1904 Wandeling boven en beneden den Moerdijk Deel 2: Rotterdam en de Zuid-Hollandse Eilanden

Reisverhalen > 1904 Wandeling boven en beneden den Moerdijk

Title: Boven en beneden den Moerdijk Author: Dr. H. Blink

Dit is deel 2 van het reisverhaal uit 1904. Lees eerst deel 1 (van Delft naar Rotterdam), als u dat niet eerder deed

De eerste opkomst van Rotterdam tot een aanzienlijke handelsstad had een natuurlijk verloop.

Rotterdam is ontstaan op de plek, waar het onbetekenende landwater de Rotte in de Maas viel. Reeds vóór de 13e eeuw bestond hier een dijk langs de Maas, die van de duinstreek voorbij Vlaardingen en Schiedam liep, zich door het tegenwoordige Rotterdam boog en voorbij het oude slot Honingen, ten oosten van Rotterdam, naar den IJsel liep. De Schie en de Rotte werden door dien dijk afgesloten, zoodat het Maaswater niet in deze stroompjes kon opdringen, terwijl het water uit het land door uitwateringssluisjes onder den dijk wegstroomde. Die uitwateringssluisjes waren te laag, om door de schepen gebruikt te worden, en overtoomen dienden, om de kleine schuiten, welke uit het land kwamen, over de dammen te voeren naar de Maas en omgekeerd, terwijl de grootere schepen moesten overladen. De drukte, hieraan verbonden, deed bij de monden dorpen ontstaan: bij den mond der Schie Schiedam en bij den mond der Rotte Rotterdam.

Wel was het eerst een klein en onbeduidend dorpje, dat daar opgroeide uit de huisjes, langs den dijk gebouwd bij den Rottemond. Die oudste kern van Rotterdam kunnen wij nog terugvinden in de Hoogstraat en den Schiedamschendijk, welke den ouden rivierdijk aanwijzen. Aan dien dijk werd het een dijkdorp, zooals wij er vele in Holland vinden. Doch al spoedig breidde de nederzetting zich uit, naarmate het verkeer levendiger werd, en de verstapeling der goederen van de Maas naar de Rotte of omgekeerd meer drukte gaf.

Schiekade te Rotterdam.

Schiekade te Rotterdam.

Aan het Rottedorp werd in 1327 een eerste voorrechtsbrief geschonken, en in 1340 gaf graaf Willem IV aan Rotterdam het oudste handvest, waardoor de plaats als stad werd erkend. In hetzelfde jaar ontving Rotterdam het recht, om een vaart van de Maas naar de Schie bij Overschie te mogen graven en aldus kwam Rotterdam in verbinding met den hoofdwaterweg door het hart van Holland, naar Delft en Den Haag, een verkeersweg van veel grooter beteekenis dan die over de onbelangrijke Rotte, zonder dorpen aan de oevers. Op deze wijze verkreeg de handel van Rotterdam een rijk achterland, en hiermede werd het eerst een belangrijke stoot gegeven aan de ontwikkeling van deze plaats als handelsstad. De aanslibbing in de Maas voor Schiedam, waardoor deze stad meer van de rivier werd gescheiden en dieper in het land kwam te liggen, gaf Rotterdam, dat in gunstiger omstandigheden was gelegen, weldra den voorrang op Schiedam.

Een mededinger voor Rotterdam dreigde later nog op te komen aan de Maas. Delft, het bloeiende Delft, wenschte een eigen haven te hebben en liet, zooals wij zeiden, een derden arm van Overschie naar de Maas graven, en aan dien mond bouwde Delft een eigen havenstad: Delfshaven, dat de voorhaven van Delft zou zijn. Doch uit kleingeestige handelspolitiek hield Delft die haven klein en belette haar uitbreiding, om den handel op Delft te blijven concentreeren. Het gevolg was, dat Delft daardoor de opkomst en bloei van zijn machtigen concurrent Rotterdam in de hand werkte. Delfshaven werd door die kleinzielige politiek ook los van zijn moederstad en wilde in 1795 zelfs het gezag van Delft niet meer erkennen. En toen Rotterdam in de negentiende eeuw zich steeds uitbreidde en de grenzen van Delfshaven naderde, werd in 1890 Delfshaven met Rotterdam tot één gemeente vereenigd.

Vermelding verdient het, dat Delfshaven, zwak als het was en niet in staat, zijn zaken goed te ordenen, in 1841 al verzocht, bij Rotterdam te worden ingelijfd. In dien tijd echter was Rotterdam nog niet vervuld van den lateren ondernemingsgeest en werd het aanbod afgeslagen.


De eerste nederzetting te Rotterdam was aldus ontstaan langs den rivierdijk, die door het lage moerasland slingerde, zeiden wij. ’t Was een slappe, onvaste bodem, geenszins door de natuur aangewezen voor den aanleg eener groote stad.

Uit riet en lisch en elzenstutten,

Op aan den stroom ontwoekerd land,

Verhief zich aan den oeverrand

Een schamel dorp van visschershutten,

Wier vruchtbre streek een breede plas,

Wier rijkdom fuik en schepnet was.

L. v. d. Broek.

Welke ziener zou aan de wieg van dit dorpje zijn ontwikkeling tot een wereldhaven hebben voorspeld? Maar toch, aan het kruispunt der waterwegen nam het verkeer spoedig zoozeer toe en breidde de handel zich zoo sterk uit, dat er meer ruimte voor woningen en opslagplaatsen en beter gelegenheid voor den aanleg der schepen noodig bleek.

Waarheen zou Rotterdam destijds zijn grenzen uitzetten? Buiten den hoofddijk lagen in de rivier twee droogten of platen, die van dag tot dag aangroeiden. De westelijkste van deze platen stond al vroeg den visschers ten dienste.

De oudste haven der stad, nog de Kolk of Oude Haven geheeten, liep tusschen deze beide eilandjes door. Zoo was ongeveer de oudste toestand aan den Maaskant. De aanslibbingen in de noordelijke bocht van de Maas nabij de stad namen steeds toe, en weldra werden nu deze platen met woningen bezet.

Het buitendijksche eilandje ten westen der haven, waar reeds vroeg eenige visschers hun woningen hadden gebouwd, was door hen aan de stroomzijde van een zomerkade voorzien. Reeds vóór 1373 had de stad door een brug gemeenschap met dit “Nieuwland”, en de stad verkreeg omstreeks het jaar 1380 hierover de vrije beschikking. Toen werd de stad ook hier uitgebreid en het nieuw gewonnen land verkreeg den naam van West-Nieuwland. De lange, smalle straat, die aan de zomerkade gebouwd werd, verkreeg naar de oude bewoners den naam Visschersdijk, en de meer noordwaarts gelegen straat werd als Hang aangeduid, misschien doordien de visschers daar hun netten te drogen hebben gehangen.

Ten oosten der haven lag een rijswaard, waarop zich eenige mandenmakers neerzetten, die in het maken van vischkorven het middel van een sober bestaan vonden. Ook dit eiland werd al vroeg door een brug met de stad verbonden, die de Mandenmakersbrug genoemd werd, zeker een herinnering aan het oudste bedrijf der bewoners; het westelijk gedeelte dier waard verkreeg naar het rijshout den naam Rijstuin. Verder oostelijk werd het hout opgeslagen voor den scheepsbouw, waaraan de naam Houttuin nog herinnert. Het oostelijk gedeelte van het eiland was oorspronkelijk te laag, om bewoond te worden; later werd hier een boomgaard aangelegd door de Dominicaner Predikheeren, waaraan de tegenwoordige naam Groenendaal nog te danken is.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *