruime beurs, waaruit het eens is gebouwd.

Een eenvoudige grafnaald op de begraafplaats van Sluis wijst de rustplaats aan van den bekenden geschiedvorscher en taalkundige, J. H. Van Dale, den 21en Mei 1872 hier overleden, waar hij als onderwijzer werkzaam was. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, door Van Dale vervaardigd, is nog altijd een vraagbaak en draagt, hoe ook herzien, steeds nog zijn naam.


Aan den buitenkant van Sluis ontwaart men op korten afstand over de bouwlanden een zwaren, stompen toren, die boven eenig geboomte en enkele huizen uitsteekt. Dat is de toren van St. Anna-ter-Muiden, eens ook havenstad van het vermaarde Brugge, doch thans slechts een gehuchtje.

St. Anna-ter-Muiden is een zeer oud plaatsje, welks jaar van opkomst men niet kent; het is ontstaan aan de monding of samenkomst van een paar wateren met het Zwin, naar welke uitmonding het zijn naam kreeg. In 1241 werd deze [318]plaats verheven tot een smalstad met tol vrijheid. Toen het land aan de westzijde langzamerhand aanslibde, geraakte de stad verder van zee verwijderd. De bewoners verplaatsten nu hun huizen meer zeewaarts, doch bij brieven van 1445, gegeven door Filips van Bourgondië, werd hun dit verboden, omdat de vijand zich in oorlogstijd daarachter ging verschuilen bij de aanvallen op Sluis.

Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.

Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.

De haven van St. Anna-ter-Muiden in het Zwin was oudtijds hoogst belangrijk en de stad had een aanzienlijke visscherij. Doch in de 16e eeuw was de stad reeds in verval; Ter-Muiden was in 1650 bijna geheel afgebrand en werd grootendeels door de inwoners verlaten. Aan opkomst van het plaatsje viel sedert niet meer te denken en het verviel tot een gehucht, dat er arm, maar schilderachtig uitziet. Hoewel hier sinds eeuwen geen schepen meer gezien werden, sprak men tot voor kort nog van “de kaai”, als ware het een havenstad.


Van Sluis richten wij ons naar het oosten en vervolgens naar het zuiden; over de vruchtbare landouwen zien wij eindelijk vóór ons, te midden van het geboomte, het stedeke Aardenburg verrijzen, dat algemeen bekend is in den lande door zijn beroemde verdediging in 1672.

Wie heft daarginds, aan Vlaandrens boorden,

Uit bosch en beemden ’t hoofd omhoog,

Ten sieraad dier bekoorlijke oorden,

De lusthof voor des vreemdlings oog?

Wie prijkt daar in die vruchtbre streken,

Maar schier den strakken blik ontweken,

Die langs de golvende akkers weidt,

En toont ons, door ’t verblindend pralen

Van vorstenhof en marmren zalen

’t Bekoorlijk beeld der needrigheid?

O, wandlaar! voor geen plaats op aarde

Wijkt die vergeten, kleine stad! [319]

Zij is een steen van hooge waarde,

In Neerlands gloriekroon gevat;

’t Is zij, die eens de slaafsche keten

Met forsche vuist heeft losgereten,

Die ’t zuchtend vaderland omgaf;

Zij dreef in ’t barnen der gevaren

Den roem van Frankrijks legerscharen

Grootmoedig van haar muren af.

Aldus bezong P. Ph. de Kanter deze stad in 1835.

Aardenburg doet zich kennen als een net stadje; het ziet er uit, of het pas uit een doosje kwam, zoo proper lijkt alles, en geen hout, dat ongeverfd is. Ook vindt men er menig sierlijk en met kosten gebouwd huis, zoodat de plaats, hoewel sedert lang geen havenstad meer, toch de welvaart niet ingeboet heeft. Een oude poort verleent toegang tot de hoofdstraat der stad. Het sieraad van Aardenburg is de prachtige St. Bavokerk, zeker een der fraaiste kerken van Zeeland, in middeleeuwschen stijl gebouwd, gelegen tusschen hoog opgaand geboomte. Het weeshuis met twee spitse gevels, uit 1631, valt terstond in het oog. Naar den buitenkant, aan een met olmen beplant plein, staat het raadhuis, een net gebouw, dat aan een villa doet denken.

Aardenburg is een oude stad, die vóór de opkomst van Brugge van zooveel beteekenis was, dat zij als een der aanzienlijkste steden van Vlaanderen en als de hoofdstad der zeeplaatsen van dat gewest werd beschouwd. Zij had een haven, waarvan vermeld wordt, dat zij wel 600 schepen kon bevatten, terwijl haar wallen ongeveer 70 bunder besloegen. Belangrijk was de handel van Aardenburg, die o. a. op de Oostzee gedreven werd, en door de privilegiën, welke de graven van Vlaanderen aan Aardenburg schonken, werden Spaansche, Duitsche en andere kooplieden naar deze stad gelokt. Ook bloeiden er in de 12e en 13e eeuw reeds wol- en lakenweverijen. Een kanaal, dat in de 13e eeuw naar zee werd gegraven, bevorderde den handel niet weinig.

Doch oorlogsrampen, watervloeden, het dichtslibben van de haven vernietigden de welvaart der plaats, die van een havenstad in een landstad veranderd werd.

In 1604 werd Aardenburg door Prins Maurits voor de Unie veroverd. De stad werd nu aanzienlijk versterkt en van bezetting voorzien. Na 1648 liet men de vestingwerken vervallen en in 1672 besloot men zelfs ze te sloopen. Op aanhouden der bewoners en der Zeeuwen werd dit nog uitgesteld. Doch toen de Franschen in dat jaar op den morgen van den 26en Juni voor Aardenburg kwamen met 8000 à 9000 manschappen was de stad schier zonder voorraad, waren de wallen niet versterkt en had men slechts vier bruikbare stukken. Terwijl de bezetting kort van te voren naar Sluis was vertrokken, scheen er voor de [320]overgebleven 30 manschappen onder den vaandrig Elias Beekman en de 175 weerbare burgers, die op de been waren te brengen, geen kans op behoud.

De Franschen besprongen in dezen hachelijken toestand de veste, vielen onder het geschreeuw: “sla dood, sla dood!” op de landpoort aan, maar door den dapperen Elias Beekman aangevoerd, werd niet alleen de aanval der Franschen afgeslagen, doch werden er zelfs 620 krijgsgevangenen gemaakt, waaronder 9 officieren, terwijl de Aardenburgers geen enkel man verloren. Evenals eens in Haarlem, hadden ook de vrouwen dapper medegewerkt tot het behoud der stad, Margaretha Sandra, huisvrouw van den voorzittenden schepen, zat met een hoop jongens op een stoep, om de kogels, die te groot waren, door te hakken, welke bij hoedenvol naar den wal werden gebracht. Zoo bleef de stad in dit ongeluksjaar voor Nederland behouden.

Den roem dezer overwinning houdt men in Aardenburg hoog, en van Beekman zegt een dichter der stad:

Uw roem, door moed en trouw verkregen,

Blijve, als uw fiere heldendegen,

Voor ’t laatste nageslacht bewaard,

hierbij zinspelende op den degen van den vaandrig, die op het stadhuis berust. Het tweede eeuwfeest dier gebeurtenis, waartoe Tollens reeds opwekte,

Dan loov’ men God en vier’ men feest,

Opdat de naneef niet vergeet,

Wat Aardenburg voor Neêrland deed,

werd op 26 en 27 Juni luisterrijk gevierd.

Aardenburg ligt in de schoonste kleistreken van Zeeuwsch-Vlaanderen.

Het goud der koopmanswinsten op de stroomen is vervangen door de voordeelen, die de landbouw oplevert. Het stadje ligt echter nabij den zoom der zandgronden. Niet heel ver van hier, te St. Kruis en Eede, kunt ge reeds den overgang van den zwaren Zeeuwschen kleibodem tot den Vlaamschen, meer boomrijken zandgrond ontdekken.

In de met zooveel zorg overal bebouwde akkers zult gij thans moeielijk de woeste wouden van Hulsterloo herkennen, waar de dichter den Reinaert-roman spelen laat. En toch zijn hier overal nog herinneringen aan dit gedicht levendig. Bij Aardenburg moet een schuur staan, welke “Malpertuis” heet, naar het kasteel van den slimmen vos, en onder Schoondijke, bij Waterlandskerkje, ligt het aloude gehucht Steenhove, een overblijfsel van het verdronken Elmare, waar Reinaert zijn zoogenaamden oom Isegrim aan het klokketouw bond, zoodat men in den omtrek

Zwoer,

’t Was of de duivel òf zijn moer,

Die de klok zoo geweldig deed gaan.

HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800

HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800

Naar J. C. Ramaer.

Lith. Gebrs. Braakensiek, A’dam.

[321]

Van Aardenburg begeven wij ons naar Oostburg, een plaats met een vriendelijk, niet onwelvarend voorkomen, die evenveel van Sluis en Aardenburg verschilt als deze twee plaatsen onderling. Op marktdag komt er in het stadje meer leven; dan ziet gij hier de stille, stijve, Zeeuwsche boeren met de vlugge, babbelende, blauwgekielde Vlamingen handeldrijven en menig “kapke” bier te zamen verschalken.

Ook Oostburg is een zeer oude nederzetting, waar Eligius in het begin der 7e eeuw het evangelie predikte en waar de Noormannen plunderend doordrongen. Eens door den koophandel bloeiend als een volkrijke havenstad, ging het in den Spaanschen tijd sterk achteruit, en in 1673 werden de vestingwerken geslecht.

Wij vinden geen tijd, om verder bij de historische herinneringen dezer plaats stil te staan.

Door een landschap, dat de Zeeuwsch-Vlaamsche dichterboer Faro aldus schetst:

Hier ziet men popels, daar abeelen,

Ginds bloeiend vlas en golvend graan

Door zoele westenwindjes streelen,

Of wieglend op en nedergaan.

Waar eens bij ’t argloos rijzen, duiken,

Het kroost der zee door net en fuiken

En raaf en meeuwen werd bespied,

Stijgt nu de leeuwrik fier naar boven

En ’t looverdak en bosch en hoven

Weergalmt van ’t juublend lentelied,

bereiken wij IJzendijke, eveneens een overoude nederzetting, waarvan reeds in 984 melding wordt gemaakt, die in de 12e eeuw onder de steden werd geteld, en in de 13e eeuw lid der Hanze was. Deze stad ging in de 14e eeuw grootendeels te gronde en het overgebleven deel werd in 1570 door overstrooming vernield.

Doch ongeveer 800 meter zuidoostwaarts ontstond een nieuwe nederzetting, het tegenwoordige IJzendijke, in deze gewesten “Isendieke” genoemd.

Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.

Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.

Een welbebouwde straat voert ons naar de markt, een ruim, langwerpig plein, ingesloten door vele nieuwe gebouwen, maar eveneens eenige met trap- en puntgevels. [322]Enkele dagteekenen nog uit den tijd, toen prins Maurits, na een beleg van zeven dagen, deze bijna onneembare vesting innam, 10 Mei 1604. Maurits deed dien voorburcht van Zeeland met geduchte versterkingen omringen. In Oct. 1830 deed het bendehoofd, Ernest Gregoire, de Belgische vlag hier op den toren plaatsen, maar spoedig daarna werd die weder door Nederlandsche troepen verwijderd. De vestingwerken zijn in 1842 voor goed geslecht.

Belangrijke gebouwen vindt men er niet. De achtkante koepelkerk (Herv.), die spits toeloopt en in een peer eindigt, is een net gebouw van 1612, maar heeft weinig bijzonders.

Ten N.W. hiervan ligt Schoondijke, eigenlijk Willemsdorp geheeten, een vriendelijke plaats. Tusschen de lage doch nette woningen zien wij hier en daar gezellige tuintjes, in den zomer kleurrijk door tal van pioenen, goudsbloemen en duizendschoonen, omsloten door met zorg geschoren palm- en taxisstruiken. De nederzetting ontstond in 1651 bij het bedijken van het tweede gedeelte van den Prins-Willempolder en werd aanvankelijk Willemsdorp genoemd, maar de herinnering aan de door overstrooming vernielde parochie Schoondijke was nog zoo levendig, dat men de nieuwe plaats aldus noemde.

Van IJzendijke bezoeken wij het door Willem Beukelsz. algemeen bekende Biervliet, thans een dorp met verstrooide huizen. Biervliet was eens een bloeiende stad, waar aanzienlijke edelen en zelfs vorsten van tijd tot tijd, willig of onvrijwillig, vertoefden. Graaf Floris V werd hier een tijdlang door den Vlaamschen graaf Guy van Dampierre gevangen gehouden, en Keizer Karel V zou hier met zijn beide zusters op het graf van Willem Beukelsz. haring hebben genuttigd. Een straat in het vervallen, kleine plaatsje, kaai genoemd, herinnert nog aan de welvarende, machtige zeestad, wier krijgshaftige burgers hun landvorst naar “die landen van over zee” volgden, en de eersten zouden geweest zijn, die de banier met den zwarten leeuw van Vlaanderen op de wallen van Jeruzalem plantten.

In de in 1660 gebouwde, nette kerk herinneren een paar overblijfselen van geschilderde glazen aan Willem Beukelsz., die als de uitvinder of verbeteraar van het haringkaken wordt beschouwd.

Hiermede hebben wij den Braakman bereikt, die Zeeuwsch-Vlaanderen nog in twee gedeelten scheidt. Dit water heeft echter zijn besten tijd reeds gehad en voortdurend wordt het verkleind door vernieuwde inpolderingen. Het gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen ten W. van den Braakman wordt door de Zeeuwen veelal onder den algemeenen naam van “Land-van-Kadzand” aangeduid en de bewoners als Kadzandtenaars.

Wij overzien ten slotte nog, vóór wij dit gebied verlaten, de kleederdracht der landbevolking, hoofdzakelijk in dezen geleid door Dr. de Man.

De Kadzandtenaars zochten in de onrustige tijden, toen dit land veel door de [323]Spaansche of door de Staatsche troepen te lijden had en later bij de invallen van de Franschen, dikwijls veiligheid op het eiland van Walcheren, om later naar hun woonplaats terug te keeren. De overeenkomst in godsdienstige opvatting en strengheid van zeden deed de Kadzandtenaars nader aansluiten bij Walcheren dan bij het zuidelijk Vlaanderen, waarvan zij door religie gescheiden waren. Daardoor had de Kadzandsche kleeding vroeger veel overeenkomst met die van Walcheren, hoewel een gedeelte in dit land ook Vlaamsche kleeding droeg.

Toch bleven in het Land-van-Kadzand de Walcherensche invloeden niet overheerschend. De vele uitgeweken Walen, Franschen, Doopsgezinden en Salzburgers, welke zich hier van lieverlede met de oorspronkelijke bewoners verbonden, terwijl men er tevens veel Katholieken vond, waren oorzaak, dat de bevolking zeer gemengd werd. Wel bleef de grondtrek lang iets Walcherens behouden, doch de invloed van het Belgisch-Vlaamsche neemt hier in de laatste halve eeuw sterk toe wegens de nadere aanraking met België, en doordien het grondbezit voor een groot gedeelte in handen van Belgische heeren is gekomen. Het Walchersche karakter der kleeding is daardoor verloren gegaan.

Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.

Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.

De kleeding der mannen in het Land-van-Kadzand is geheel burgerlijk geworden. De vrouwenkleeding heeft er nog iets eigenaardigs en is niet Zeeuwsch en niet Vlaamsch, hoewel het eenvoudige, stemmige aan het Walchersche herinnert. Over ’t geheel komen de kleeding en mutsen der vrouwen wel iets overeen met die der vrouwen in Overijsel, bij Zwolle. Vroeger had de echte Kadzandsche muts een door karkas rondom het gelaat en ook om de kin gespannen, breeden rand, welke wijd van de wangen af stond. Thans is de muts veel enger, de rand veel smaller en veranderd in een ouderwetsche Hollandsche neepjesmuts, zooals die voor een halve eeuw bekend was. Vroeger droegen de vrouwen hoeden, doch thans ook niet meer.

Van krullen en strikken of van een beugel rondom het hoofd is geen sprake. De ooren zijn vrij en men hangt er lange sieraden in, die men bellen noemt; het zijn puntbellen van nieuwerwetschen vorm en van goud. Het jak der vrouwen [324]is stemmig, veelal donkerbruin van kleur, en wordt van voren zonder eenige elegantie zoo hoog mogelijk tot den hals gesloten. Het onderstuk, de schoot, dien men in Kadzand het “zet” noemt, is buitengewoon lang; de beuk ziet men in ’t geheel niet. Een satijnen schort wordt hierbij gedragen, en hoewel de rokken niet zoo talrijk zijn als op Walcheren, kan men toch aan de vrouwenfiguren zien, dat men die meer in aantal draagt dan noodig is tot bescherming tegen de koude.


Wij wenden ons thans naar het oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen. De ruimte verbiedt ons, lang te verwijlen bij dit gewest. Wij zullen er daarom meer een overzicht van nemen dan in een gedetailleerde beschrijving treden, en bezoeken slechts kortelijk enkele plaatsen.

Op de smalle landstrook, die ten Z. van den Braakman nog tot Nederland behoort, ligt het visschersplaatsje Philippine (mosselen en garnalen), eens een vesting, thans niet meer dan een armoedig dorp met veel herbergen. Als eenmaal de Braakman geheel is ingedijkt, wat in een niet ver verschiet het geval moet zijn, zal de visschersbevolking zich van hier moeten verplaatsen.

Zoo komen wij ten O. van den Braakman.

Het westelijk gedeelte van oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen wordt veelal aangeduid als het Land-van-Axel, waartoe ook Ter-Neuzen en Zaamslag behooren, het overige als het Land-van-Hulst. Het valt al spoedig in het oog, als wij het Land-van-Axel doorwandelen, dat de bevolking zich in kleeding, gewoonten en denkwijze onderscheidt van die in het 4e District, maar eveneens van die van het Overkwartier en het Land-van-Hulst. In het oogvallend is in vele opzichten de overeenkomst van de bevolking in het Land-van-Axel met die op Walcheren. Dit verschijnsel valt te verklaren uit de geschiedenis. In het Land-van-Axel kende men slechts één kerk, en wel de oud-Hervormde, doch vroeger gewijzigd door de gestrenge Walcherensche artikelen, en men was er dus kerkelijk in overeenstemming met dat eiland. Verder behoorde het Land-van-Axel in den tijd der Republiek tot het zoogenaamde “Committimus”, een gebied in Staats-Vlaanderen, waar Gecommitteerde Raden van Zeeland het hoogste gezag hadden en Zeelands hoofdstad den toon aangaf, terwijl de Generaliteit elders heerschte.

Hierdoor vond men in Axel oudtijds navolging van de Walchersche kleeding, van geloofsijver, van kerkelijke tucht, enz. en toen het aan de zijde der Staten gekomen was, ook afscheiding van het naburige Land-van-Hulst, dat meer Katholiek bleef. In het Land-van-Axel vindt men strenge orthodoxie, die zich scherp onderscheidt van het Katholieke element en ook in kleeding en gebruiken [325]daarvan afwijkt. De Axelaar wil geen Vlaming zijn: hij wil blijven, wat hij was, en heeft daardoor van zijn oud-nationale kleeding nog veel bewaard. Wij leeren de Axelsche kleeding kennen door de voorbeelden op de gekleurde plaat. (Zie ook de fig. op pag. 176).

De mannen hebben de oude kleeding niet zoo goed bewaard als de vrouwen; toch hebben wij daarvan op de plaat nog een voorbeeld. De Axelaar had vroeger, als alle Zeeuwen, zijn knoopen en broekstukken, zijn gebloemden hemdrok, zijn signetten en cachetten, zijn pijpekot en zijn gespen. Fluweel was hier veel meer in gebruik dan op Walcheren, en omdat het een rijke streek was, waren de sieraden er grooter. Veel er van wordt door de erfgenamen bewaard, maar niet gedragen; het ronde hoedje wordt door een pet vervangen, maar de ernst van het karakter en het uiterlijk blijven nog dezelfde als voorheen. Vroeger was het des Zondags aan den hoed te zien, of men een gewoon mensch dan wel een magistraat voor zich had.

De Axelsche boerenmeisjes, vooral de gegoede boerendochters, zijn nog eigenaardig gekleed (zie 6, 7, 12 en 13 der gekleurde plaat). De hooge schoudertoppen, waartusschen het hoofd als is weggezonken, herinneren min of meer aan de kleeding in den tijd van vader Cats, en het geheel dezer vrouwendracht doet denken aan de rijke, maar stijve kleederen der Spanjaarden. Waar de Axelsche kleeding vandaan komt en wanneer deze is ingevoerd, weet men niet. Op de hofsteden wordt de oude kleeding nog gedragen door de meisjes; in de grootere plaatsen, als Axel en Ter-Neuzen, is de gewone burgerkleeding al meest ingevoerd.

Gaan wij enkele deelen dier kleeding nog nader na. Vroeger droeg men hier een stijve Walcherensche muts, en onder den arbeid doet men dat nog, een herinnering aan de betrekking tusschen beide gewesten. In de dorpen en steden dragen de meisjes thans reeds mutsen, overeenkomende met die op Tolen of Schouwen, terwijl overigens de kleeding burgerlijk is.

De oude Walcherensche versierselen worden nog door de landmeisjes gedragen, maar de vormen zijn anders en rijker. De “naelde” van vroeger is afgeschaft, maar de Walcherensche krullen ziet men hier weder. Zij staan loodrecht en worden veel hooger gedragen, niet naast, maar boven de oogen. Naast de krullen schitteren bij ongehuwden twee prachtige spelden of knoppen, zooals men ze niet op Walcheren, maar wel op Tolen ziet; zij zijn van goud, met of zonder pareltjes er bij. Aan de krullen hangen geen bellen, zooals bij de dames in de steden, maar andere “hangers”, die prachtig en zeer groot zijn, met steentjes of parelen. Men spreekt hier ook van “strikken”, zooals men op Walcheren gewoon is te dragen. Uit alles blijkt, dat de landman hier in den regel ruimer met aardsche goederen gezegend is dan de Walcherensche boer, en dat men, bij allen eenvoud des gemoeds, toch gaarne zijn rijkdom laat uitkomen door een soliede weelde. [326]

De beuk en het doekje, die wij vroeger bij het Land-van-Goes als eigenaardig voor de Zeeuwsche kleeding beschreven, vindt men ook hier terug, maar prachtiger. Het is Vlaamsche sier, die met Zeeuwschen eenvoud vereenigd is, zegt Dr. de Man. Het doekje is echter een doek geworden, hoewel geen omslagdoek, maar een stuk, dat bij jak en beuk tehuis behoort.

De beuk wordt door de meisjes zelf gemaakt. Zij zijn hier echter niet, zooals op Walcheren, gesteld op zuiver wit voor Zondagsche kleeding, maar houden meer van kleuren, waaruit eenigszins een zuidelijker aard spreekt. De beuk is wel dikwerf wit, maar wordt dan toch nog door levendig gekleurde koralen versierd. De koralenversiering neemt van Walcheren af naar het oosten en zuiden toe. Op Walcheren vindt men aan de beuk somtijds een rand van glasheldere koralen; bij de Nieuwlandsche meisjes komen die al meer voor en de Roomsch-Katholieke meisjes op Zuid-Beveland dragen reeds boven de beuk een kraag van gekleurde koralen. Doch Axel gaat in dezen het verst.

Zuiddam te Axel.

Zuiddam te Axel.

De doek tusschen beuk en jak is een voornaam deel van de vrouwenkleeding alhier, evenals in andere streken van Zeeland. Doch die doek wordt in Axel anders gebruikt. Voor de meisjes uit Axel moeten de doeken afzonderlijk geweven worden en zij kosten dan ook wel 25 gulden. Zij hebben, uitgespreid, een oppervlakte van een vierkanten meter. De doek wordt geweven van gekleurde zijde en die kleuren moeten echt sprekend zijn, terwijl een groote bloem met randen of rosetten moet uitkomen. Hij versiert niet alleen boezem en rug, maar geeft door de plooien met hooge schouders, die verder worden aangevuld met een onderstuk, een zeer eigenaardig postuur aan de vrouwengestalte, dat voor Axel kenmerkend is. De opspitsende schouders schijnen in de laatste halve eeuw in hoogte te zijn toegenomen.

De rokkenomvang der vrouwen van Axel herinnert aan dien van Walcheren, is zelfs nog grooter. De wijd uitstaande buitenrok is hier altijd zeer stijf, zwart moiré, mooi opgelegd met een rand van gebloemd fluweel van scherpe, sprekende kleuren. Een rood baaien rok vormt gewoonlijk nog een van de vele, die zij dragen. De schort is bijzonder groot en omsluit al die rokken bijna geheel; de [327]naam “voorschoot” past er dan ook niet voor. Zij is van gekleurde zijde, afgezet met blauw of ander lint, en om haar vast te binden gebruikt men veelal een breeden, doorgaans gekleurden, op fluweel gehechten band, die van voren goed te zien is.

Het Land-van-Hulst was oudtijds afgescheiden van het Land-van-Axel door het Hellegat, eens een breede waterarm van Hulst naar het noorden, doch die in 1845 binnen enger grenzen werd gebracht. Dit water bewerkte een scheiding tusschen de bewoners aan beide zijden, welke ook hierdoor bevorderd werd, dat Axel meer met Walcheren en Gent in betrekking kwam, Hulst meer met Noord- en Zuid-Brabant en het nabijgelegen Antwerpen.

De bewoners van het Land-van-Hulst zijn grootendeels Katholiek; alleen in de noorderstreek vindt men nog enkele Protestanten. Het Hulsterland vormt derhalve meer een overgang naar het Belgische.

Al is er in Hulst nog wel iets eigenaardigs in de kleeding overgebleven, waardoor de vrouwen uit het Land-van-Hulst zich van die uit de overige gedeelten van Zeeuwsch-Vlaanderen onderscheiden, toch gaat het eigenaardig landelijke en ook de Hulster kleederdracht meer en meer verloren. In de plaats Hulst ziet men alleen de stedelijke kleederdracht. Verschil in kleeding tusschen Protestanten en Katholieken bemerkt men hier niet.

Vrouwen uit het Land-van-Hulst.

Vrouwen uit het Land-van-Hulst.

De vrouwenmuts in het Land-van-Hulst, van fijne kant vervaardigd, gelijkt niet op de mutsen, elders in Zeeland gedragen, maar komt meer met de Noord-Brabantsche overeen; bij beide daalt de kant naar beneden en van achteren komen de vleugels of slippen wel bij elkander, maar eenvoudig tot den hals en niet met een lange strook langs den rug. Onder de bovenmuts wordt een zwart zijden ondermutsje gedragen, veel in kleur en stof verschillend van de Walcherensche en Goesche muts. De muts wordt naar het zuiden meer Brabantsch, zoodat men den overgang kan waarnemen. Bij de mutsen gebruikt men een weelde van spelden als nergens anders; bij haar toilet gebruikt het Hulster meisje alleen voor haar muts wel 300 à 400 kleine [328]mutsenspelden. Het haar, dat iets donkerder is dan op Walcheren, wordt door de vrouwen in een scheiding gedragen. Oorijzers of beugels met krullen of boeken aan beide zijden van het hoofd draagt men hier niet; dit wijst er op, dat de Hulstenaars niet van dezelfde afkomst zijn als de Zeeuwen. Het haar dragen zij zonder bellen, naalden of andere sieraden, maar bellen dragen zij wèl in de ooren.

Van de aanzienlijke plaatsen in dit gewest wijzen wij op Sas-van-Gent, gebouwd aan een sluis of sas aan het einde der vaart, die de Gentenaren met vergunning van Filips II in de 16e eeuw hebben gedolven van Gent naar het Sassche Gat, om hierlangs een kortere vaart naar de Wester-Schelde te verkrijgen. Doch door de dichtslibbing van het Sassche Gat en de daarop volgende bedijking kwam Sas-van-Gent in het midden van het land te liggen, waardoor de plaats in bloei achteruitging. Zij leefde echter weder op na het graven van het Kanaal-van-Gent naar Ter-Neuzen in 1826. Door zijn ligging aan de grens heeft Sas-van-Gent veel fabrieken. Het is een nette plaats.

Aan het noordelijk einde van dit kanaal ligt Ter-Neuzen, een havenstad aan de Schelde, nog altijd met vestingwerken. De stad heeft haar bloei te danken aan het Kanaal van Gent.

Axel is een oud plaatsje, dat reeds bloeide in de 9e eeuw, doch thans niet meer is dan een klein plattelandsstadje.

Hulst is een aanzienlijk en ruim gebouwde plaats, met luchtige straten, welke meest op de markt uitloopen. De door kastanjes beschaduwde markt is omringd door nette huizen en aan het marktplein verrijst het stadhuis met vierkanten toren, die in drie achtkante omgangen uitloopt, terwijl een hooge, hardsteenen pui, met wapens in hardsteen, aan den voorkant, toegang geeft tot de vestibule.

Hulst heeft een fraaie Gothische kruiskerk, met houten toren op het kruis.

Ook Hulst is een oude stad, die in de 12e eeuw al bloeide en ontstaan is om een burcht nabij de voormalige Asscherpoort. In 1618 werd Hulst in een sterke vesting herschapen, doch na 1795 werden de verdedigingsmiddelen niet meer onderhouden. De stad bloeit thans door het marktverkeer; zij staat in nauwer betrekking tot Antwerpen dan tot Nederlandsche steden.

Wij nemen hier afscheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, gaan per tram naar Walsoorden, varen hier weder over de Schelde, wandelen naar het station Hansweerd om verder te reizen naar het vasteland en vervolgens onze wandelingen door Nederland in Noord-Brabant voort te zetten. [329]

Noord-Brabant.

[Inhoud]

I. Algemeen Beeld.

Noord-Brabant! Onwillekeurig kwam voor niet langen tijd bij den Hollander een onaangenaam gevoel op, als hij Noord-Brabant moest bezoeken, nog meer, als hij genoodzaakt was, daar zijn woonplaats te kiezen. Het land “aan gene zijde van den Moerdijk” beschouwde men als het uiteinde van Nederland, en Limburg werd nauwelijks tot Nederland gerekend.

Zelfs was het geruimen tijd een slechte naam voor den vreemdeling, als hij in Noord-Brabant verblijf koos of moest kiezen. Dit gewest werd aangewezen voor vele jongelieden van rijke familiën, die in den strijd met de wereld voor haar verlokkingen bezweken waren, en hier werden uitbesteed, om er te wonen en minder aan verleiding te zijn blootgesteld in de stille dorpen. Zenuwlijders, dronkaards, verkwisters en dergelijke lieden werden tot in het eerste gedeelte der 19e eeuw ondergebracht bij de Noord-Brabantsche boeren, die in deze schrale landouw met weinig economische ontwikkeling de voordeelen, daaraan verbonden, goed konden gebruiken. Op tal van dorpskerkhoven vindt men zware zerksteenen met wapens en namen der aanzienlijkste geslachten uit den lande. Men zou aanvankelijk vermoeden, dat hier de rustplaatsen van ambachtsheeren en hun familieleden gevonden worden. Veeltijds is dit niet het geval en zijn het bestedelingen uit Holland geweest, die hier door de zerk met familiewapen en naam de laatste herinnering aan een treurig bestaan hebben achtergelaten.

Gelukkig is de verhouding tot en ook de geographische kennis van het zuiden van ons land veel verbeterd, maar naar zijn rechte waarde wordt Noord-Brabant nog zelden geschat, vooral wat betreft het typisch landschapsschoon en zijn eigenaardige volkstoestanden. Zeker, Breda kent menigeen; het Liesbosch en Mastbosch, Prinsenhage en Ginneken zijn bekende plekjes geworden; een enkele verdwaalt nog wel eens in het Ulvenhoutsche bosch, maar daarmede heeft men [330]gewoonlijk het grensgebied van zijn zomerbezoeken bereikt en wat buiten deze plaatsen ligt, is terra incognita. De meesten sporen Tilburg, Eindhoven en Helmond schier achteloos voorbij, alleen met de opmerking, dat er vele fabrieksschoorsteenen rooken, maar weinigen komen tot het besluit, deze steden te bezoeken, en nog minder, om het achterliggende land te doorkruisen of langs de overige dorpen van Noord-Brabant rond te zwerven.

En toch, die onverschilligheid kan enkel voortkomen uit onkunde. Want het Brabantsche landschap heeft veel zelfstandig schoons.

De toon der Noord-Brabantsche natuur heeft iets eigenaardigs, geheel anders dan elders op de zandgronden in ons land. Men ziet, men proeft, men ruikt en gevoelt het, dat men in Noord-Brabant is, zonder dat men zich in bijzonderheden rekenschap kan geven, waardoor.

Een zacht waas van rust ligt over de landbevolking, en het schijnt, alsof de geleidelijke overgangsvormen in den bouw van het landschap daarop invloed hebben uitgeoefend. Want terwijl de natuur rustig en lachend is, doen de bewoners, bij hun over ’t geheel armoedig voorkomen, zich kennen door goedhartigheid en vriendelijkheid, door een opgewekten levenstoon, die getuigt van tevredenheid, met datgene, wat hun is aangeboden aan de tafel des levens. Van hooge aspiraties zijn zij niet vervuld. In de sombere en geenszins altijd even zindelijke keuken der kleine boertjes zal de schamel gekleede vrouw des huizes ook den vreemdeling met welwillende gastvrijheid ontvangen, en hem gaarne iets aanbieden van hetgeen keuken of kelder bezit.

Zoo paart zich het karakter der bewoners aan de natuur van het landschap in Noord-Brabant en van beide zal men houden, als men ze kent.

In Holland kreeg ik lief de zomerweiden,

doorvlekt van ’t loome vee; het hooge gras

van ’t hooiveld, bont doorbloemd; in ’t veen den plas,

omzoomd door riet, en ’t elzenbosch bij zijde;

de blanke en bochtige IJsel, die bij was

den uiterwaard bestroomde; booten spreiden

er golven schuin op ’t vlak, dat zij doorsnijden,

die slaan aan dijk in ’t riet met ruischgeplas.

Hoe zou het zandig Brabant nog behagen,

mij, kind van spel op dijk, in stroom en wei?

wat zou ik eenzaam staan op wilde hei,

zong Is. P. de Vooys, toen hij het eerst dit land leerde kennen. Maar nadat hij er had rondgedoold over de heiden en door de bosschen, klonk het als kinderlijk dankbaar: [331]

Mijn zomersch land, dat ik zoo vaak doorreed

op gladden grintweg, dwars door bosch en hei,

naast open akkers, langs de stille wei,

door eik- en elzenstruik wuivend omkleed,

U dank ik vroom voor ’t heldere urenblij,

den akker, dien ik zwaar bearbeid weet,

de hei, van eenzaamheid zoo grensloos breed,

grasvlak en bosch, wier vree ’k mij vaak ontzei.

Slaan wij thans een blik op de gesteldheid en de ontwikkelingsgeschiedenis van den bodem.

Het grootste gedeelte van Noord-Brabant bestaat uit lichtgolvende terreinen van zandgronden met geringe hoogteverschillen en zacht in elkander overgaande terreinhellingen. De zandgronden nemen het geheele zuiden in beslag; zij worden alleen in het noorden en westen afgewisseld door een strook van kleigronden, die in het noordwesten de grootste breedte hebben, en welke wij reeds leerden kennen, toen wij van Oudenbosch over Steenbergen naar Tolen reisden. (Zie pag. 195).

De door geleidelijke overgangen golvende bodem is kenmerkend voor het grootste deel der zandgronden van Noord-Brabant. Alleen een uitzondering maken hierop de zandverstuivingen, welke, hetzij nog in beweging, als de wind krachtig waait, hetzij vastgelegd door de dennenbosschen, zoo hier en daar te midden der heiden worden aangetroffen. Van de bewegelijke zandverstuivingen vindt men er in den tegenwoordigen tijd niet vele meer; zij zijn meest door de uitbreidende boschcultuur aan banden gelegd.

Voor den opmerkzamen waarnemer valt het bij een wandeling over de velden van Noord-Brabant al spoedig in het oog, dat de bodem er in samenstelling en oppervlakte-vormen nogal verschilt van dien der zandgronden in Drente, Overijsel en Gelderland. In deze laatste gewesten komen talrijke scherp geteekende reliefvormen voor, hoogteruggen en heuvels met steile hellingen, die de vlakten afbreken. In Noord-Brabant daarentegen is het, alsof een reuzenschaaf den bodem heeft afgevlakt en genivelleerd. En als men iets nader den grond beschouwt, ziet men ook, dat de hoekige, kantige, zware keien van de Drentsche heiden in Noord-Brabant in ’t geheel niet gevonden worden. Zelfs de kleinere keisteenen van het grint, dat in Noord-Brabant in regelmatige lagen wordt aangetroffen, hebben een afgeronde of afgeslepen gedaante en dragen duidelijk de sporen, dat zij over elkander werden gerold en geschoven gedurende lange perioden, en daardoor een krachtig werkend afslijpingsproces hebben ondergaan. Het zijn dezelfde soort van afgeslepen steenen, als men in de snelstroomende rivieren van het bergland kan waarnemen, waar door het afdrijvende water het rotspuin der bergen snel over elkander wordt bewogen en zoo afgeschuurd tot deze gedaante. [332]

Die steenen, in verband met de ligging van grint en zand in geregelde lagen, benevens andere verschijnselen, hebben aan de aardkundigen de gegevens verschaft, waaruit de geschiedenis van dezen bodem valt af te leiden. Wij kunnen ons dat proces als volgt voorstellen. In het geologisch tijdperk, dat men het Diluvium noemt, lag dit land geheel onder water. De Maas, in den benedenloop met den Rijn vereenigd, stroomde als een reusachtige breede stroom over een groot gedeelte van het landschap naar zee, en niet onwaarschijnlijk voegde in het westen langs het dal der stroompjes, die bij Breda samenkomen en door de Mark verder vloeien, de Schelde haar wateren hierbij. De groote waterrijkdom dezer rivieren in dien tijd was het gevolg van den bekenden ijstijd, dien wij in deel I al beschreven, toen de gletschers en sneeuwvelden der Alpen zich over een gedeelte van Zuid-Duitschland voortschoven. Door het afsmelten van dat ijs en die sneeuw ontstond een groote waterafvoer, waardoor genoemde rivieren zoo sterk met water bezwaard werden, dat zij geheele landstreken in den benedenloop overstroomden gedurende een lange periode. Als reuzenrivieren bruisten die stroomen over het land, nu hier, dan daar weder een eenigszins diepere bedding vormend, maar overal zachte hellingen doende ontstaan en de heuvels afslijtend.

Deze rivieren voerden met hun snellen stroom het puin der vaste rotsen uit het brongebied mede, schoven het voort over de bedding en schuurden het daardoor op hun langen weg in groote tijdsperioden af tot afgeronde stukken, welke wij hier nog vinden in den bodem. In den benedenloop lieten zij het steenpuin liggen en zoo is het opgehoopt tot vrij vlakke lagen. Voor een gedeelte is dat steenpuin verweerd tot fijn zand, voor het grootste gedeelte was het reeds tot zandkorrels geworden, toen de rivieren het hier aanvoerden.

Deze steenen en zandkorrels toonen nog duidelijk aan, dat zij van zuidelijke afkomst zijn. Als wij hier over de heiden wandelen, glinsteren na een regenbui ons allerwegen de witte kwartskorrels tegen in den grond. Die witte kwarts nu is een produkt, voornamelijk van de rotsen uit het Rijn- en Maasgebied afkomstig.

Wij wandelen hier dus op een bodem, door de rivieren in den diluvialen tijd van de rotsen der Ardennen, de Vogezen en uit Lotharingen, enz. aangevoerd en neergelegd tot regelmatige, zacht hellende lagen. De breede, glooiend afloopende, ondiepe geul, waarlangs dwars door Noord-Brabant de riviertjes de Dommel, de Aa en hun bijstroomen naar Den Bosch stroomen, wijst nog het oude, verloopen gedeelte van den diluvialen Maasloop in een zwak overblijfsel aan. De oude Scheldeloop heeft zoo waarschijnlijk haar sporen nog in het dal der Mark, voorbij Breda, achtergelaten. Toen in den tijd na het Diluvium dit landschap boven water kwam, lag het daar, zooals het laatstelijk gemodelleerd was door de afzwakkende rivieren, die allengs een meer bepaalde en vaste bedding hadden overgehouden. [333]

In den aardbodem vinden wij nog vele overblijfselen, welke van zijn geschiedenis getuigen. De uitgebreide leembanken, welke op vele plaatsen op eenige diepte onder de oppervlakte worden aangetroffen, herinneren aan de voorhistorische rivierloopen, welke hier klei hebben neergelegd, die later weder door zand- en grintlagen werd overdekt. Thans worden zoo hier en daar die oude kleilagen uit de diepte opgedolven voor de steen- en pannenbakkerijen, welke men op onderscheidene plaatsen in Noord-Brabant in de heiden kan aantreffen.

Een aangename afwisseling in het landschapskarakter geven de vele riviertjes, die den bodem hoofdzakelijk in een richting van het zuiden naar het noorden doorsnijden. Vriendelijk, met allerlei speelsche bochten zich buigend en wringend, slingeren zij door het Brabantsche landschap, als zilveren linten de talrijke dorpen en gehuchten tot hoofdlijnen van het leven en verkeer der bevolking aan elkander schakelend.

Bij den bovenloop, nabij en over de zuidelijke Rijksgrens, ziet men de eerste stadiën der wordingsgeschiedenis dier beekjes nog duidelijk in de heiden. Uit moerassige, lage terreindeelen met struiken en heide, hier en daar met eenig riet en andere moerasplanten begroeid, plekken, waar het water samenloopt en door de onderliggende dichte leemlaag niet in den bodem kan wegzinken, ziet men dergelijke beekjes te voorschijn komen, eenzaam door de heide dwalend, schier zonder groenen oeverzoom, of deze slechts tot een smalle strook beperkt. Maar het stroomende water komt in de diepte in aanraking met de leemlagen van den ondergrond, lost van dat leem iets op en voert het mede, om het verder benedenwaarts als sliblaagjes neder te leggen langs de oevers. Zoo ontstaan de schoone groengronden langs de stroompjes, de met frisch, groen gras begroeide rivierzoomen, waarboven op vele plaatsen reeksen wilgen en populieren hun slanke gestalten opbeuren uit het lagere hakhout, dat de landen en wegen begrenst. Het is, of de natuur van het zuiden naar het noorden reuzenguirlandes over het Brabantsche landschap slingert, die de sombere eenzaamheid der bruine heiden en moerassen, met hun zwarte vennen en meren, afbreken door opgewekt leven.

Langs deze riviertjes werden oudtijds meestal de kasteelen der heeren gebouwd; aan deze riviertjes ontstonden ook de meeste en oudste dorpen. De riviertjes vereenigen zich op enkele plaatsen in kommen, die centrale punten in het landschap aanwijzen, waar, evenals de waterwegen, ook de bewoners samenstroomden bij het onderling verkeer. In de oudheid ontstonden aldus grootere nederzettingen, dorpen en vlekken, die niet zelden tot kleine landsteden aangroeiden. Binnen een dergelijke kom ontstond bij de samenvloeiing van Dommel en Aa, met hun vele bijstroomen, ’s-Hertogenbosch; waar onderscheidene kleine stroompjes samenkwamen tot de Mark en een breeder water vormden, verrees Breda; bij Rozendaal ziet men dezelfde geschiedenis en ook het ontstaan van Eindhoven is [334]op deze wijze te verklaren. Van de riviertjes ging de ontginning en inbezitneming des bodems uit; aan hun oevers ontstonden de dorpen en van de oude nederzettingen drong men steeds verder door in de heiden, welke de breede ruggen der waterscheidingen tusschen de riviertjes overdekten, om die langzamerhand te doen inkrimpen door het zich uitbreidend cultuurland.

Trots dit ontginningsproces, gedurende vele honderden jaren voortgezet, strekken zich in Noord-Brabant nog groote heiden uit. Ongeveer 25% van de oppervlakte wordt nog door de woeste gronden in beslag genomen. Maar van jaar tot jaar krimpt het ledige, eentonige heideveld in.

Sedert lang werden er al pogingen aangewend, om het land met bosschen te overdekken, en in de laatste eeuw is met kracht daaraan van tijd tot tijd de hand geslagen. Het was vooral de invloed der Nederlandsche Heidemaatschappij, die door wetenschappelijke voorlichting den weg gewezen heeft, waardoor men op de schrale gronden schoone sparrenbosschen kan doen verrijzen; in het zuiden vindt men ze reeds in menigte, de lucht vervullend met hun opwekkende geuren.

De heiden met hun frissche natuur, door geen valsche kunst bedorven, door geen moderne maatschappij met haar strijd en politiek, haar gedoe en mode verontrust, treffen den dichter door hun stemmig realisme, dat Herman Robbers juist teekent. “Bruin, rossig-vaal-bruin, naar het oosten, zoover het oog reikt, met hier en daar wat dof-groen van eenzame sparrenboompjes en een wazen gloed tegen de heuvlende grondbobbels aan, lag die wijde heide, de groote, eenzame hei van het zuidelijk Noord-Brabant, onder de dampen, die in ’t zonlicht zweefden, vaal donkerbruin in den tintel-zilveren dag, bijna zwart zelfs den kant uit van de zon. In ’t noorden en westen, in strak rechte lijnen, een ruige zelfkant van dennenbosch, duizendpootig, en in ’t zuiden, tusschen de hei, die in rustige verte verdween in donkeren boschrand, de torenspits met het zwarte kruisje, de daken der lage huizen en hutten, de ruggen der beesten, het armelijk beetje bebouwde grond.

De vèr, vèr blauwende hemel, toch één met het liggende land door de stilte die groot is, heerscht altijddurend. Het knerpen der krekels, noch ’t vinkengesjilp, noch ’t regelmatig geroep van een eenigen vogel, die hoog in de lucht heen en weer scheert, kunnen haar deren, de stilte, noch ook het rommelen, dof, van een boerenkar over den smallen, vast aardenen weg naar het dorp toe”.

Op die heiden met hun veenplassen of vennen en te midden der sparrenbosschen van Noord-Brabant lag het tooneel, waar het dichteroog van Dr. Schepers zijn Bragi-zangen zag geboren worden en ontwikkelen tot een goden-mythe.

Zonnelicht zweeft,

Gezeefd door de sparren;

Glad van glanzen glimt het ven; [335]

’t Blauw met de bolle

Blinkende wolken

Rimpelt in ’t riet omruischte ven.

Heerlijk, zoo half

Omkuifd door den dommel,

Droomend te drijven op ’t dobberend vlot,

Te zwemmen, waar ’t zonlicht

Zuiltjes van licht maakt;

Te spartelen onder de spar.

Maar boven dat blauw,

Wie boodschapt mij

Van ’t heerlijke, hooge Walhal?

Zou het er zaliger zijn?

J. B. Schepers.

Over de heiden doolt zoo hier en daar nog de herder rond met zijn kudde, sleeploopend met zijn staf, de lange dagen aaneen, en als dan de

Gulden avond gloort

op deinende heide,

gaan de moegeweide

schapen vredig voort.

Stil is de lage lucht—

En de oude herder

hoedt ze langzaam verder

naar het klein gehucht.

J. L. Walch.

Bovenal doet het Brabantsche landschap zijn kostelijk schoon uitkomen in den herfst, op die stille, zonnige dagen, welke geheel passen in den toon dezer droomerige natuur, en haar tooien met feestelijke kleuren.

Want in het najaar, als het land gaat slapen,

Wordt alles zoo volkomen schoon;

Dan draagt het, al te kort, een koningskroon

Van louter bladgoud om de lichte slapen.

Frans Bastiaanse.

Wat aangaat de cultuur en ingebruikneming des bodems is het landschapskarakter in Noord-Brabant ook een geheel ander dan in de overige gewesten der gecultiveerde zandgronden van Nederland. Flinke, aaneengesloten weiden, die men in Gelderland, Overijsel en Drente op de zandgronden nog wel vindt, ziet men in de zuidelijke gewesten van Noord-Brabant weinig. Het zijn meestal kleine stukjes grasland, die dikwijls onafgescheiden aan de eveneens kleine stukken bouwland grenzen en waarop één à twee koeien, aan een touw gebonden, om [336]een paal loopen te grazen. Een klein gedeelte van den dag komen de koeien in het land; het meest staan zij op stal en worden daar gevoed. Gemis van voldoend grasland en overvloed van bouwland, naast de versnippering van grondbezit, zijn de oorzaken van deze kleine landbouwkunde. Hiermede is ook verbonden, dat koeien, zoowel als ossen, nog veel als trekdieren gebruikt worden. De koeien, welke de melk geven, ziet men niet zelden ook den karnmolen drijven, den mest naar het land trekken en het groenvoeder en hooi uit het land vervoeren.

Klein, versnipperd, onregelmatig, weinig economisch en niet naar moderne opvatting ingericht, zijn hier de landverdeeling en de landhuishoudkunde. Wij hebben in deze schets het oog op de zandgronden van Noord-Brabant; de kleigronden hebben een andere landverdeeling en een ander karakter.

In overeenstemming met dien toestand is ook de welvaart, de levenswijze en de uitdrukking daarvan in woningbouw en weelde. De Noord-Brabantsche boerenwoning, met die in Friesland, Groningen, Holland en ook in Drente op vele plaatsen vergeleken, maakt een pover figuur. De tijden van welvaart voor den boerenstand, die in de overige gewesten de boerenhuizen in heerenhuizen en villa’s hebben veranderd, schijnen over de hoofden der Brabanters te zijn heengegaan, zonder hen te beroeren, of in elk geval zonder er veranderingen teweeg te brengen. In het zuiden der provincie zijn de kleine boerenhuizen (groote vindt men er weinige, door het klein grondbezit) uiterst eenvoudig en sober gebouwd. Naar het noorden wordt de welvaart grooter, de boerenhuizen zijn er netter en men ziet de verfkwast meer gebruikt, die in het zuiden wel wordt vergeten. Ook in het westen, in de Baronie van Breda, vindt men alles flinker dan in het oosten en het Peelland.

De boerenwoningen bestaan in het Z. der provincie meestal uit een complex van gebouwtjes bij elkander; het eigenlijke woonhuis, omringd door schuren en stallen, in schilderachtige wanorde door elkander geplaatst. De laatste zijn alle ruwe, houten getimmerten, zonder verf op deuren of luiken, met stroo gedekt, veelal de grijsgele wanden gevormd uit gevlochten horden, met leem bestreken. Elk dier getimmerten op de hofstede heeft een eigen doel. Het kleine gebouwtje ter zijde van het woonhuis, is het bakhuis, waar men den oven vindt, waarin de boer zijn eigen brood bakt. Ook vindt men in vele huizen den oven terzijde van den haard in het woonvertrek. Een ander gebouwtje op het erf is de bewaarplaats van graan, met den dorschvloer er naast; weer een ander dient voor de kar of voor het brandhout en de heizoden. In de uithoeken dezer getimmerten zijn de varkenshokken, enz. Eigenaardig schilderachtig is op het erf nog de waterput met den onverschilligen zwengel, een langen, bijna niet behouwen, ruwen boomstam.

Het hoofdgebouw bestaat uit het eigenlijke woonhuis in het voorgedeelte, [337]waaraan ook een schuur is verbonden. Het woongedeelte bestaat uit een huiskamer, tevens keuken, een groot vertrek met bedsteden langs de wanden en de ruime schouw op den binnenmuur. Daar brandt men op het haardvuur heizoden en takkenbossen, die een eigenaardigen, niet onaangenamen geur verspreiden, welken men bij het naderen dezer gehuchten (ook op de Veluwe, in Drente en elders) terstond bemerken kan. Onmiddellijk achter het woongedeelte loopt in de schuur een dwarsgang en daarop volgt dwars door het huis de koestal, waar de koeien steeds op den mest staan, met den kop naar genoemde dwarsgang. Veel mest te verkrijgen is een belangrijke zaak voor deze boertjes; al vanouds geldt hier de spreekwijze, dat “de mest een tweede Onzen Lieve Heer is”.

Met de aldus door elkander staande gebouwtjes gelijkt de hofstede in Noord-Brabant reeds een gehucht in miniatuur. Zij roept ons onwillekeurig de hoeven van de oude Franken voor den geest, welke eveneens uit vele naast elkander verrijzende gebouwen bestonden, elk voor een afzonderlijk doel ingericht. Hoe scherp stak deze woningbouw bij het groote Saksische huis af, waar alles zooveel mogelijk onder één dak werd samengebracht en waar de woning voor de menschen en de schuur uit één groot geheel bestonden. (In het O. van Overijsel vindt men nog dergelijke woningen). De veelheid van gebouwen op een erf wordt reeds minder, naarmate men meer het N. van Noord-Brabant nadert, en naar het Z. van Limburg ziet men spoedig eveneens een ander type van boerenwoning.

Eigenaardig is het in Noord-Brabant, en eveneens in Limburg, dat de gemeenten hier veel gronden in bezit hebben, voornamelijk woeste gronden en bosschen. Dat gemeentelijk grondbezit moet wel onderscheiden worden van de marken, welke men elders vond1. Van alle woeste gronden in Noord-Brabant is ongeveer 35 % gemeente-eigendom.

In de vroegere Baronie van Breda is het gemeentelijk grondbezit niet zoo aanzienlijk. Zeker moet dit mede daaraan worden toegeschreven, dat hier de bodem over ’t geheel vruchtbaarder is en de grootere welvaart der bewoners hen meer leidde tot ontginningen. Aldus was het ook gesteld in het land van Bergen-op-Zoom. Doch in de Meierij van Den Bosch vooral heerschte door de verregaande versnippering van grondbezit en de geringe productiviteit van het landbouwbedrijf een algemeene toestand van soberheid of armoede bij den boerenstand in de 18e eeuw, naast achterlijkheid.

Talrijke stukken uit de 17e en 18e eeuw zijn er, die dit bewijzen. De heeren op de kasteelen uitgezonderd, was schier nergens de bekrompenheid der boeren [338]ten plattenlande zoo groot als hier. Flinke, groote boerderijen trof men uiterst zelden aan naast de vele kleine bedrijven met 1 à 3 runderen. Enkel boerenarbeiders vond men daarbij betrekkelijk weinig: zij zouden geen werk gevonden hebben bij de kleine boertjes, die zelf het boerenwerk met ruimte konden verrichten en in een groot gedeelte des jaars nog tijd overhielden.

Daarenboven werd over geheel Noord-Brabant de toestand der bevolking gedrukt door de ligging in een grensgewest, dat als veroverd gebied werd beschouwd, als bezit van de Republiek, en waar van tijd tot tijd gedurende de 16e en 17e eeuw door den oorlog de dorpen werden plat gebrand. Zware lasten en heerlijke rechten van allerlei aard drukten in onderscheidene dorpen de bewoners daarenboven nog in hooge mate.

Door dien toestand van armoede zochten de landbouwers in hun vrijen tijd er iets bij te verdienen. De vlasbouw, die vanouds een boerenbedrijf voor eigen behoefte was, evenals de schapenhouderij voor de wol, had hen gebracht tot spinnerij en weverij in den vrijen tijd, om hun eigen kleedingstukken te vervaardigen. Door nood gedrongen, kwamen zij er toe om die nijverheid uit te breiden, teneinde hierdoor hun lot te verbeteren. Het was en bleef tot in de eerste helft der 19e eeuw nog grootendeels huisindustrie, maar die gedurende de 17e en 18e eeuw, en misschien reeds vroeger, ook al werkte voor den uitvoer naar Holland. In Brabant kon de bevolking, met bescheidener eischen, geringer levensbehoeften en voordeeliger levensvoorwaarden, vooral doordien het aanvullingsarbeid was bij het boerenbedrijf, goedkooper arbeiden dan in Holland, waar bovendien de handel en scheepvaart hooger loonen deden ontstaan. Deze bekrompen toestand der boeren in de streken, waar de nederzettingen tot verregaande verdeeling van den bodem en het kleine bedrijf gevoerd hadden, legde den grond voor de industrieele opkomst.

In streken met welvaart en groote boerenbedrijven, waar alle handenarbeid daarvoor benoodigd was, waar geen behoefte drong tot nevenarbeid, kon de industrie niet aldus onder de boerenbevolking ontstaan. De zuidelijke gewesten van Noord-Brabant en die van Twente, waar de economische toestanden weinig van elkander verschilden, werden door gelijke omstandigheden de districten der weefindustrie bij uitnemendheid, welke vooral na het midden der 19e eeuw van huisindustrie bijna geheel tot fabrieksnijverheid op groote schaal overging.

In Holland, Friesland, Groningen en Zeeland, waar eveneens de vlasteelt in vroeger eeuwen veel tot vlasserij, spinnen en weven voor eigen behoefte aanleiding had gegeven, had dit alles reeds in de 18e eeuw zoo goed als opgehouden een boerenbedrijf te zijn; de gunstiger economische toestanden der boeren in deze gewesten hadden het bedrijf doen vergeten.

De aldus ontwikkelde fabrieksnijverheid was in enkele streken ook van invloed [339]op de nederzettingen. Bij huisnijverheid behoefden de woningen, verstrooid over de dorpen, niet verlaten te worden; nu de fabriek de arbeiders elken morgen samenriep binnen haar muren, was men er meer op bedacht, zich in de nabijheid daarvan neder te zetten. Een vorige generatie bleef nog half boer en was half fabrieksarbeider; de jongere werd aan den landarbeid ontwend en groeide op als fabrieksarbeider. De inkomsten als zoodanig waren wel niet hoog, maar toch hooger dan die van den arbeider-landbouwer. Daardoor verleerde, helaas! deze klasse van lieden den boerenarbeid en werden zij meer en meer afhankelijk van de fabrieken bij het maatschappelijk ontwikkelingsproces.

Door deze omstandigheden werden in de centra van fabrieksnijverheid de nederzettingen uitgebreid en groeiden op enkele plekken de dorpen samen tot één groote, stedelijke nederzetting. Dat was o. a. het geval met Tilburg. In de 15e eeuw met omstreeks 3000 zielen, in 1796 met 8500 inwoners, in 1830 met 11700, in 1850 met 14600, in 1876 met 25330 zielen, telde deze plaats in 1890: 33900 en in 1900: 40600 inwoners. Twaalf wijken of afzonderlijke dorpen, waaruit Tilburg voor een eeuw bestond, zijn tot één stad geworden.

Wat den vorm der nederzettingen betreft, is in Noord-Brabant het lengtetype bij de meeste dorpen overheerschend. Het type der onregelmatig verstrooide huizen, met één of meer open pleinen of brinken, eveneens van onregelmatige gedaante, vindt men hier niet. Schier alle dorpen zijn gebouwd in de lengte langs den weg en vormen in de kom veelal een breedere straat, niet zelden met linden omzoomd, waaraan het Raadhuis gebouwd is.

De grootere dorpen ontstonden veelal aan een kruispunt van wegen en bezitten in de kern dan een kruisstraat. Ook buiten de dorpen had de huizenbouw, waar hij meer geïsoleerd is, langs de wegen plaats. Den boer, die in zelfgenoegzaamheid op een groote hoeve alleen woont te midden van zijn landerijen, zooals in Friesland, Groningen, Holland en elders, vindt men hier zelden of niet. De versnipperde verdeeling des lands en het verstrooide landbezit maakten dit ook onmogelijk; daarenboven streed dat tegen den aard van het Frankische volk.

Toch vindt men in Noord-Brabant op de zandgronden niet die urenlange, eentonige dorpen der Groninger veenkoloniën. De dorpen zijn gewoonlijk niet lang; zij worden afgebroken door schilderachtige landwegen, om weer door nieuwe te worden vervangen. De streek-dorpen, rechthoekig de regelmatige, strookvormige grondverdeeling snijdend, zooals wij die vinden te Staphorst, Ruinerwold, enz., ziet men hier niet en kan men hier niet vinden door de eigenaardige verdeeling der gronden.


Vindt men in Noord-Brabant nergens dorpen met zulke mooie boerenhuizen als in Groningen, daarentegen is Brabant het land van kerken, kloosters en [340]kasteelen, zooals geen ander gedeelte van ons vaderland. Mooie kerken vindt men er overal, op vele plaatsen trotsche bouwgewrochten, waar overigens bij de bevolking de grootste eenvoud en soberheid heerscht. Het is, alsof men er de nooddruft des levens bespaarde, om den Allerhoogste een groot, Zijns waardig paleis te bouwen. Dit verschijnsel staat in verband met den heerschenden Katholieken godsdienst, die de kerkelijke bouwkunst steeds heeft bevorderd. In de noordelijke streken, die meer Protestantsch zijn, vindt men minder van die trotsche kerken, tenminste niet uit den nieuweren tijd.

Het voormalig Kasteel van Wouw.

Het voormalig Kasteel van Wouw.

Kloosters treft men er schier overal aan, in vele plaatsen meer dan een. Het aantal geestelijke zusters in deze provincie is zeer aanzienlijk; schier in elk dorp en voor een groot gedeelte ook in de steden hebben zij het onderwijs van de vrouwelijke jeugd in handen. Maar ook de monnikenkloosters nemen er in de laatste halve eeuw weer sterk toe; de monniken deden hier soms groote gebouwen met een uitgebreide industrie verrijzen, zooals de Trappisten in de Schaapskooi bij Tilburg; elders wisten zij de oude kasteelen in hun bezit te krijgen. Sedert de aanzienlijke heeren met het te gronde gaan der heerlijke rechten en de gewijzigde eischen des levens in den modernen tijd hun groote buitens meer en meer verlieten, werden die veel door monnikenorden gekocht en in kloosters veranderd. Op de binnenplaatsen en in de schoone [341]slotgaarden, waar eens de adellijke jonkvrouwen zich vermaakten, waar die slanke gestalten rondzweefden in zijde en satijn, ziet men thans de monniken of geestelijke zusters rondwaren, gebeden opzeggend of penitentie oefenend.

Boerin uit Veldhoven

Boerin uit Veldhoven

Vroeger vond men veel meer kasteelen in Noord-Brabant; bijna elk groot dorp had er een. In de werken van Jakob le Roy, “Groot wereldlijk tooneel des hertogdoms van Brabant”, in 1730 verschenen met 188 kopergravuren, vindt men die kasteelen afgebeeld en eveneens kan men ze leeren kennen in het werk van de Cantillon, “Vermakelijkheden van Brabant en deszelfs onderhoorige landen”, met 200 kunstplaten, van 1768–70 verschenen. De trotsche kasteelen, die hun muren uit de grachten deden verrijzen en door hun bouw herinnerden aan den riddertijd, zijn meest alle verdwenen; enkele overgeblevene zijn gemoderniseerd. De bevolking is er echter nog mild met de benaming “kasteel”, welke niet zelden ook aan een gewoon heerenhuis gegeven wordt.

Als echte kasteelen kunnen wij nog wijzen op dat van Helmond, Croy (thans klooster) en Heeswijk; ook Bouvigne heeft nog een kasteelachtig uiterlijk.


Noord-Brabant ontleent zijn naam aan het oude landschap Brachbant, bij Latijnsche schrijvers Bracbantum of Bracbantia geheeten, dat ten W. en N. aan de Schelde, ten O. aan de Dender en ten Z. aan de Haine grensde en dus het zuidoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Oost-Vlaanderen en het westelijk gedeelte van Henegouwen besloeg. Dit oude Brachbant breidde zijn grenzen uit over de nabijgelegen landstreken en verkreeg den rang van een hertogdom. Het hertogdom Brabant grensde ten N. aan Holland en aan de Maas, die het van het hertogdom Gelder scheidde, ten O. aan het hertogdom Gelder en het Prins-Bisdom Luik, ten Z. aan het graafschap Namen, ten Z.W. aan het graafschap Henegouwen, ten W. aan het graafschap Vlaanderen en voor een klein gedeelte aan het markgraafschap Antwerpen. Door die uitbreiding en door den rang van hertogdom was Brabant voor het einde der grafelijke regeering een aanzienlijk gewest der Nederlanden, welks staten bij de algemeene vergaderingen een eersten rang innamen en de eerste stem voerden. Daar Brabant ongeveer te midden der andere provinciën gelegen was, had ook de Gouverneur- (of Gouvernante) Generaal zijn zetel in dit gewest, nl. te Brussel, en het opperste gerechtshof, dat zijn rechtspraak over alle Nederlanden uitstrekte, werd door Filips den Schoone in 1504 binnen een der steden van Brabant, nl. te Mechelen, geplaatst. [342]

Gedurende den tachtigjarigen oorlog werd het vroegere hertogdom verdeeld en het noordelijk gedeelte vermeesterd door de Staten der Vereenigde Nederlanden. Dit gedeelte stond gedurende den tijd der Republiek als Staats-Brabant bekend en behoorde aan de Generaliteit. Het omvatte het vroegere kwartier van ’s-Hertogenbosch, d. i. de stad en de Meierij van ’s-Hertogenbosch, de stad en het Markgraafschap Bergen-op-Zoom, de stad en de Baronie van Breda, de heerlijkheid Steenbergen, de heerlijkheid Willemsstad, de stad Grave en het Land-van-Kuik, de vrije heerlijkheden Ravestein en Megen en nog enkele kleinere deelen. De noordelijke streek, ongeveer tot de lijn ’s-Hertogenbosch–Klundert, waartoe de dorpen der Langstraat, Geertruidenberg, Lage-Zwaluwe, enz. behoorden, maakten in dien tijd deel uit van Holland.

Uit dit Staats-Brabant werd de provincie Noord-Brabant gevormd, met eenige wijziging der grenzen. In het noorden werd Noord-Brabant uitgebreid tot de groote rivieren en werd er dus een deel van Holland aan toegevoegd. Hier kan men nog duidelijk den vroegeren Hollandschen invloed ontdekken bij de bewoners. Terwijl overigens Noord-Brabant meest Katholiek is, vindt men hier nog de meeste Protestanten.

Noord-Brabantsche huifkar.

Noord-Brabantsche huifkar.

Noord-Brabant is een vroeg bewoond gewest. Hier woonden, volgens Plinius, in het westen de Taxandriërs en in den Karolingischen tijd strekte zich hier de gouw Taxandrië uit, naar de Taxandriërs aldus genoemd, terwijl in het oosten, langs de Maas, de Mosago, de Maasgouw, lag.

Zijn vaste bevolking ontving het land door Frankische stammen. De sporen van deze oorspronkelijke bevolking zijn nog bewaard gebleven in de taal, die een zuiver Frankisch dialect vormt. Prof. Te Winkel verdeelt deze taal in twee afdeelingen: in West-Frankisch en Oost-Frankisch. Het zuiver West-Frankisch wordt gevonden in: 1. Oost-Vlaanderen, 2. het westelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 3. het westelijk gedeelte van de provincie Antwerpen, 4. het westelijk [343]gedeelte der Bommelerwaard, de Tielerwaard en de Betuwe. Het zuiver Oost-Frankisch wordt gevonden in: 1. het Land-van-Maas-en-Waal, 2. het oostelijk gedeelte der provincie Noord-Brabant, 3. het oostelijk gedeelte der provincie Antwerpen, 4. het oostelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 5. in Belgisch Limburg, 6. in het grootste gedeelte van Nederlandsch Limburg.

In het oosten van Noord-Brabant is de Peel, die eeuwen lang een moeras vormde, dat moeilijk kon worden overgestoken, de grens van het zuiver Oost-Frankische taalgewest. Ten oosten van de Peel, langs de Maas, in het Land-van-Kuik en in het Land-van-Nijmegen, is het Oost-Frankisch met Saksische elementen vermengd, al is het ook weinig. De Saksische elementen, die zich ten O. van de Peel in het Frankisch oplosten, bleven door gemis van verkeer voor de gewesten ten W. van de Peel uitgesloten. Daardoor werd de Peel een grens voor de dialecten.

Het oud-Frankische karakter spreekt ontegenzeggelijk duidelijk uit de landbevolking van Noord-Brabant. De Franken worden gekenschetst als vriendelijk, zacht van karakter, met goedhartige, gulle inborst en met gehechtheid aan het oude, eigenschappen, welke men hier meer dan ergens elders terugvindt. De Franken zijn gehecht aan hun geboorteland, geen landverhuizers, en zoo is ook hier de landverhuizing geringer dan in eenige andere provincie van Nederland hoewel de economische toestanden er minder gunstig zijn.

Eenvoudig zijn de Brabanters in hun leven, in hun huis, op hun akker, met hun rijtuig, op den weg. Welk een verschil tusschen den Brabantschen boer op den weg met den Hollandschen, Groningschen of Frieschen vergeleken. Geen sierlijke rijtuigen vindt men in Noord-Brabant bij de boeren, waarmede zij uitgaan of naar de stad rijden. Men ziet hier enkel de zwaar gebouwde, ruw bewerkte karren, met witte huiven overdekt en nauwelijks geverfd, vervoermiddelen, welke weinig zullen verschillen bij die uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Het paard schommelt in rustigen stap over den weg, terwijl veelal de voerman er naast loopt of op zijde van het inspan zich plaatst en door het klappend geluid van de zweep en het eigenaardig geroep, dat het paard verstaat, het dier leidt. Zij kennen elkander, de omgang is vertrouwelijk. Nergens wordt ook zooveel zorg besteed om de paarden tegen den hinder van vliegen te beschermen, als hier. Overal ziet men in den zomer vliegennetten, terwijl groene struiken het dier om den kop wuiven. Zoo gaat het in eentonige cadans over de wegen.

Melancholiek is ’t klinken van de bellen

Aan ’t haam van ’t paard, dat stapvoets sloft in ’t zand;

Het opgeschoffeld zand zweeft naar den kant

En gansche zwermen vliegen vergezellen

[344]

Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen;

Den kop omlaag, door ’t kwastig net omrand,

Zoo trekt het dier langs ’t hooge, dorre land

De tweewielskar en blijft eentonig schellen.

En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,

In ’t grauwe kleed met sjokkig loomen gang;

Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt,

Hoog klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang;

Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld

En sukk’len samen voort, hun leven lang.

Aldus teekent Dr. Schepers den Noord-Brabantschen boer op weg. In die stootende karren en het belgeklank ruischt een weemoedige landschapsmuziek, welke men in de noordelijke gewesten, waar wagens op vier wielen gebruikt worden, mist. Ook Guido Gezelle had die muziek opgemerkt in zijn land.

Ze stappen, hun bellen al klinken,

de vrome twee horsen te gaar;

ze zwoegen, ze zweeten, en blinken

doet ’t blonde gelijm van hun haar.

Ze stappen, ze stenen, ze stijven

de strengen, en ’t ronde gareel

het spant op hun spannende lijven,

de voerman beweegt ze aan een zeel.

Daar Noord-Brabant langen tijd als een overwonnen gewest beschouwd werd, twijfelde men wel eens omtrent zijn gehechtheid aan de Republiek, te eerder daar de overheerschende godsdienst meer overeenkwam met dien van de zuidelijke Nederlanden. Maar al was de behandeling dezer landen vroeger geenszins die van een gelijke, al misten de Brabanters de rechten der overige provinciën, toch bleven zij trouw aan den staat, waarmede zij vereenigd waren, aan den Prins, dien zij beschouwden als hun heer. “Onder die burgers blijkt ingeboren getrouwicheyt tot haeren naturelycken landsheere, want sy altoos bereit syn geweest mit haren prince te leven ofte sterven”, werd van hen getuigd.

Den Landsheer trouw tot in den dood!

Zwoer Brabant eeuwen lang,

Der vaadren leuze in vrede, in nood,

Zij nu der zonen zang.

U klinke ons lied, ’s lands Hooge Vrouw,

U, vorstlijk maagdelijn,

’t Moge U de tolk van Brabants trouw,

Van Brabants liefde zijn.

[345]

klonk het in Mei 1894, bij het bezoek van H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes, in Den Bosch den Vorstinnen uit volle borst tegemoet. En waar wij reisden in Brabant, overal vonden wij er trouwe gehechtheid aan ons vorstenhuis. Ik zag dat het sterkst in de sombere dagen der ziekte van H. M., toen ik hier ronddoolde. Schier geen afgelegen dorp, dat ik bezocht, of de eenvoudige menschen, die vernamen, dat ik uit Den Haag kwam, vroegen het eerst naar de gezondheid van H. M. de Koningin.

Wij zullen thans ons tochtje door Noord-Brabant gaan maken en aanvangen in het westen.


1 Het ontstaan der gemeentelijke bezittingen en van de gemeenschappelijke gronden in het algemeen vindt men uitvoeriger uiteengezet in H. Blink, Geschiedenis van den boerenstand en den landbouw in Nederland.

[Inhoud]

II. Door Noord-Brabant.

Bergen-Op-Zoom.

Wij beginnen onze wandelingen door Noord-Brabant in het westen, om aan te sluiten bij het vroeger betreden gebied. Daar, op de helling der hooge zandgronden, die zoo hier en daar met boschrijke heuvelrijen opdoemen voor het oog, als men van Zuid-Beveland over den dam door de Ooster-Schelde en langs de aangeslibde bedijkingen in dezen vroegeren waterarm Noord-Brabant nadert, ligt Bergen-op-Zoom. Valt het te bevreemden, dat men hier sprak van “bergen op den zoom” der zandgronden, waar die aan het water grenzen? In elk geval, welke etymologie ook wordt gevonden, de naam der plaats wordt voldoende verklaard uit de natuurlijke gesteldheid des lands en de ligging. Want Bergen-op-Zoom is gebouwd op een afwisselend, heuvelachtig terrein en ook in den omtrek worden vele, betrekkelijk hooge heuvelen gevonden, waarvan echter in 1622 bij de belegering der stad door de Spanjaarden enkele werden weggegraven. Dat de naam der stad afgeleid zou zijn van het onbeduidende watertje de Zoom, is al zeer onwaarschijnlijk.

Naar het westen schuift Bergen-op-Zoom langs de haven vooruit tot nabij den oever der Ooster-Schelde, terwijl de haven, met een reeks van oesterputten daar langs, als een scherp toeloopende neus in het water vooruitsteekt tot de vervallen Waterschans, aan welken uithoek men de Schelde voor zich ziet liggen in al haar eigenaardigheden. Bij vloed schuimt het breede water met woeste slagen als een woelige zee op het land aan, om zijn vraatzucht hier bot te vieren, gramstorig, dat het niet meer kan heerschen als voorheen. En bij eb laat de Schelde sarrend nog de overblijfselen van verloren land aan den toeschouwer zien: de Molenplaat in het westen en het Verdronken Land van het Markiezaat van Bergen-op-Zoom in het zuiden—slibvlakten, grijszwart glinsterend in het zonlicht, van enkele kreeken doorsneden. [346]

Bergen-op-Zoom is een oude nederzetting. Ongetwijfeld heeft de vestiging van visschers op een veilig punt in de nabijheid van het breede water medegewerkt tot het ontstaan van het plaatsje in de bergen op den zoom, die min of meer herinnerden aan de nederzettingen der visschers in de duinen. Reeds in de 8e eeuw werd door Geertruida, de dochter van Pepijn van Landen (den hofmeier van Dagobert, koning der Franken) hier een kapelletje gesticht. Deze kapel stond aan den oever der Schelde nabij een bron, die onophoudelijk zoet water gaf en als de St.-Geertruidsbron bekend was. Aan het water van deze bron werden lang geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven, zoodat de geneesheeren van den zieken Frederik Hendrik nog voorschreven, het naar Den Haag te voeren, om het den Prins aan tafel te doen gebruiken, hetgeen bij de ambassadeurs van Frankrijk navolging vond. Doch sedert het begin der 17e eeuw is deze bron langzamerhand vergraven en in haar voedingsvermogen verzwakt, zoodat zij geheel verloren is gegaan. Het komt ons voor, dat ook de Geertruidapolder bij de stad ter herinnering aan Geertruida aldus is genoemd.

Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18e eeuw.

Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18e eeuw.

Bergen-op-Zoom was gedurende de middeleeuwen tot een welvarende, levendige [347]handelsstad opgebloeid. De ligging aan den bevaarbaren stroom, waarlangs de Engelsche schepen konden naderen, de vrijheid van tollen in geheel Holland en Zeeland, door Hertog Albrecht van Beieren aan haar bij giftbrief van 1395 verleend, deden haar opkomen tot een belangrijke handelsplaats, waar groote missen werden gehouden, welke zelfs met die van Antwerpen concurreerden. Vreemde kooplieden vestigden zich hier en vooral Engelschen zag men er, zoodat een straat naar hen genoemd werd; de naam Engelsche straat herinnert nog hieraan. Men had hier zelfs een beurs, vóór die te Amsterdam; een lakenhal, een huis voor de Hanze en een levendige goud- en zilversmidsnijverheid. Maar Bergen-op-Zoom moest weldra voor het gunstiger gelegen Antwerpen onderdoen, en in den tijd der Spaansche beroerten, toen Antwerpen zijn bloei zoozeer aan het kwijnen zag geraken, ging Bergen-op-Zoom nog meer achteruit en werd de beursstad van voorheen een kleine, landelijke vesting met een beperkten, localen handel en eenige visscherij.

Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.

Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.

Als vesting heeft Bergen-op-Zoom onderscheidene belegeringen doorstaan. In 1577 werd de stad aan de Staatsche zijde gebracht en in 1588 en 1622 werd zij vruchteloos door de Spanjaarden onder hun grootste veldheeren, Parma en Spinola, belegerd. Vóór 1747 was deze veste nooit door een vijand ingenomen, doch den 16en Sept. van dat jaar werd zij na een zwaar bombardement, dat haar verschrikkelijk teisterde, door de Franschen onder Löwenthal bemachtigd. Den 18en Maart 1814 poogden de Engelschen haar bij verrassing te nemen, doch toen zij in de stad waren, werden de aanvallers door de bezetting gevangen gemaakt of verdreven met groote verliezen.

Bergen-op-Zoom werd, vooral in den tijd van Willem III, onder leiding van den beroemden Menno van Coehoorn, tot een meesterstuk van vestingbouwkunst gemaakt. Sedert 1867 evenwel is de stad ontmanteld; zij breidt zich thans uit met nieuwe gedeelten over de geslechte wallen en vestingterreinen.

Wanneer wij Bergen-op-Zoom doorwandelen, zien wij in het stadsbeeld, met zijn geconcentreerden bouw, met het marktplein in het midden en de daarop [348]uitloopende, smalle straten, nog duidelijk het karakter van de vroegere vesting. Groote gebouwen en belangrijke pleinen vindt men er niet vele, het marktplein uitgezonderd; over ’t geheel heeft de stad een niet onwelvarend, burgerlijk aanzien.

Schoorsteenmantel uit de 15e eeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.

Schoorsteenmantel uit de 15e eeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.

Aan het driehoekige marktplein trekt het stadhuis door zijn hoog dak en gekanteelden trans, doch overigens met renaissance karakter, met gevelbeelden en hardsteenen bordes, onze aandacht. Waarschijnlijk dagteekent de bouw gedeeltelijk van den oudsten tijd, omdat het raadhuis bij den brand van 1397 gespaard bleef, gedeeltelijk van na 1611. In de ruime vestibule van het stadhuis vindt men de [349]wapenschilden der heeren, die vroeger over Bergen-op-Zoom hebben geregeerd. Sedert 1533 toch was Bergen-op-Zoom door Keizer Karel V tot een markgraafschap verheven, dat door de geslachten van Merode, Wittem, Bergh, Hohenzollern, de la Tour d’Auvergne, Aremberg en Sulzbach achtereenvolgens bezeten werd, totdat bij de revolutie in 1795 de waardigheid van markgraaf met andere heerlijke rechten vervallen werd verklaard.

In de trouwzaal van het stadhuis vindt men de prachtig gebeeldhouwde schouw, welke, evenals de hier aanwezige geschilderde portretten, afkomstig is uit het Markiezenhof. Deze schouw wordt als een der vroegste voortbrengselen der renaissancebeeldhouwkunst beschouwd en toegeschreven aan den beeldsnijder Mattheus Keldermans uit Antwerpen. Sommige onderdeelen dragen zeer duidelijk een klassiek karakter; andere, evenals het plan der versiering, herinneren sterk aan de Gothiek.

Ook de zoogenaamde “Witte zaal”, die gewoonlijk gebezigd wordt voor de zittingen van den Raad, geeft kunstig beeldsnijwerk te bewonderen en onderscheidene portretten van doorluchtige personen.

Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.

Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.

Van het raadhuis schuin de markt overgaande verrijst vóór ons de Hervormde kerk, die met haar zwaren, langen toren zich verschuilt achter burgerlijke huizen. Nadat de eerste kerk, door de H. Geertruida in 654 gesticht, in 1397 in de asch gelegd was, werd in 1442 door Jan van Glimes terzelfder plaatse een nieuw kerkgebouw gesticht, veel prachtiger dan het vorige, met een fraaien toren aan de westzijde en een torentje op het kruis. Doch bij de belegering in het jaar 1622 werd het oostelijk gedeelte van dit sierlijke gebouw verwoest, en gedurende de belegering van 1747, toen de stad door de bommen en gloeiende kogels der Franschen geteisterd werd, geraakten kerk en toren in brand, waardoor beide binnen korten tijd geheel vernield werden. Nadat eerst het houtwerk was uitgebrand en alleen het geraamte bleef staan, viel dit later ook in. Uit liefdegaven, in 1749 door het geheele land ingezameld, werd een nieuwe kerk opgebouwd, die in 1752 werd ingewijd, maar op verre na zoo groot en fraai niet is als de vroegere kerk.

Het merkwaardigste gebouw van Bergen-op-Zoom is het Markiezenhof, tegenwoordig [350]de kazerne, in de Steenbergsche straat. Al kan men thans nog gemakkelijk zien, dat dit gebouw een groote architectonische beteekenis moet gehad hebben, maakt het geen diepen indruk meer, behalve op den kunstkenner. Hier resideerden eens de markiezen van het markgraafschap. Het Markiezenhof werd tusschen 1470 en 1480 door heer Jan van Glimes, bijgenaamd “Jan met de lippen”, gebouwd, die het vorstelijk liet inrichten met eigen bierbrouwerij en broodbakkerij op de terreinen. Ook de latere heeren hielden hier verblijf en trokken van het Markiezenhof dikwijls ter jacht in hun gebied. Van het tegenwoordige Beursplein voor de kazerne, vroeger een veel grootere ruimte, met linden beplant, klonken destijds herhaaldelijk de vroolijke tonen des jachthoorns.

Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.

Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.

Het Markiezenhof is inwendig geheel veranderd; alleen de mooie, lange, gerestaureerde voorgevel met zijn kunstig gesmede ijzeren tralies voor de vensters, in onderscheidene trapjesgevels uitloopend en met fraaie boogpoort, geeft nog een denkbeeld van de vroegere pracht van het gebouw in zijn welstand. De hooge, achtkante toren, waarvan op de binnenplaats een gedeelte nog te zien is en die vroeger hoog boven het dak van het gebouw uitstak, van welks platform men een verrukkelijk gezicht had over het schilderachtig terrein der omstreken, werd waarschijnlijk bij het bombardement in 1747 vernield.

Veel belangrijke gebouwen zien wij in Bergen-op-Zoom niet. Van de oude stadspoorten is de Gevangenpoort in het westelijk eind der Lieve-Vrouwestraat nog in wezen, die aan deze straat een schilderachtig voorkomen geeft. Het is een zwaar gebouw, met trapjesgevel in het midden en zijtorens, thans midden in de straat staande, omdat de stad zich sedert zijn bouw naar den kant der Schelde uitbreidde en meer vooruitgeschoven verdedigingsliniën de poort in tweede linie brachten. Die geschiedenis der stadsuitbreiding geeft aan de poort een ethnographische beteekenis. Deze poort verdeelt eigenaardig de bevolking der stad in twee gedeelten, die in afkomst verschillen. Aan den kant der Schelde wonen uit den aard der zaak meest visschers en schippers, die voor het meerendeel Protestanten zijn. Aan dien kant draagt de stad, evenals het geheele landschap, een Hollandsch karakter. [351]

Doch aan de oostzijde der Gevangenpoort mist men vaarten en bruggen en bemerkt men onmiddellijk, op Brabantsch grondgebied te zijn. Hier hebben weinigen iets met de Schelde te maken; hier is men in een landstad, waar de meesten hun bedrijf hebben in handwerken, nering en landbouw. In dit gedeelte is de bevolking voor de meerderheid Katholiek.

Door het Westen van Noord-Brabant en naar Breda.

Wij verlaten het stille stedeke, om Brabant in te trekken.

Naar het noorden kunnen wij den weg kiezen langs Halsteren. Ongeveer midden tusschen Bergen-op-Zoom en Halsteren loopt links een zandweg met eenige bochten naar een tamelijk hoogen heuvel, met kreupelhout begroeid, den Heiberg of Spinolaberg. Een pad voert door het dichte bosch naar boven en van deze hoogte heeft men prachtige vergezichten over het lage polderland.

Op den voorgrond verrijst Tolen, welks zware kerktoren zich plomp opbeurt tegen de blauwe lucht; in het midden ligt Halsteren, waar de gewitte muren der huizen en van den St. Anthoniusmolen met de spits der kerk wedijveren om in dit landschapsbeeld het meest uit te komen. Van zijn kwartier op deze hoogte zou Spinola in 1622 Bergen-op-Zoom met begeerige oogen hebben gadegeslagen, zonder dat het hem evenwel gelukte, de stad te vermeesteren.

Het dorp Halsteren is evenals Bergen-op-Zoom op den rand der hooge zandgronden gelegen. Het is een schilderachtig dorp met een kerk uit de 14e eeuw, een bouw, zooals men slechts weinig in het zuiden van het land aantreft; te Nuland-Geffen vindt men er een in dien geest. Te Halsteren buigt een weg zich af, die door de lage aangeslibde landen en over de Eendracht naar Tolen loopt. Voorbij Halsteren gaat de andere weg in noordelijke richting naar het oude stadje Steenbergen, dat wij reeds vroeger, pag. 196 van dit deel, leerden kennen.

Wij willen in gedachten den weg nog vervolgen naar het oude stadje Zevenbergen. Hoeveel overeenkomst ook het landschap met Holland aanbiedt, te Zevenbergen bemerken wij toch onmiddellijk, dat wij niet in een Hollandsch stadje zijn. De echt Hollandsche zindelijkheid vindt men hier niet meer; de muren der huizen geven daarvan zelfs blijken. Het plaatsje heeft niets merkwaardigs; het is grootendeels uit lage, burgerlijke huizen gebouwd en heeft een verbreeding in het marktplein, dat met iepeboomen is beplant. Thans is het er, buiten den tijd der suikercampagne, benauwend stil.

De suikerfabrieken, die hier goede grondstof vinden, brengen er tijdelijk eenig leven in het najaar. Eens moet Zevenbergen een vrij aanzienlijke handelsstad geweest zijn. Dat was in den tijd vóór de groote overstrooming van noordelijk Noord-Brabant in 1421. Zelfs was hier korten tijd de munt van Holland [352]gevestigd, toen Filips van Bourgondië haar wegens twisten met Dordrecht aan deze stad ontnam. Doch reeds in 1433 werd deze munt te Zevenbergen weder opgeheven en sedert lang ligt het stadje in de stille rust van een vergeten landplaatsje. Het slot, dat zich hier eens verhief, werd reeds in 1427 verwoest en is nooit meer opgebouwd.

Wij zullen ons in dit gedeelte van Noord-Brabant niet langer ophouden. De plaatsjes Dinteloord, Klundert en Willemsstad, het laatste een vesting, welke in 1583 gebouwd is op de toenmalige gors de Ruigenhil en op kosten van prins Willem I werd versterkt, bieden weinig belangrijks aan, dat den wandelaar trekt. Buiten Zevenbergen valt over de vlakte al spoedig naar het oosten van verre de zware, hooge koepel van een kerkgebouw in het oog. Dat is de kerk van het kleine dorpje Zevenbergschenhoek, niet ver van den spoorweg gelegen, een gebouw, zooals niet in zulk een klein dorpje zou verwacht worden. Doch wij moeten bedenken, dat wij in Noord-Brabant zijn, het land der kloosters en kerken bij uitnemendheid, waar zelfs de kleinste plaats offers beschikbaar stelt, om een trotsch godshuis te stichten.


Een andere weg van Bergen-op-Zoom loopt over Wouw naar Rozendaal, voorbij het Volkspark van Bergen-op-Zoom, dat op bescheiden schaal is aangelegd met fraaie waterwerken in een afwisselend terrein. De ruwe keiweg, welken de boeren liefst niet berijden, zoodat hier, evenals bij de meeste keiwegen in Noord-Brabant, de wagensporen ter zijde langs den harden weg loopen, voert door een landschap met afwisseling van graslanden, bouwlanden en bosschen, en op anderhalf uur afstands bereikt men het volkrijke, flinke dorp Wouw, met het ruime, vierkante door een dubbele rij boomen omringde dorpsplein in het midden.

Hoogst belangrijk is te Wouw de Lambertuskerk, een ruime kruiskerk, in 1414 gesticht, die in 1820 in het bezit der Katholieken gekomen is en sedert aanhoudend werd verfraaid. Niet alleen bezit de kerk een sierlijk altaar en preekstoel en fraaie geschilderde ramen, maar het meest munten de banken van het priesterkoor uit, die tot het schoonste houtbeeldwerk van Nederland gerekend worden. Deze prachtige kanunnikgestoelten, tegen elkander langs de wanden van het koor geplaatst, zijn van eikenhout en vervaardigd door kunstenaars als Arthur Quellinus en Willemsens, terwijl de ornamentiek werd gebeeldhouwd door Hendrik Verbruggen Jr. en den beroemden beeldhouwer Bouvart, naar wiens plannen het geheel werd bewerkt. Deze gestoelten zijn afkomstig van het St. Bernhardklooster te Antwerpen, waarvoor zij waren vervaardigd [353]en van de voormalige abdij aan de Schelde werden zij omstreeks 1830 hierheen gebracht. Behalve de koorbanken zijn ook de biechtstoelen met merkwaardig beeldhouwwerk versierd, waarvan wij alleen wijzen op den lezenden monnik met het getijboek in de hand.

Eenige minuten ten N.W. van het dorp vindt men nog enkele sporen van het vroegere kasteel van Wouw, waar de heeren van Bergen-op-Zoom veel verblijf hielden gedurende den zomer en waar Desiderius Erasmus, op verzoek en in tegenwoordigheid van den Heer van Bergen en vele aanzienlijken, een mondgesprek hield met Hendrik Cornelis Agrippe over de zoogenaamde magische of tooverkunsten, welker bedriegelijkheid Erasmus met kracht van redenen trachtte aan te toonen. (Zie de fig. pag. 340).

Priesterkoor der kerk te Wouw.

Priesterkoor der kerk te Wouw.

Op ruim een uur afstands, ten zuiden van Wouw, ligt de bekende Wouwsche-Plantage. In de eerste helft der 19e eeuw was dit slechts een uitgestrekt dennenbosch, behoorende tot het Rijks-domein. In 1839 werd het bosch verkocht aan den heer J. P. J. Caters, en vervolgens werd er in 1845, nevens het oude jachthuis een deftig heerenhuis gebouwd, terwijl de boschcultuur werd aangewend, om de streek te verfraaien. Daardoor is dit een der bekoorlijkste plekjes van Noord-Brabant geworden. Schoone beukenlanen loopen door de bosschen en boschjes en een rijkdom van houtsoorten geeft alle schakeeringen van groen, geel en bruin aan het landschap.

Voornamelijk het centrum der Plantage vormt een schilderachtig plekje, waar een romantisch gebouwd dorpje met pittoreske huizen verrijst, alsof zij uit de schoonste Zwitsersche valleien naar hier verplaatst waren. Daar ziet men het heerenhuis met zijn torentjes, geheel door riet gedekt, en rondom staan een zestal [354]huizen en boerderijen, opgetrokken van hout en steen, bekleed met boomschors, met halve, knoestige stammen, met mos en kleurige tegels versierd, de woningen omslingerd door wilden wingerd en rozen. De Wouwsche Plantage is een lustoord, waar men boschlucht kan genieten, heuvelen bestijgen en door dalen wandelen; niet ten onrechte wordt de naam “Petite Suisse” hieraan gegeven.

Een voordeel is het, dat men in Klein-Zwitserland nog niet zooveel Engelschen aantreft, als in het eigenlijk Zwitserland.


Langs een rechten, eentonigen keiweg bereiken wij Rozendaal, het kruispunt der spoorwegen. Twee internationale lijnen snijden hier elkander: die, welke van Vlissingen over Bokstel en Wesel de kortste verbinding met Duitschland geeft, en de lijn Amsterdam—Rotterdam—België—Parijs. Daardoor is het station een druk, internationaal ontmoetingspunt, waar alle talen gesproken worden.

Marktplein te Rozendaal.

Marktplein te Rozendaal.

De naam Rozendaal zou allicht groote verwachtingen wekken omtrent het landelijk natuurschoon dezer plaats; wie Rozendaal bezoekt, zal zich echter teleurgesteld zien. Het is een eenvoudig, stedelijk gebouwd vlek, de huizen langs eenige straten gebouwd, met meest burgerlijke, flinke woningen, en een ruime marktstraat. Rozendaal heeft gedurende korten tijd nog stadsrechten bezeten. In 1809 werd onder koning Lodewijk Napoleon, die meer plaatsen op deze wijze begunstigde, Rozendaal tot stad verheven, maar in 1814 werd het weder tot een plattelandsplaats teruggebracht. Merkwaardige gebouwen zoekt men hier tevergeefs; de kerken hebben niets, waardoor zij boven andere dorpskerken uitmunten, en rozen vindt men er niet meer dan elders. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat deze plek eertijds een woest dal vormde langs de beekjes, die hier uit het zuiden komen, met distels en wilde rozen begroeid, waaraan zij haar naam ontleende. De nederzetting op deze plek kwam tot uitbreiding, toen de Steenbergsche Vliet tot deze plaats bevaarbaar gemaakt werd in 1451, en Rozendaal daardoor een haven kreeg, welke voor den handel op [355]Holland aan den eenen kant en de zuidelijke streken aan den anderen kant van eenige beteekenis was. Meermalen slibden echter die haven en het kanaal dicht, zoodat zij in 1792 en 1823 opnieuw moesten worden opgegraven en verdiept. Doch bovenal ging Rozendaal vooruit, toen den 26en Juni 1854 de spoorweg naar Antwerpen geopend werd, waardoor het een schakel werd in het internationaal verkeer. Sedert heeft de plaats zich sterk uitgebreid en terwijl zij vroeger tot Nispen behoorde, is zij het moederdorp ver boven het hoofd gegroeid. Tal van fabrieken vindt men er, vooral suikerfabrieken, verder looierijen, een stijfselfabriek en bierbrouwerijen. De expeditie is er levendig.

Keutelstraatje te Rozendaal.

Keutelstraatje te Rozendaal.

De omstreken van Rozendaal bieden wel geen buitengewone aantrekkelijkheden, maar toch vindt men er menig plekje met intiem natuurschoon, dat men niet kan beschrijven, doch moet gevoelen onder den indruk der waarneming op het juiste moment.

Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.

Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.


De kortste weg van Rozendaal naar [356]Breda loopt rechtuit naar het oosten over Etten en Prinsenhage. Wij willen met ons stalen paard een omweg maken, om den harden keiweg te vermijden, en tevens een bezoek te brengen aan Oudenbosch, teneinde van hier te Etten den hoofdweg weder te bereiken.

Kerk te Oudenbosch.

Kerk te Oudenbosch.

Zoo rijden wij naar het noorden over het dorp Oud-Gastel, een hoofdzakelijk in de lengte langs den weg gebouwd, flink boerendorp, en voorbij deze plaats ons oostwaarts wendend, naderen wij Oudenbosch. Wanneer wij het gedeelte van westelijk Noord-Brabant, dat wij thans hebben doorgetrokken, overzien en vergelijken met het oosten dezer provincie, dan maakt dit een veel beteren indruk. In het westen vindt men over ’t geheel de boerenbedrijven grooter dan in het oosten; de grond is er vruchtbaarder, gedeeltelijk klei of zavelgrond, en de boerenstand is er welvarender. Rijke boeren vindt men in het westen niet zelden. Maar toch blijft de levensstandaard er uiterst eenvoudig en zuinig. De boerenhuizen hebben er alle wel een flinker, netter voorkomen dan in het oosten, maar niet zelden is de boer even spaarzaam of zoo mogelijk nog spaarzamer. De huisnijverheid, de handweverij, welke in vroeger tijden in het oosten zoo levendig was, vond men hier niet; het landbouwgewest was er rijker en maakte niet noodig, dit hulpmiddel van bestaan uit te oefenen. Daardoor heeft zich het fabriekwezen niet in dien zin ontwikkeld. En waar in de laatste helft der negentiende eeuw hier fabrieken verrezen, waren het meestal die, welke met de produkten van den landbouw in verband stonden, zooals suikerfabrieken.

Naarmate wij Oudenbosch naderen, wordt de weg schaduwrijker en wij zien spoedig, dat hier de boomkweekerij een groote beteekenis heeft erlangd. Vooral aan den zuid-, oost- en noordkant is Oudenbosch door een breeden krans van boomkweekerijen halverwege ingesloten, die aan de omstreken der plaats een vriendelijk, frisch voorkomen geven. Toch is de boomkweekerij hier van betrekkelijk [357]jongen datum; een der oude kweekers verzekerde ons, dat zij voor ongeveer een eeuw hier was opgekomen, eerst op kleine schaal; toen de bodem er uitstekend geschikt voor bleek, was zij uitgebreid. Het voorbeeld is gevolgd, en zoo werd in Oudenbosch de boomkweekerij een levendig bedrijf, dat veel levert aan het buitenland. Daarnaast wordt hier ook de suikerfabrikage uitgeoefend.

Oudenbosch is een vriendelijke, nette plaats, met een stedelijk uiterlijk, van een breede hoofdstraat doorsneden, met 5000 inwoners. Van verre naderend, maakt zij zelfs een grootsteedschen indruk door de hooge koepels en torens der kerken, die zoo statig oprijzen boven de nederige huizen, en zoo komt men onder den indruk, hier een trotsche kerkenstad te betreden. De kerken en geestelijke stichtingen der plaats trekken dan ook in de eerste plaats de aandacht van den bezoeker. De R. K. Agathakerk met haar hoogen koepel en trotschen voorgevel, is gebouwd naar het voorbeeld van de St. Pieterskerk te Rome en zou een groote stad niet onwaardig zijn. De kerk is 82 M. lang, 26 M. breed, en bestemd voor 28 altaren met 12 koepels. Zij is veel te groot voor de plaats en kan nauwelijks voor de helft door de kerkgangers gevuld worden.

Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.

Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.

Schuin tegenover de kerk vindt men de gebouwen van het pensionaat St. Louis, een jongeheerenkostschool, die door fraters wordt bestuurd. Langs de straat heeft deze inrichting geen aanzienlijk uiterlijk; hier vindt men enkel de oude gebouwen, waarin voor een zestigtal jaren ongeveer de inrichting geopend werd, die zich tot een buitengewonen bloei heeft verheven. Sedert is de stichting hoe langer hoe meer uitgebreid met flinke gebouwen voor onderwijs en den godsdienst. Het pensionaat heeft een eigen kapel, wel kleiner dan de St. Agathakerk, maar naar hetzelfde model gebouwd en door de omgeving nog trotscher en dieper [358]indruk makend. Deze inrichting van onderwijs hebben wij met groote ingenomenheid leeren kennen, getroffen door de milde opvatting, waarmede men hier in alle opzichten voorziet in de hulpmiddelen der opvoeding.

Wij zullen het klooster tot opleiding der Jezuïeten te Oudenbosch niet bezoeken en evenmin de openbare gebouwen. Uit het verre verleden biedt Oudenbosch niets merkwaardigs aan. Toch was de plaats al vroeg van beteekenis. Sedert 1421 had van hier een gewone overvaart tusschen Holland en Brabant plaats, maar door het aanslibben der gronden en door het bedijken van den polder Stand-daar-buiten werd Oudenbosch meer afgesloten van het water en was het veer zoo moeielijk geworden, dat de Staten het in 1500 moesten verleggen naar een andere plaats.

Vroeger kasteel te Etten.

Vroeger kasteel te Etten.

Langs de lijn van den stoomtram verlaten wij Oudenbosch. Tot Breda blijft het landschap in hoofdtrekken hetzelfde karakter behouden. Een vlak terrein, de gronden meest als bouwland in gebruik genomen, het land verdeeld in kleine, onregelmatige stukken, elk stuk lands door een haag van akkermaalshout ingesloten, de kleine, lage boerenwoningen met rieten daken hier en daar langs de oude wegen gegroepeerd, zoo is het overal.

Het eerste dorp, dat wij passeeren, is het fraaie, stille dorp Hoeven met zijn schilderachtig gelegen seminarie. Vervolgens komen wij te Etten, een flinke, [359]nette nederzetting, meest langs de breede dorpstraat gebouwd, die aan beide zijden door dubbele rijen linden wordt overschaduwd.

Dit dorp is een der oudste nederzettingen in deze gewesten. Het zou in de Salische wetten reeds genoemd zijn als een der maalsteden of vergaderplaatsen der Franken in de 5e eeuw en voerde later den naam van “vrijheid”, hoewel het geen hoog gerecht had en behoorde tot het Land-van-Breda. Het kasteel van Etten, “Houte” geheeten, bestond tot 1815. Wij geven daarvan een afbeelding op de vorige bladzijde.

Na het verlaten van Etten zien wij links van verre weldra den spitsen toren van het nette Leur zich verheffen, een dorp, hetwelk er trotsch op is, dat Adriaan van Bergen, de turfschipper, die in 1590 zoo krachtig medewerkte, om Breda te verrassen, hier geboren zou zijn of er althans gewoond heeft. Op den tijd, dat wij dit schrijven, is men ijverig in de weer, om een herinneringsteeken voor den kloeken, Staatsgezinden turfschipper op te richten.

Vervolgens bereiken wij weldra het Liesbosch met zijn mooie boschpartijen en woeste bosschages, dat jaarlijks duizenden lokt, om er te vertoeven in de vrije natuur. Hiermede zijn wij aangekomen in de bezoeksfeer van Breda, want gewoonlijk brengt men van Breda uit een bezoek aan het Liesbosch. Wij, wandelaars of trekkers door het geheele land, volgen niet steeds de gewone routes of gaan niet altijd uit van de centra van het drukke verkeer. Toch willen wij het Liesbosch brengen in den kring van Breda.

[Inhoud]

Breda en Omstreken.

I. Het Liesbosch en Prinsenhage.

Het Liesbosch is een statig bosch van meest opgaand eiken- en sparrengeboomte, dat zijn naam dankt aan het dorpje “Lies”, iets zuidelijker gelegen. Regelmatig wordt het van rechthoekig elkander kruisende lanen doorsneden, terwijl tusschendoor enkele boschpaden kronkelen. Een der lanen, de Torendreef, dankt haar naam hieraan, dat zij recht op den toren van Breda uitziet. Hoewel regelmatig aangelegd, heeft het Liesbosch veel bekoorlijks door zijn frisch karakter, zijn rustig geheel, nog niet voortdurend platgetreden door bezoekers; op vele plaatsen laat men de natuur vrij in haar scheppingen. Vooral in Mei en Juni, als de rijkdom aan gevleugde boschbewoners hier hoogtij viert in ’t jeugdig groen, lokt het Liesbosch bij vroegen morgen en laten avond als een feestzaal der natuur, die kracht tot nieuw leven schenkt.

In ’t blonde bosch, in ’t groene bosch

Vol wiegelende, wuivende ranken,

Vol vluchtige schaduw en biegegons [360]

En weemlende vonken op stammenbrons

En pluimige varens en mossendons,

Zwol ’t hart mij van jublende klanken.

In ’t blonde bosch, in ’t groene bosch,

Waar speelzieke windekens zweven,

Is ’t harte opnieuw mij opengegaan…

’k Zag alles in lentezonneglans staan,

En ’t lentezonnetje lachte mij aan:

Nieuw groen, nieuwe bloemen, nieuw leven!

Marie Boddaert.

Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.

Boschwachterswoning in het “Liesbosch” te Prinsenhage.

In het midden van het bosch ongeveer staat de boschwachterswoning, een eenvoudige, landelijke, maar goede uitspanning. Verderop ligt het Jachthuis. Dit gebouw roept herinneringen wakker aan Prins Willem III, die hier gaarne vertoefde voor de jacht op de herten, welke door de Heeren van Breda in het bosch werden onderhouden, maar die na den dood van Willem III verdwenen. Het tegenwoordig gebouw is als zoodanig in 1843 gebouwd door Prins Frederik der Nederlanden, doch staat na diens dood zonder doel. In de nabijheid liggen de vijver en de zoogenaamde Doolhof, een tuin met sterk kronkelende paden.

Het 200 H.A. groote Liesbosch is een aangename zomerverblijfplaats. Goede hôtels vindt men hier langs den weg, die den natuurzoekenden een degelijk verblijf aanbieden, in voldoend aantal. Het bosch treft niet zoozeer door indrukwekkende verrassingen als wel door liefelijkheid, rust en goede lucht, welke indruk door een langer verblijf eerst zeker wordt. Dit zijn eigenschappen van het geheele Brabantsche landschap: men moet er vertrouwd mede zijn, om het lief te hebben.

Wij vervolgen den weg en bereiken het dorp Prinsenhage, ook wel ’s Princenhage genoemd, in ouden tijd als Mertensheim en Matersem bekend. Het is een groot dorp met een ruime markt en heeft door zijn fraai geboomte een vriendelijk [361]aanzien. De villa’s in de nabijheid, enkele tot buitens uitgebreid, de welige bouwakkers, die het dorp omsluiten, geven het geheel een landelijk, aangenaam karakter. Bovenal wordt het dorp veel bezocht en ook bewoond, omdat het Liesbosch in zijn nabijheid ligt.

De oudheidkundige wandelaar zal hier weinig belangrijks ontdekken. Prinsenhage heeft geen oude gebouwen, om op te roemen, en de bewoners zijn om Breda, meer dan ergens elders in de baronie, door de vele vreemdelingen gemoderniseerd. Prinsenhage, Breda en Ginneken hebben ten deele het Noord-Brabantsche kleed reeds afgelegd. Wij betreuren het, dat die oorspronkelijke plekjes, waar men zich kan terugtrekken van het woelige leven, die zichzelf gebleven zijn trots het stormen der tijden, voortdurend minder worden. Waar zullen onze kinderen en kindskinderen nog uitrusten van de vermoeienissen dezer meer en meer overprikkelende maatschappij? Of zal die maatschappij zelf dan hebben uitgediend, en zal de rustige sluier van tevredenheid, van rust, van kalmte, zich over de geheele menschheid hebben uitgebreid, om allen te doen zijn als vredelievende broeders in één gezin?

Wij zullen ons niet verder in de philosophische oplossing van het sociale vraagstuk verdiepen, niet gaan phantaseeren over de eeuw van broederschap en gelijkheid, niet de vraag bespreken, of die door sociaal-economen of door predikers in den tempel zal worden of wordt voorbereid. Wij zien nog even rond door het dorp, bezien de prachtige Katholieke kerk, ook den antieken predikstoel der Protestantsche kerk, slaan een blik op de fraaie hardsteenen zuil, die door de gemeentenaren op de markt geplaatst werd ter herinnering aan de troonsbestijging aan H.M. Koningin Wilhelmina, en wandelen of rijden verder naar Breda.

Deze weg, vroeger door een dubbele rij lommerrijke boomen als een der mooiste Brabantsche wegen geroemd, is door zijn bebouwing met kleine huisjes minder mooi dan in vroeger tijden. Hoewel enkele villatjes aan den weg verrijzen, heeft men hier toch op de meeste plaatsen nog een vrij uitzicht over het Brabantsch landschap. Een fabriek tot verduurzaming van fruit en groenten en tot fabricage van jams wijst er op, dat Prinsenhage een gebied is, waar de fruit- en groententeelt met ijver gedreven wordt. Zoo bereiken wij spoedig de moderne en tegelijk oude stad Breda.

II. De Stad Breda.

Breda, hoewel niet de hoofdstad, is ongetwijfeld voor vreemdelingen de meest aantrekkelijke en ook de meest bezochte stad van Noord-Brabant. Evenals Haarlem en Den Haag in Holland, Arnhem, Nijmegen en Apeldoorn in Gelderland centrale punten zijn, waar het vreemdelingenverkeer zich op richt, is Breda dit in [362]het zuiden. Niet alleen vormt Breda met zijn omstreken een oord, waar men gaarne enkele dagen doorbrengt, maar tevens kiezen velen hier of in den omtrek voor goed hun woonplaats, als de moeitevolle levenstaak is volbracht, en men in de Brabantsche lucht een welverdiende rust hoopt te smaken.

Daardoor is Breda sedert tal van jaren van een Noord-Brabantsche stad in een nationale nederzetting veranderd, waar bewoners, afkomstig uit schier alle provinciën van Nederland, zich hebben gevestigd, hetzij tijdelijk of voor goed. Als men de resultaten der volkstelling nagaat, blijkt het, dat in geen andere plaats van Noord-Brabant zoovelen wonen, die uit andere provinciën geboortig zijn, als hier. Door die samenstrooming van bewoners uit alle oorden is de toeneming der bevolking dan ook zeer aanzienlijk, zonder dat de nijverheid of andere nieuwe en zich uitbreidende bronnen van bestaan daarvan de oorzaak waren. Het aantal bewoners der gemeente Breda is daardoor van 8200 in 1796, tot 14700 in 1850 en tot 26000 in 1900 toegenomen. Doch deze cijfers geven geenszins de werkelijke toeneming van de bevolking der nederzetting aan, want de gemeente Breda heeft nauwe grenzen en buiten het gemeentegebied heeft de toenemende bevolking zich gevestigd in de gemeenten Teteringen, Ginneken en Prinsenhage, zoodat de aansluitende stadsgedeelten niet tot één gemeente behooren.

Al spoedig kan men bij het doorwandelen van Breda dan ook bemerken, dat er twee stadsgedeelten te onderscheiden zijn: de oude stad, met een karakteristiek, grootendeels Brabantsch uiterlijk, en een nieuwe stad, met karakterloozen bouw als overal, die door modernen aanleg en nieuwe huizen het oude Breda omgordt aan schier alle zijden, en zich bovenal met een lange, aaneensluitende straat naar Ginneken uitbreidt, terwijl evenwijdig daarmede een nieuwe boulevard naar het Mastbosch in aanbouw is.

De oude stad vormt een centraal gedeelte, in bijna cirkelvormige gedaante gebouwd, zooals de meeste oude vestingen; de nieuwe stad vormt stadsgedeelten van onregelmatige gedaante, zich nu hier, dan daar meer uitbreidend, al naar de omstandigheden dit bevorderen.

Breda heeft zijn ontstaan te danken aan de samenkomst van Mark en Weerijs, die, hier vereenigd, een breeder water vormen, dat misschien oudtijds breede Aa genoemd werd, en den naam gegeven heeft aan de nederzetting, welke hier ontstond als locaal handelscentrum. Het water beneden dit punt van vereeniging, de Mark, gaf gemeenschap met de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche wateren en tot Breda kon men er goed opvaren, terwijl hoogerop het verkeer per as moest plaats hebben. Zoo vormde deze plek een overgang van het verkeer te water tot dat te land en omgekeerd, een doorgangsplaats, en de bedrijvigheid, hierdoor ontstaan, alsmede het samenkomen der wegen, leverde voordeelen, welke hier al vroeg een stad deden opbloeien. Het kasteel, dat in den tijd der Noormannen [363]tusschen 840–845 door de Denen hier gebouwd zou zijn, vormde een bescherming der bewoners, welke er zich gevestigd hadden, en men meent, dat reeds in 888 Breda een stad zou zijn geworden, doordien Witger IV, de zevende graaf van Strijen, het kasteel en de huizen door een muur omringde. Ofschoon hieromtrent geen voldoende zekerheid bestaat, kan men wel als zeker aannemen, dat in 1252 Breda stadsrechten verkreeg.

Jan van Polanen, Heer van de Lek, werd in 1350 door koop eigenaar van het Land-van-Breda en begon de stad met hooge muren te omringen, welk werk eerst in 1410 werd voltrokken en waardoor de stad een bijna ronde gedaante verkreeg. Het toen ingesloten gedeelte vormt nog de eigenlijke binnenstad, een naam, die er voor bewaard bleef. Doch de toenemende burgerij kon weldra geen voldoende plaats vinden binnen deze muren; er ontstonden om de stad kleine voorsteden, en in 1531 werd, door toedoen van Hendrik van Nassau, besloten, de versterkingen uit te breiden. De nieuwe wal was in 1536 gereed, waarna de oude versterkingen werden afgebroken. De vestingwerken werden telkens nog gewijzigd; in 1578 werden onder Prins Willem I in plaats van ronde torens bolwerken aangelegd en onder Prins Willem III werd Breda door den beroemden vestingbouwkundige Menno van Coehoorn van nieuwe wallen en versterkingen op staatskosten voorzien. Zoo verkreeg de stad de gedaante, die zij in het eerste gedeelte der 19e eeuw nog bezat. In 1865 werden de verdedigingswerken nog hersteld, doch na den aanleg der Staatsspoorwegen is Breda als vesting opgeheven en in plaats daarvan werd de stad met vriendelijke singels omringd.

Al is Breda geen vesting meer, toch is het door en door een militaire stad gebleven. Dit karakter heeft zij naast het garnizoen te danken aan de Militaire Akademie, waar reeds honderden officieren van het Nederlandsche leger hun opleiding ontvingen en van wie velen, na het erlangen van het otium, wederkeeren in deze streek, om in de herinnering aan het vroolijk verleden daar hun levensavond door te brengen. Breda toch is een aangename plaats, waar de blijmoedige zin der burgers in overeenstemming is met den levenslust der jeugd, en daardoor heerscht er steeds een goede verstandhouding tusschen burgers en militairen.


Het aanzienlijkste gebouw van het oude Breda was het kasteel, aan de noordzijde der stad gelegen, naast de rivier de Mark. Het oude slot, dat hier in het Reigerbosch gestaan had, werd in 1350 door Jan van Polanen door een nieuw vervangen. Ook dit kasteel bestaat niet meer. Doch het kasteel, met welks bouw Hendrik van Nassau in 1556 een aanvang maakte en dat eerst onder Prins Willem III voltooid werd, vindt men er tegenwoordig nog.

Dat kasteel werd bewoond door de heeren van Breda.

Breda toch was vanouds een heerlijkheid, die, gelijk wij zeiden, in 1403 aan [364]het stamhuis der graven van Nassau uit de Lahn gouw kwam, welk geslacht zich weldra tot de vermogendste familie der Nederlanden verhief. De graven van Nassau, die in het Land-van-Breda den titel van baronnen voerden, zijn geweest: Engelbert, Hendrik, Reinier of René, Willem (de Zwijger), Filips Willem, Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem Karel Hendrik Friso, Willem IV en Willem V. Bij de omwenteling van 1795 kwam de baronie van Breda bij ’s lands domeinen, doch de wet van 26 Mei 1816 bepaalde, dat de goederen en de rentambten van Breda, Niervaart, Oosterhout, Steenbergen, Zevenbergen en de Zwaluwe in eigendom moesten komen van Prins Frederik der Nederlanden, om die voor zich en zijn wettige mannelijke nakomelingen te bezitten. Thans zijn die eigendommen aan den Staat gekomen.

Koninklijke Militaire Akademie te Breda.

Koninklijke Militaire Akademie te Breda.

Het kasteel van Breda werd in 1795, toen men over de particuliere bezittingen van het Huis van Oranje willekeurig beschikte, tijdelijk gebruikt tot een verblijfplaats voor zieke en krijgsgevangen soldaten, vervolgens tot een hospitaal, terwijl de kostbare sieraden van het kasteel—en daaronder waren prachtige tapijten, met goud en zijde doorweven, waarop men graven en gravinnen van Nassau levensgroot te paard zag afgebeeld—publiek werden verkocht. Na de herstelling onzer onafhankelijkheid besloot Koning Willem I dit gebouw te bestemmen voor een militaire akademie. Als zoodanig werd het den 24en Nov. 1828 ingewijd. Het 75-jarig bestaan dezer inrichting werd in 1903 met veel feestelijkheid gevierd. [365]

Als men Breda van het station binnenkomt, voert de kortste weg langs de Willemsstraat, een nieuw stadsgedeelte, door het Valkenberg. Het Valkenberg was eens de oude slottuin; tegenwoordig is het eigendom van de gemeente. Het vormt een vriendelijk plantsoen, dat nieuw is aangelegd en met zijn vijver en fontein, zijn rustieke brug, zijn schoone bloem- en grasperken en trotsch geboomte een aangenamen indruk maakt bij het binnentreden der stad.

Het Valkenberg heeft zijn naam verkregen naar een bewaarplaats der valken en andere gedierten, die hier bewaard werden in den tijd, toen de valken voor de jacht werden gebruikt. Langs een fraaie brug, die in 1807 is afgebroken, kwam men over de gracht van dit voorplein in den hof tuin. Graaf Hendrik van Nassau deed deze warande, volgens den smaak van dien tijd, tot regelmatige bloem- en grasperken, met beelden versierd, vervormen, en onder Prins Willem V werd zij opnieuw aangelegd met afwisselende slingerpaden, beplant met onderscheidene soorten van heesters. Van het geboomte uit dien tijd is nog een gedeelte overgebleven in het tegenwoordige park.

Van het Valkenberg komen wij in de Katharinastraat en op korten afstand staan wij voor het kasteelplein, vanwaar een brug toegang geeft tot de Militaire Akademie, het voormalig kasteel. Al heeft het kasteel zijn uiterlijke gedaante hoofdzakelijk bewaard, in het inwendige herinnert weinig meer aan de pracht, waarmede het schitterde, toen het door de Oranje-vorsten bewoond werd en gasten als Karel V, de Hertog van Alva, Isabella en Karel II van Engeland (als balling) hier werden ontvangen.

Door een voorpoort met flink ijzeren hek komt men op een groote plaats, eertijds met lindeboomen beplant, en ter linkerzijde verrijst het binnenkasteel of hoofdgebouw. De gracht, die het vroeger omringde, is bij de laatste verbouwing gedempt.

Het hoofdgebouw vormt een regelmatig vierkant, met een ruim, open plein in het midden, dat de vier vleugels van elkander scheidt. Het heeft, behalve de kelders, de hoogte van drie verdiepingen, die in een menigte kamers zijn verdeeld. Het plein of de binnenplaats is aan drie zijden door een open galerij omringd, op welker pilaren een aantal Romeinsche keizers en voorname mannen der oudheid zijn afgebeeld. Vroeger had de achtervleugel van het gebouw een driedubbele galerij, welke van achteren door een muur gesloten was en waarvoor een trap van arduinsteen, troonsgewijze overdekt met een verhemelte, dat op onderscheidene pilaren van Dorische bouworde rustte, naar den hoofdingang leidde. Langs deze trap kwam men in een groote, gekoepelde zaal, op pilaren gevestigd, die de geheele rechterzijde van het gebouw besloeg. Thans is de galerij in den achtervleugel tot eetzaal ingericht; de trap is geheel weggenomen en de gekoepelde zaal, door een zoldering in tweeën gescheiden, dient tot zaal voor uitspanning en slaapzaal. In de amusementszaal vindt men [366]portretten van het Vorstelijk Huis en een van Héraugières, den dapperen aanvoerder der soldaten in het turfschip, een verzameling wapenen en wapenrustingen uit alle tijden, een collectie Indische wapenen enz.

Tusschen twee lage torens, den Grenaat- en den Duivetoren, ligt het bekende “Spanjaardsgat”, de overblijfselen van de Waterpoort, waar in 1520 het turfschip met de dappere soldaten werd doorgelaten, die een aanslag op het kasteel zouden wagen. Lulofs bezong deze gebeurtenis, naar aanleiding van een Latijnsch vers woordspelende:

Niet te onrecht zal verbaasd de vreemde op Holland wijzen,

Ziet hij, hoe ’t eigen grond tot vuur en brandstof bruikt,

Maar meer verbaasd zal nog de vreemdling Holland prijzen,

Ziet hij, hoe ’t met dien grond de macht des vijands fnuikt.

De stoutmoedige aanslag op het kasteel geleek veel op roekeloosheid. Toen het turfschip, dat het kasteel van de noodige brandstof voor den winter zou voorzien, des avonds laat binnen was gekomen en de handige turfschipper Adriaan van Bergen het lossen wist te doen eindigen en door een goed drinkgeld de bezetting na een stevigen dronk in een vasten slaap lag, was de groote onderneming voorbereid, waardoor het slot werd verrast.

Gezicht op het Spanjaardsgat.

Gezicht op het Spanjaardsgat.

Toen het slot aldus in handen der onzen was gevallen, kwam ook de stad aan de Staten. Hoewel Breda in 1625 zich weder moest overgeven aan de Spanjaarden, wist Frederik Hendrik het in 1637 te heroveren, en sedert bleven het kasteel en de stad aan het Noorden verbonden.


Wij gaan thans de oude stad nader bezien.

Het belangrijkste gebouw van Breda is de Groote kerk met haar toren, die [367]aan de Groote markt verrijst. Het jaartal van den bouw der kerk weet men niet met zekerheid, doch waarschijnlijk kan men dit omstreeks 1388 stellen. Deze kerk was eerst aan de H. Barbara, de patrones der stad, gewijd, later aan de H. Maagd, waarnaar zij “Lieve Vrouwekerk” werd genoemd. Zij was niet alleen de stadsparochiekerk, maar tevens een collegiale kerk, waarin een kapittel van twaalf kanunniken benevens een Deken was gesticht. Toen na de laatste verovering van Breda door Frederik Hendrik, in 1637, deze kerk overging tot de Hervormden, is het kapittel vernietigd en zijn de daarbij behoorende goederen bij de domeinen van den Prins ingelijfd, om ze te doen strekken tot onderhoud van predikanten, enz.

De kerk is een prachtig Gothisch gebouw, 77 M. lang, in transept en koor 39 M. breed en het schip 22 M. Het ruim der kerk was omringd door 14 kapellen, waarin, benevens het ruim der kerk, vóór den overgang tot de Hervormden, 55 altaren stonden met rijke inkomsten tot onderhoud.

Het inwendige der kerk vertoont nog de lijnen van den schoonen bouw, maar de vroegere rijkdom en schoonheid zijn verdwenen. De muurschilderingen van het gewelf en de wanden, de eerste in 1537 door den schilder Yaiant vervaardigd, zijn onder witkalk verborgen. In den laatsten tijd werden van de muurschilderingen weer vele aan het licht gebracht en zij trekken in steeds klimmende mate de aandacht der kunstbewonderaars. De eerst ontdekte groote voorstelling van de “Blijde Boodschap”, op den buitenmuur van het noordelijk transcept, is onder leiding van Dr. P. J. H. Cuypers door kunstschilders gerestaureerd. Nauwgezet heeft men het oude behouden, zooals het zich voordeed, zonder eenige retouche of bijwerking. Alleen door aanvulling van scheurtjes en schilfers en het fixeeren van losse gedeelten in de kleur der omgeving is men er in geslaagd, het tableau weder tot een geheel te brengen. In de bijgewerkte omgeving maakt de schilderij een treffenden indruk en bekoort zij in hooge mate door haar eigenaardige conceptie, de sobere kleuren en de rust van het geheel.

Behalve dit schoone fresco is later nog een schildering ontdekt aan een der pilaren van het koor, die, nu verder ontbloot van de dikke kalklagen, een zeldzaam fraai geschilderde voorstelling doet zien van den Apostel Jacobus. De halve omtrek van den ronden pilaar is van boven de koorbanken tot aan het kapiteel beschilderd met buitengewoon mooie kleuren.

Bij de bezichtiging der kerk wijden wij onze aandacht aan het fraaie koperen koorhek, in 1412 door Graaf Engelbrecht I geschonken. De prachtige, hoewel erg geschonden doopvont is door Jos. de Backer, uit Antwerpen, in 1540 gegoten. Verder ziet men er fraaie grafzerken, waaronder eene, van koper vervaardigd, een zeldzaam produkt van oude kunst, hoewel zeer beschadigd, waarvan een gipsafgietsel in het Rijks-Museum te Amsterdam gevonden wordt. [368]

De belangrijkste monumenten der kerk zijn de graftomben. Die van Jan van Polanen en zijn beide vrouwen en van Jan II zijn zeer geschonden. De tombe van Engelbrecht I, den graaf zelf met zijn gemalin, Johanna van Polanen, en zijn zoon Jan met diens gemalin, Maria van Loon, voorstellende, knielende voor de H. Maagd en het kind Jezus, werd op last van en voor rekening van Koning Willem III gerestaureerd.

Daar tegenover is de kapel der H. Maagd of het koor der heeren van Breda. Hendrik van Nassau liet hier ter eere van zijn oom en weldoener, Graaf Engelbert II, overl. 1504, en van diens gemalin, Limburg van Baden, een graftombe plaatsen, die groote beroemdheid heeft. Men wil, dat de vermaarde Italiaansche kunstenaar Michael Angelo die zou vervaardigd hebben; anderen noemen echter Bolonius. De Graaf en zijn gade liggen op een verheven zerk van toetssteen en daarboven vindt men een zware tafel van denzelfden steen, gedragen door vier mansbeelden van albast of van Oostersch, doorschijnend marmer. Van deze vier figuren, op een knie liggende, stellen twee C. Julius Caesar en M. Attilius Regulus voor, terwijl de beide andere figuren waarschijnlijk twee Grieken zijn, vermoedelijk Miltiades en Themistocles; anderen spreken van Hannibal en Alexander den Groote. Op genoemde tafel ligt in marmer gebeiteld het wapentuig van den Graaf.

Groote Markt te Breda.

Groote Markt te Breda.

Voor niet langen tijd kwam nog een oud grafmonument in deze kerk aan het licht bij het wegbreken van een houten vloer. Dit grafmonument, dat niet geheel onbekend was, maar nu weer te voorschijn kwam, is geplaatst in een speciaal daarvoor gemaakte, geprofileerde nis, welke segmentvormig is afgedekt, in het midden 2,98 M. hoog. Deze nis bevindt zich onder het in den buitenmuur aangebrachte lichtvenster. Aan den bouwtrant van nis en monument is het te zien, dat beide uit de tweede helft der 15e eeuw dagteekenen, en verder blijkt, dat de nis niet bij den bouw der kerk, maar later werd aangebracht. In de nis nu zien wij het monument, bestaande uit een sarcophaag met een daarachter geplaatste tombe. [369]

Op den deksteen der sarcophaag, die 2,05 M. lang en 0,54 M. breed is, bevindt zich in liggende houding een mansbeeld, lang 1,75 M., dat met den ondersteen één geheel uitmaakt. Het beeld stelt een op den rug liggenden doode voor, uitgestrekt op een gevlochten mat, waar overheen een dunne doek of lijkwade; het hoofd rust op de nog gedeeltelijk opgerolde mat, terwijl voorhoofd en haren bedekt zijn met een doek, die van achteren is dichtgeknoopt. De lijkwade bedekt gedeeltelijk den linkerschouder en de lendenen. De onderbeenen van het beeld zijn verdwenen; het geheele monument is deerlijk geschonden en de beeldengroepen uit de nissen zijn verdwenen. Niet zooals bij de meeste grafmonumenten zijn de handen gevouwen of omhoog gericht, doch de rechterarm ligt gestrekt langs het lichaam en de linker over het dijbeen plat neer.

Men heeft er naar gezocht, wie hier begraven kon zijn? Enkelen dachten aan den bouwmeester der kerk; Jhr. de Stuers veronderstelt echter, dat die het niet kan zijn: de weelde en kostbaarheid van het monument sluiten dit uit. Hij geeft de volgende verklaring van dit gedenkteeken. Oudtijds was het de gewoonte, om heel groote heeren tweemalen af te beelden: eenmaal levend en geknield en vervolgens daaronder dood, naakt, liggend. Het te Breda gevonden graf was kennelijk op dezelfde wijze ingericht. Boven het thans ontdekte liggende beeld is een plaat geweest, waarop een knielende figuur, die de nis vulde. Jhr. de Stuers vermoedt, dat het bekende praalgraf van Engelbert II en diens vrouw oorspronkelijk op dezelfde manier de knielende beelden dier personen vertoond heeft, geplaatst op de steenen tafel, door vier beelden getorst. Onder die tafel liggen hun lijken afgebeeld. Deze dispositie past geheel in de destijds aangenomen inrichting van een praalgraf. Daardoor alleen worden de steenen tafel en de ingespannen houding der vier dragende beelden verklaard. De vraag blijft nog open, als deze veronderstelling juist is, of de knielende beelden ooit zijn voltooid geweest of dat ze door beeldstormers zijn vernield?

De toren der kerk is een mooi bouwstuk, rijk aan verheven lijnen en bevallige versieringen. Vroeger verrees hier een andere toren, die tegelijk met de kerk gebouwd was, doch den 16en Febr. 1457 bij een zwaren storm is ingestort. In 1468 begon men aan den bouw van den tegenwoordigen toren, die op het einde van 1513 voltooid was. In 1694 werd de toren door den bliksem getroffen, waardoor een gedeelte vernield werd, doch korten tijd daarna werd hij, vooral door medewerking van den stadhouder Willem III, met een verandering aan het bovenwerk, hersteld. De hoogte bedraagt 94 meter; van zijn top heeft men schilderachtige vergezichten over de afwisselende omstreken van Breda. In het laatst der 19e eeuw is deze toren op kosten van kerk, gemeente, provincie en Rijk gerestaureerd. De oude klokken, die door den brand gesmolten waren, werden na den brand door nieuwe vervangen en in 1723 werd een welluidend klokkenspel in den toren geplaatst. [370]

Wij bevinden ons bij de Groote Markt te Breda, een gezellig plein; vooral op de marktdagen, als de eenvoudige boerinnen uit de baronie hier hun produkten van tuin of stal aanvoeren, is ’t er schilderachtig. De Boterhal aan de markt geeft dan een eenigen blik in het Noord-Brabantsche volksleven. Daar staan die vrouwen in hun sobere, eenvoudige kleeding, maar door haar kleurschakeering toch zoo schilderachtig, met de mandjes vóór zich, eieren, boter, groenten, enz. ten verkoop aanbiedend. Mannen ziet men er weinig; het ter markt brengen dezer produkten geschiedt in Noord-Brabant meest door de vrouwen, die soms verre afstanden te voet afleggen met de mand aan den arm, om in de stad eenig “geld te maken”. Er heerscht in de Boterhal, trots het loven en bieden, geen onaangenaam rumoer, maar een gemoedelijke toon, die den volksaard kenmerkt. Hier ziet men, wat in Holland schier onbekend is, waar alles aan huis bezorgd wordt, de burgerjuffrouwen en dienstboden nog ter markt gaan, om hun benoodigden inslag op te doen voor de huishouding.

Postkantoor en vischmarkt te Breda.

Postkantoor en vischmarkt te Breda.

Toen H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes in het najaar van 1894 een bezoek brachten aan Breda en de burgerij H. M. een souvenir aan dit bezoek wenschte aan te bieden, vond men niets beter daartoe geëigend dan een schilderij van Krabbé, voorstellende een gezicht op de Boterhal.

Het gebouw der Boterhal dagteekent van 1613. Aanvankelijk diende het voor vleeschhal, terwijl verschillende gilden in den ruimen bovenbouw kamers bezaten voor het houden van vergaderingen. Ook het St. Jorisgild had er een kamer, en ter herinnering daaraan prijkt in de uitgebogen kroonlijst een draak, bestrijdende St. Joris. De artistieke poort, die den ingang der hal vormt, is gekroond door het stadswapen, geflankeerd door twee grimmige leeuwen.

Breda doorwandelende, maakt de stad een aangenamen indruk. Op de enkele pleinen zien wij tijdens de marktdagen, eigenaardig, dat de boerenkarren, zwaargebouwde huifkarren, er alleen staan, met het paard er aan vastgebonden. [371]Een dergelijken eenvoud zoekt men in de noordelijke provinciën tevergeefs. De flinke winkelhuizen in menige straat der oude stad wijzen aan, dat hier een welvarende burgerij woont. En als wij aan den buitenkant wandelen, in de nieuwe gedeelten, waar geheele straten van flinke, goed ingerichte burgerhuizen de oude stad omringen, komen wij spoedig tot de overtuiging, dat zich te Breda een aanzienlijke burgerij heeft gevestigd, zonder van groote rijkdommen te kunnen spreken. Het militaire leven der stad geeft een gezellige stoffeering aan de straten met een eenigszins grootsteedsch karakter.

Vooral op de karnavalsdagen is het druk te Breda; dan bemerkt men, dat deze stad min of meer een zuidelijk karakter heeft. Ook al zijn de bewoners uit alle streken des lands hier samengestroomd, toch doen blijkbaar allen gaarne mede aan het Bredasche pretmaken, dat zich kenmerkt door opgewektheid, gulheid en echten levenslust.

Alleen in Breda en Den Bosch mag in Noord-Brabant het karnaval op de gebruikelijke wijze gevierd worden door optochten van gemaskerden, allerlei grappen en dwaasheden op de straat, waarvoor men zich zonder masker wel zou wachten. Buiten die twee plaatsen wordt nergens in de provincie het masker op de openbare straat toegelaten en heeft men ook maar zelden gecostumeerde feesten binnenshuis. Vandaar dan ook, dat velen uit Tilburg, Eindhoven, Helmond en van allerlei kleine plaatsen op de karnavalsdagen naar deze twee steden gaan, om zich daar te vermaken.

Breda is door het eigenaardig karakter en de geschiedenis der plaats een stad geworden met tal van vereenigingen, gezelschappen, clubs, enz. van verschillenden aard en strekking, die niet alleen de gezelligheid, opgewektheid en feestelijkheid telkens bevorderen, maar ook ten doel hebben, de wetenschap, kunst en menschenliefde tot een hooger peil te brengen.

De tijd veroorlooft niet, ons langer in Breda op te houden; wij kunnen niet stilstaan bij het Raadhuis, bij onderscheidene Katholieke kerken, enz. Alleen willen wij nog even een blik werpen op het hoekhuis van de Ginnekenstraat en het Van Coothplein, thans een hôtel en café, waar het geboortehuis stond van wijlen Generaal P. J. v. Ham, den dapperen held van Lombok.

III. Naar Oosterhout.

Wij verlaten de stad en gaan langs de singels, die de oude veste omsluiten en nog van de vroegere grachten vergezeld worden. In het Z.O. der stad ligt het Wilhelminapark, waarop de Boulevard-Mastbosch uitkomt, met prachtige waterpartijen. Zoo de stad omwandelende, vinden wij hier op vele plaatsen een nieuwen aanleg op den grond der vroegere wallen. [372]

Nu vangen wij onze uitstapjes aan buiten de stad. De gewone volgorde van hen, die Breda bezoeken, kiezen wij niet, omdat onze wandelingen niet tot deze stad beperkt zijn. Daarom houden wij er ons niet aan, om eerst het schoone te bezoeken en zoo afdalend, maar stellen wij soms de mooiste tochtjes uit tot later, om aansluiting te hebben bij onze verdere reis. Gelijk wij al vroeger opmerkten, is het ook geenszins ons doel steeds den kortsten en meest gevolgden weg te kiezen.

Eerst gaan wij een uitstapje maken ten N. der stad.

Als men hier niet ver van het station het voetpad langs den grooten weg naar Terheide volgt en links inslaat, betreedt men een mooie, rechte laan van hoogopgaande boomen, die door een afwisselend landschap van tuinen, weiden en bouwlanden loopt. Dat is de Speelhuislaan, die in een kwartier naar het Speelhuis leidt.

Het Speelhuis, dat hier vroeger stond, is er niet meer, doch in plaats daarvan vindt men op een heuvel, te midden van geboomte, op een punt, waar een vijftal wegen straalvormig samenkomen, een boerenwoning, waar men eenige oogenblikken kan zitten, om wat te gebruiken. Hier stond vroeger een buitenverblijf, door Prins Maurits in 1620 gesticht, het Speelhuis geheeten. Het was een jacht- of lusthuis, in het Sterrenbosch hoog gelegen, achtkantig en met een koepel gedekt, waarop een torentje stond. In 1824 is dit gebouw afgebroken, maar de plek, in bezit van het Domein, wordt veel bezocht door de bewoners van Breda.


Wie niet opziet tegen een flinken voetmarsch, kan van hier langs vriendelijke paden weder noordelijk op den straatweg komen, ongeveer op de plaats, waar deze langs de Mark loopt. Voorbij de Hooge Brug zien wij rechts van den weg de Spinola-schans, een herinnering aan het beleg van Breda in 1624; vervolgens slaan wij het oosten in, om langs de eenvoudige gehuchten Groot-Munnikhof en Ter-Aalst onzen weg te nemen door een afwisselende boschstreek op den noordelijken zoom der zandgronden. Voorbij Ter-Aalst in de richting van Oosterhout wandelend, bevinden wij ons weldra in een prachtig landschap. Achter ons de bosschen van Ter-Aalst, eenigszins hoog gelegen, terwijl vóór ons de golvende velden langzaam afdalen en het stadje Oosterhout, benevens onderscheidene dorpen, op de bouwlanden verrijzen. Een breede, woeste boschstreek breidt zich hier uit naar het oosten, zoo hier en daar oprijzende in landduinen en in het noorden begrensd door een vruchtbare, dicht bevolkte landstreek.

Wij dwalen hier rond en richten onze schreden naar Oosterhout, dat zich zoo schilderachtig voordoet van dezen kant en wel de koningin schijnt van de nederzettingen langs den boschzoom.

Oosterhout is een vriendelijke, nette plaats, die stadsrechten heeft verkregen in 1809, maar in haar bouw het midden houdt tusschen stad en dorp. De nijverheid [373]bloeit er door verschillende takken van industrie; men vindt er een groote margarinefabriek, een groote bierbrouwerij, leerlooierijen, schoenfabrieken, biljartfabrieken.

In het midden ligt een langwerpig vierkant plein, met vier rijen linden beplant, de Heuvel, waaraan het raadhuis staat.

De Heuvel te Oosterhout.

De Heuvel te Oosterhout.

Het belangrijkste gebouw van Oosterhout is de oude St. Janskerk op het marktplein, van twee nieuwe zijbeuken voorzien en met een prachtig hoofdaltaar. De indrukwekkende Gothische toren der kerk is niet voltooid en eindigt stomp. Men meent, dat de heer van Breda tot den opbouw van dezen toren het leem uit zijn heide heeft gegeven, om de steenen te bakken, op welke plaats daarbij eenige huizen gebouwd zijn, waardoor er het gehucht Steenoven ontstond.

In Oosterhout vindt men een bekend en goed ingericht hôtel, de “Koppelpaarden”, met een flinken, fraai aangelegden tuin, waar des zomers velen zich tijdelijk vestigen, om er te genieten van de rustige, landelijke natuur der omstreken. Hier vertoefde ook Z. M. Koning Willem III in de moeielijke tijden van 1870 een achttal dagen, om buiten het hof en de staatsdrukte rust te vinden in het schoon dezer streek. In de nabijheid vond men voor enkele jaren nog het “Hôtel Hildebrand”, waar Keetje van der Made, “het Brabantsche meisje”, woonde, door Beets geteekend in zijn Camera Obscura. Beets bezocht Keetje nog op haar 88sten jaardag in 1886 (6 Juli) en bood haar ter herinnering daaraan een pracht-exemplaar van zijn Camera aan, met een opschrift, door Hildebrand onderteekend, dat door de familie als een waardig aandenken bewaard wordt.

Groote kerk te Oosterhout.

Groote kerk te Oosterhout.

[374]

Wanneer wij van de Markt een straat naar het zuiden inslaan, komen wij bij de Slotjes, een stadsgedeelte, dat gewoonlijk “Achter de Slotjes” genoemd wordt, doch officieel de Ridderstraat heet. Villa’s in prachtig geboomte omringen aan die zijde de plaats met een heerlijke natuur. Langs het bevallige Vredeoord, vroeger een kostschool, thans de verblijfplaats van een 40-tal uit Frankrijk verdreven religieusen van de Benedictijner orde, komen wij aan het oude Norbertijnerklooster St. Catharinadal. Dit klooster is het oudste klooster van Nederland, dat ruim 7 eeuwen heeft bestaan, zij het niet altijd op dezelfde plaats. Oorspronkelijk was het gesticht te Vroenhoven onder Rozendaal in 1268; het verkreeg, toen de kerk in 1270 aan de H. Catharina werd toegewijd, den naam St. Catharinadal. Door overstrooming in 1288 werd het klooster zoodanig aangetast, dat de vrome zusters het gebouw moesten verlaten. Zij vonden een schuilplaats bij Roso van Gaveren, Heer van Liedekerke en Breda, die vergunning schonk, even buiten deze stad een klooster te bouwen. Dit klooster, dat bij uitbreiding der veste binnen de stad kwam te liggen, werd door de heeren van Breda, voornamelijk door die uit het doorluchtig huis van Nassau, met vele rechten en voorrechten begunstigd, en aanzienlijke jonkvrouwen der eerste geslachten vestigden zich in dit klooster. Graaf Jan van Nassau onderhield eenige jaren het klooster geheel voor eigen kosten en zag zelf de rekeningen na, om te weten, of het den geestelijken zusters ook aan iets ontbrak. Hij liet onderscheidene straten en stegen bij het klooster verleggen, om het gerucht der wereld zoo ver mogelijk van de muren der stilte verwijderd te houden, en vele rijke geschenken stond hij het klooster toe.

De beeldenstorm van 23 Aug. 1566 te Breda bracht ook dit klooster groote nadeelen toe. Prins Willem I nam nu het klooster, dat de gunst bezat van zijn geslacht, onder zijn bijzondere hoede, beveiligde de nonnen voor verderen overlast en beval zijn rentmeester, de goederen van dit klooster te beschermen. Toen Frederik Hendrik in 1637 Breda veroverd had, nam hij bij bijzonderen brief, als heer van Breda, het klooster met zijn bewoners in bijzondere bescherming. Toen hij in 1646 besloot, een illustre school te Breda op te richten, wist hij met den Proost van het klooster een overeenkomst te sluiten, waarbij de kloostergebouwen daarvoor werden afgestaan, terwijl het klooster zou worden overgebracht naar Oosterhout, waar de kloosterlingen vrij en naar hun regel, onder de voortdurende bescherming van het huis van Nassau, zouden leven, hoewel zij altijd een toevluchtsoord te Breda behielden in tijden van nood. Te Oosterhout werd een erf gekocht en aldaar het tegenwoordige klooster gebouwd, dat evenwel in den loop der tijden gewijzigd is.

De latere vorsten hebben die bescherming steeds gehandhaafd. In 1672 moest het klooster bij de komst der Franschen tijdelijk ontruimd worden; de [375]zusters vonden een toevlucht te Breda, doch in 1680 keerden zij weder naar Oosterhout terug. Zelfs in de jaren 1795 en 1810 werd de rust der vrouwen van dit klooster niet gestoord en zoo bleef het bestaan tot den huidigen dag.

Op eenige minuten ten N. van Oosterhout, ten O. van den weg naar de haven, vindt men een ruïne, bestaande uit twee afgebrokkelde muren, die samen een hoek vormen, waarschijnlijk het ondergedeelte van een toren, nog met venster- en schietgaten. De toegang tot dit muurwerk, zoo schilderachtig gelegen tusschen hoog geboomte en kreupelhout, is thans afgesloten, om het tegen baldadige verwoesting te beschermen. Een steen met het opschrift:

“Het huis te Striene of Strijen is in 1290 door Willem van Strijen gesticht, in 1325 door Willem van Duivenvoorde herbouwd; het was in de XVIIe eeuw vervallen en werd in 1714 en 1753 grootendeels gesloopt”.

wijst in korte woorden de geschiedenis aan van dit slot. Het oude Huis van Strijen, ook wel het “Kasteel van Oosterhout” genoemd, was opgetrokken uit steenen van de grootste soort, zeer sterk door hoog opgebouwde muren en torens, omringd met wallen en voerde den titel van “hooge heerlijkheid”. Willem van Duivenvoorde had bij het huis een schoone diergaarde aangelegd, ongeveer 1900 meter lang; later verviel dit park en in de plaats daarvan vond men later een bosch. Het bosch, waarin het kasteel stond en dat nog lang om de ruïne gevonden werd, was bekend als “het Slotbosch”, “het Rutselbosch”, “het Schotverenbosch” en “het Schapenbosch”. Thans zijn ook de bosschen geheel verdwenen en staat de ruïne eenzaam en verlaten.

Op den terugweg van Oosterhout naar Breda maken wij gebruik van den stoomtram, omdat de weg door bosschen, duinen en bouwlanden verder weinig belangrijks te zien geeft.

IV. Naar Ginneken en het Mastbosch.

Wij bevinden ons weder in Breda, maar zullen in de stad niet langer vertoeven. De paardentram voert ons op gemakkelijke wijze naar Ginneken. Deze weg heeft zijn landelijkheid bijna geheel verloren en is een schier aaneengebouwde straat van villatjes en nette huizen geworden. Zoo bereiken wij het dorp Ginneken, hoofdzakelijk langs de straat gebouwd. De Markt is een flink dorpsplein, waar bij een kerkhof, vriendelijk achter zware kastanjes, de Protestantsche kerk zich verheft, met klimop begroeid. Op het kerkhof vóór de kerk vindt men een monument, opgericht ter eere van onze in 1832 in de Citadel van Antwerpen gesneuvelde landgenooten. Hun overblijfselen werden in 1871, door de bemoeiing van Koning Willem III en met toestemming van Koning [376]Leopold II, hier begraven en in 1874 werd het gedenkteeken in tegenwoordigheid van den Koning onthuld. Achter de kerk wijst een eenvoudige zerk de laatste rustplaats aan van generaal Chassé.

Toen Spinola in 1624 Breda belegerde, werd deze kerk, die een voorraadschuur der Spanjaarden was, op last van Prins Maurits in brand gestoken. Het beleg werd er echter niet door opgebroken.

Voorbij de kerk komen wij spoedig bij de Duivelsbrug, in den volksmond “de Brug” genoemd, en daarnaast vindt men thans een modern ingericht hôtel. Voor een twintigtal jaren stond hier nog slechts een eenvoudige boerenherberg, die al een zekeren naam had, en thans is het een veel bezochte plek.

Onwillekeurig vraagt men zich af, waarnaar deze brug, zoo vriendelijk in het lommer verscholen en zoo kalm de rustige Mark met haar pittoreske boorden overbruggend, een naam verkregen heeft, die gedurende alle eeuwen aan iets ijselijks doet denken?

Terwijl de historie hierop geen antwoord geeft, vult een legende die leemte aan. De duivel zou namelijk in een donkeren nacht de klok uit den toren te Ginneken weggevoerd en dit middel der Christenheid, om ten gebede te roepen, in de Mark geworpen hebben, op de plaats, waar nu de brug ligt.

Duivelsbrug te Ginneken.

Duivelsbrug te Ginneken.

Nog een ander verhaal is aan de legende van de Duivelsbrug verbonden. Op een kasteel nabij Ginneken zou in de 14e eeuw een zekere Raso Van Gaveren, heer van Liedekerke, gewoond hebben. Zijn schoone dochter Catharina beminde Walther Van Ulvenhout, een fier en jeugdig edelman, en de liefde was wederkeerig. Doch Walther behoorde tot een geslacht, dat vijandig was aan dat der Van Gaverens, en de vader wilde niet toestaan, dat zijn dochter haar hand schonk aan den zoon van een vijand. Hij dwong zijn dochter daarom in een klooster te gaan. Doch zelfs hier weerstonden de zware muren niet de krachtige liefde van Walther, die Catharina op een nacht wist te ontvoeren en naar [377]een kapel in het bosch bracht. Daar werd de priester gewekt en aangezocht, om hen in den echt te verbinden. Toen de priester weigerde, greep Walther het klokketouw en begon de klok der kapel te luiden als een sein voor zijn landsknechten, die wachtten, om bij tegenstreven te helpen den priester te dwingen. Doch zoodra dit geschiedde, bemoeide de booze zelf zich met de zaak, en toen de landsknechten waren toegesneld, zagen zij, dat de kapel reeds in puin was gevallen, dat de priester ontzet voor het altaar was neergebogen, terwijl Catharina bewusteloos lag. Van onder de puinhoopen haalden zij het misvormde lijk van hun heer te voorschijn. De klok, die nog niet gewijd was en zoolang onder de macht van den Satan stond, was verdwenen. De booze was op het gelui toegesneld, had de galmgaten doen scheuren en de muren doen splijten. Zoo had hij de klok medegevoerd, maar zich achtervolgd wanende, stortte hij zich onder woest geschater daarmede in de rivier de Mark. Aldus luidt een ander verhaal van de Duivelsbrug.

Kasteel Bouvigne te Ginneken.

Kasteel Bouvigne te Ginneken.

Niemand verontrust zich thans meer over die gebeurtenis, en even gezellig en prettig, alsof er niets ijselijks geschied is, zit men aan de Duivelsbrug zijn potteke bier te drinken op een schoonen zomeravond. Maar

wie bij onweer of orkaan

De Duivelsbrug moet overgaan,

Die stopt zijn vingers in de ooren

En roept zijn heilige aan,

schertst Heye omtrent deze brug.


Het is een heerlijk zitje, met het uitzicht over de lage graslanden aan de Mark, waar de rivier zoo spelend door slingert, een breede vallei vormend tusschen de heuvels van groen, welke het Ulvenhoutsche bosch in het oosten en het Mastbosch in het westen doen oprijzen. [378]

En daar vóór ons rijst op korten afstand het kasteel Bouvigne met zijn witte muren en slanken hoektoren op uit de grachten, die het omringen. Dit is het eenige van de vele landhuizen en kasteeltjes, die vroeger langs de Mark stonden, dat niet gesloopt is. Men vond hier o.a. nog het kasteel van Daasdonck, in de wandeling het Ladderkasteeltje genoemd, dat in 1832 afgebrand is en gesloopt werd. Het tegenwoordig kasteel Bouvigne is in 1613 in de plaats van een vervallen adellijk slot gebouwd en werd in 1614 gekocht door Prins Filips Willem. Frederik Hendrik had bij het beleg van Breda in 1637 in de hoeve achter het kasteel zijn hoofdkwartier, en een goed deel van het tegenwoordige Mastbosch werd toen door zijn omwalde legerplaats ingenomen. Een breede beukenlaan voert naar den toegang van het slot, door een flinke poort afgesloten.


Wij staan hier bij de Duivelsbrug aan den voorkant van het Mastbosch. De breede, belommerde weg, die er langs loopt, is aan den eenen kant door onderscheidene villa’s en hôtels begrensd; men vindt er een koudwatergeneesinrichting volgens de methode Kneipp. Een tram over den Boulevard en een miniatuurtram van Ginneken voeren tot den besten toegang van het Mastbosch.

Het Mastbosch vormt het aantrekkingspunt van Breda. Het heeft zijn naam te danken aan de mastboomen, waarmede het grootendeels beplant is. Een overlevering wil, dat het eerste gedeelte zou ontstaan zijn uit één enkelen boom, in de heide opgeslagen, welke de vader werd van een grootere boschgroep. In hoever dit waarheid is, valt niet te zeggen; dat enkele boomen of planten zich tot een gezellige groep uitbreiden, ziet men meer. Doch dit weten wij wel, dat in 1505 Hendrik, Graaf van Nassau, zaad uit Noorwegen deed komen en hier een bosch aanplantte. De sparreboomen, die uit het gezaaide zaad voortkwamen, stonden onregelmatig verspreid en daar tusschendoor werden lanen uitgehakt. Later werd het bosch herhaaldelijk uitgebreid en opnieuw aangeplant tot den tegenwoordigen omvang van 600 H.A. De gedaante en het karakter van het bosch werden wel door kunst gewijzigd, maar toch bleef het een stuk frissche natuur, van heerlijke dennengeur vervuld, in alle richtingen met paden en lanen doorsneden, waar de zon prachtige lichteffecten toovert en de grijze beukenstammen en knoestige eiken een rijke afwisseling bieden met het rechtlijnige der steile, roodbruine mastboomen.

Aan het eind van den Boulevard Breda-Mastbosch loopt een voetpad het bosch in en brengt den wandelaar, na een vijftal minuten, aan de Bouvigne-dreef en daar begint, nabij den breeden, zandigen toegangsweg tot het schietterrein, het zoogenaamde Duel-laantje, waardoor men een der schoonste gedeelten van het bosch kan bereiken. Door dit lommerrijke laantje en aan het eind een zandweg overstekend, komt men aan het “Eeuwige laantje”, dat onder dichte [379]schaduw in rechte lijn tot in ’t hart van het Mastbosch voert en op onderscheidene plaatsen het bosch in zijn volle pracht te aanschouwen geeft.

Heerlijk is het, hier van tijd tot tijd neer te zitten, om volop in te ademen de heerlijke geuren, en te genieten de rust van het woud.

Boschreuke, boomreuke,

balsem aan ’t hert;

dragen en schragen aan balke en aan berd:

kappen en kerven

en vellen omver;

ruischend en bruischend ge-

wir en gewer,

zie ’k, daar al zittende—of

hoore ik—in ’t mos,

ruw is het leven en

vrij in den bosch!

Guido Gezelle.

Een woeste, wilde heide, in volkomen natuurstaat, met haar eigenaardigen, wild opgeschoten plantengroei en haar schakeeringen van licht en bruin, vormt het terrein der schietbanen. En als wij het bosch in zuidelijke richting doorkruisen en aan den rand van het woud komen, zien wij daar vóór ons de Galdersche heide, waarop zoo hier en daar vierkante plekken aangelegde boschgrond verrijzen, terwijl overigens de bruine heide zich uitstrekt tot den verren horizon, afgewisseld door ondiepe veenmoerassen, in enkele diepere kommen donkere meertjes of vennen vormend.

O, horizons van stille landlijkheid,

Hoe lieflijk zijt gij voor ’t vermoeide oog,

Hoe heb ik vaak getuurd van uit het droog,

Warm heikruid, naar uw dennen, wijd verspreid.

Op een savane, geelheibruin, omrijd

Door boschtheaters, beurend hoog

Hun hoogsten top: ’t was, of daar minder woog

Wat als een steen vaak op het harte leit.

Albert Rehm.

Wij keeren van de heide aan den zoom van het woud terug, langs de Langedreef in de lengte door het bosch, en komen eindelijk aan een vriendelijke, open plek, waar, beschut tegen hevige winden, de schilderachtige Boschwachterswoning verrijst met een café. Laten wij hier in deze heerlijke natuur nog eenige oogenblikken toeven, om de indrukken van het Mastbosch vast te doen worden in onze ziel.

[380]

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org.

This eBook is produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net.

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.

De nummering van hoofdstukken en secties in dit boek is verwarrend. Deze transcriptie volgt de nummering van het origineel, en volgt voor de aanduiding van de niveau’s waar mogelijk de typografische structuur van de oorspronkelijke inhoudsopgave.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *