1904 Wandeling boven en beneden den Moerdijk Deel 1: Van Delft naar Rotterdam

Reisverhalen > 1904 Wandeling boven en beneden den Moerdijk

 

I. Delft en Omstreken.

Wij beginnen onze wandelingen door het zuidelijk gedeelte van Holland weder van uit de residentie, die wij op onzen eersten tocht tot uitgangspunt verkozen. Van Den Haag waren wij reeds langs Rijswijk tot den Vliet gekomen, (zie deel I pag. 120 en verder), en van hier zetten wij de wandeling voort in zuidelijke richting.

Thans zien wij, om dit terloops nog op te merken, dat Rijswijk sedert ons vorig bezoek zich snel uitbreidt, zoodat de hoofdtoegangsweg tot het dorp, die aan den eenen kant destijds nog door groene weiden begrensd was, nu aan beide zijden door huizen ingesloten en dus een straat geworden is, terwijl ook langs den weg naar Hoornbrug de aaneengesloten huizenrijen zich verder voortzetten dan een paar jaren geleden.

Van Hoornbrug naar Delft loopt de vrij eentonige, belommerde straatweg, over welks bermen de zuchtende stoomtram prozaïsch voortholt, langs den oostkant van den Vliet in schier rechte lijn op Delft aan. In den bloeitijd van het Hollandsche buitenleven langs de vaarten in de vlakke landen was ook deze weg bezaaid met villa’s en aanzienlijke huizingen. Doch van lieverlede zijn de buitens langs dezen weg gesloopt. De adellijke hofstede “Crayenburgh”, ongeveer halfweg gelegen, eens in het bezit der voorouders van Hugo de Groot, is sinds jaren in weiland herschapen; een kleine woning op de plek heet nog “Groot Crayenburgh”, maar niet meer dan de naam herinnert er aan het aanzienlijke buiten, welks fiere bezitters een wapen voerden met drie gouden bollen en drie gouden vogels op een zwart schild. Eenige fabrieken hebben de plaatsen der vroegere buitens ingenomen. Maar wat er ook verdwenen zij, het uitzicht van den weg op het Hollandsche grasland aan beide zijden, dat in [2]onafzienbare uitgestrektheid het gezichtsveld een grond van frisch groen schenkt, waarop het hemelgewelf met al de kleurenschakeeringen van de Hollandsche natuur rust, blijft schoon. Dat land met mooi en kostelijk rundvee moest van de stad, die zich aan den Vliet ontwikkelde, wel een plaats maken met een beroemde botermarkt. De Delftsche boter heeft haar roem door alle tijden hoog weten te houden, aan welke wisseling ook de overige industrieën dier stad onderworpen waren.

Zoo zijn wij genaderd tot het eerwaardige Delft, een onvergelijkelijk type van oud-Hollands steden, thans met 32000 inwoners.

Waar de noordelijke hemel

Over ’t vruchtbre vlak zich welft

Van Zuid-Hollands groene beemden,

Ligt het oud en statig Delft.

Reine straten, frissche grachten,

Fiere kerken, ruim en groot,

Huizenreeksen, bont gegeveld,

Draagt het rustig in zijn schoot.

Nijvre burgers, kloek en wakker,

Zwoegen daar met noeste vlijt,

Uit hun brouwkuip stroomt de moutwijn

Door Europa, wijd en zijd;

Snorrend gaan de weefgetouwen

En de droogschuur kent geen rust;

’t Ruischt tot zelfs op gracht en straten

Van een blijden arbeidslust.

Aldus zag Hofdijk voor zijn historisch zienden blik het oude Delft. En al heeft het tegenwoordige iets ingeboet van dien roem, toch blijft het een merkwaardige stad, die den stempel van een eervol en rijk verleden op het voorhoofd draagt.

Als men de singels van Delft rondwandelt, ziet men naar alle richtingen de frissche kleuren der Delflandsche weiden zich uitgroenen tegen den horizon, waarop de stad met haar schilderachtige gevels, torens, kerken en pleinen in idyllische rust is neergezet. In een dergelijke omgeving moest het gevoel voor sprekende kleuren wel ontwaken bij een bevolking met kunstaanleg, zooals dit zich dan ook geopenbaard heeft in de eigenaardige industrie van het Delftsche aardewerk.

Binnen Delft komt schier in elke straat, op elk plein en aan elke gracht der oude gedeelten eenig tafereeltje van het pittoreske der Hollandsche stad aan het licht, met eigen karakter, zooals zich dat ontwikkeld heeft onder den invloed van de welvaart der gouden eeuw onzer Republiek of vroeger. Het is als het ware een opengeslagen boek, dat tot ons spreekt door kunst en over kunstwaarde. [3]Delft is gebouwd naar den eigenaardigen, grootburgerlijken kunstsmaak van een rijk geworden voorgeslacht, dat nog niet ontaard was tot de krachtelooze Jan Salie-achtige weelde, nog niet bedorven was door modernen wansmaak, nog niet uitsluitend beheerscht werd door het streven naar rentenierende couponknipperij.

In het oude Delft had men krachten beschikbaar voor nijverheid, liefde beschikbaar voor kunst, en geld beschikbaar, om die te realiseeren. Er zijn meer dergelijke steden in Nederland, maar alleen bij Delft willen wij thans verwijlen. Door die gelukkige omstandigheden werd deze stad:

”’t Prinslijk Delft, ’t sieraad der steden,

Fijn gesteente aan d’ eedle hand,

Van ’t Vereenigd Nederland,

Kroon van Delfland, zout der zeden;

Om zijn grijsheid hoog geacht;

Om zijn gulde en milde gaven

Rijk begiftigd door de Graven”,

zooals H. Schim zich uitdrukt in zijn “Beschrijving der stad Delft”.

In de eerste plaats vallen ons in ’t oog de teekenachtige grachten, smalle wateren, welke de oude stad in de lengte en met dwarsgrachten doorsnijden, omzoomd door zindelijke straten, overschaduwd door rijen iepenboomen, overbrugd door talrijke typische hoog oploopende, van baksteenen gemetselde boogbruggen, ingesloten door flinke, nette huizen, onderscheidene met oud-Hollandsche gevels, in de geringe buurten veelal door lage, kleine, maar toch vriendelijke huizenreeksen. Doch één zaak is er, welke Delft niet benijd kan worden, en die een schaduw werpt op het bekoorlijke der grachten: dat is het onzuivere water der stad. Men kan zich thans niet meer voorstellen, dat vóór ruim drie eeuwen het stadswater gebezigd werd voor de toen bloeiende bierbrouwerijen dezer plaats. En toch, de biernijverheid was tot de 17e eeuw de roem van Delft; deze industrie hield er zelfs veel langer stand dan de lakenweverij en bracht groote rijkdommen in de stad. Een oud versje zegt:

Dit ’s Delft, de derde stad, vermakelijk gelegen,

Die overvloeit van volck, van neering en van zegen,

Een stad, daer welvaert is, en die haar leckre bieren,

Met groote menigte, door Neerland kan vertieren.

De oorlogstoestanden na Karel V, de tiende penning, maar bovenal het verslechteren van het water hebben de biernijverheid van Delft te gronde gericht. Klachten en daaruit volgende kleine hulpmiddelen, om stroomend water door molens in enkele grachten te verkrijgen, baatten niet; het verslechten [5]van het water was door de autoriteiten niet te keeren. In het begin der 17e eeuw vertrokken vele brouwers naar elders; van 1600–1640 werden meer dan 53 brouwerijen gesloten en misschien behoorde daartoe ook die, welke Jan Steen hier eens dreef. Hoewel er in 1700 nog 15 brouwerijen in werking waren, beteekende de biernijverheid niet veel meer. Toch vindt men in de stad ongetwijfeld nog groote burgerhuizen, die aan rijk geworden brouwers hun ontstaan te danken hebben.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *