1904 Wandeling boven en beneden den Moerdijk deel 3: Zeeland tot Veere

Reisverhalen > 1904 Wandeling boven en beneden den Moerdijk

Dit is deel 3 van het reisverhaal uit 1904. Lees eerst deel 1, als u dat niet eerder deed.

Zoo zijn de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden gedurende historischen tijd aan een proces van landaanwinning onderworpen, dat evenwel van tijd tot tijd door afschuring en ondermijning der oevers en door daaropvolgende dijkvallen wordt afgewisseld. De dijkvallen vormen een verschijnsel, dat in Zeeland herhaaldelijk voorkomt. Soms ziet men op het onverwachtst, dat een [168]gedeelte van den oever over een aanzienlijke lengte en enkele meters breedte afschuift of wegzinkt in de diepte, zoodat dijk en land geheel verdwijnen.

Aldus is de geschiedenis dezer landen een voortdurende strijd om het bestaan en om ruimte met de wateren geweest, waarbij nu de een, dan de ander weer de overwinning behaalde, doch waarbij ook niet zelden, als in het eene gedeelte het land toenam, op andere plaatsen de zee haar invallen met des te grooter woede deed. Is het te verwonderen, dat bij deze geschiedenis de Zeeuwen zich het “luctor et emergo” “ik worstel en kom boven” tot wapenspreuk kozen, voorgesteld door een leeuw van keel, half opduikende uit een zee, met welker baren hij worstelt? De Zeeuwen zijn steeds trotsch op dit wapen, dat door Mr. Joh. de Brune aldus in een raadsel beschreven wordt:

Een groot en fel ghediert, met langh ghecrolde tuyten

Ten halven in de zee, ten halven ook daer buyten;

Een teecken van het volck, dat daer het woont te land,

Meest ploeghet in de zee, meest bouwet aen de strand.

Maar de bewoners der hooge gronden van Brabant, die van den hoogen zoom des lands in de uitgebreide Zeeuwsche wateren staarden en ook den slappen Hollandschen veenbodem aan den noordkant hunner provincie kenden, welke voor een groot gedeelte in den Biesbosch was ondergegaan, zagen die naburige, onzekere landstreken met een soort van medelijden aan en maakten zich hun schrale zandgronden daardoor tot een meer begeerlijk oord, waarop zij rijmelden:

“Neerlandt, eellandt,

Hollandt, bollandt,

Zeelant, geen landt,

Ik houwe het met den Heykant”.

De bewoners der eilanden evenwel dachten er anders over. Op de oude kernen, geïsoleerd in de wateren en langs den duinkant, hadden zich ongetwijfeld Friezen gevestigd, echte zwervers over de zeeën en onverschrokken waterbouwers der oudheid, die zich in de lage, moerassige kustlanden thuis gevoelden en ook in het noorden van ons land reeds in den oudsten tijd dijken wist te bouwen. De zonen of verwanten van dat ras op de eilanden in het deltagebied deden hetzelfde. In den oudsten tijd bouwden zij hier ook hun terpen, die echter enkel als vluchtheuvels dienst deden en waarvan vele nog op Walcheren, Schouwen, Duiveland, Tolen en Zuid-Beveland voorkomen, gelijk Dr. de Man heeft onderzocht en in kaart gebracht.

Die vluchtheuvels of hillen vertegenwoordigen het eerste stadium van de bewoning der eilanden in deze gewesten. Het waren geen vaste woonplaatsen— [169]die had men op de hooge gronden langs de duinen—maar tijdelijke wijkplaatsen, waar men met het vee op vluchten kon, als de zee de onbedijkte landen overstroomde. Op de Zuid-Hollandsche eilanden zijn ons bijna geen vluchtheuvels bekend, zoodat men daaruit mag afleiden, dat deze, de hoogere streken langs de duinen uitgezonderd, later bewoond zijn geworden en in het eerste tijdperk, toen in Zeeland vluchtheuvels gebouwd werden om aan het water te ontkomen, nog niet bestonden of bijna niet bezocht werden.

Op dien primitieven vorm, om voor het water een veilige wijkplaats te vinden in het lage land, volgde een periode van hoogere technische bekwaamheid, toen de dijken gebouwd werden. Wanneer de dijkenbouw hier is aangevangen, kunnen wij niet met zekerheid zeggen. Doch eenmaal aangevangen, werd deze wijze, om het land te verzekeren, uitgebreid en voortgezet. Zoo werden de lage eilanden al vroeg met zware, sterke bolwerken omringd, die elk land-individu insloten en tegen de woedende baren der zee beveiligden.

De bewoners dezer zeelanden werden in dien zin vestingbouwers van groote beteekenis, die van hun hooge wallen den vijand kloekmoedig in ’t aangezicht blikten en, zoodra hij terugweek, weer gereed stonden, het verlaten terrein te omwallen en aan te sluiten bij het vorige, of tot een nieuwe vesting te vormen.

Zoo zijn de eilanden van dit geheele deltagebied niet alleen met zware dijken omringd, maar ook met hooge dijken in alle richtingen doorsneden, die elk eiland in een aantal afzonderlijke polders verdeelen, alsof het eenige naast elkander liggende kommen zijn, aan elkander gesloten. Die binnendijken door het land wijzen aan, hoe de eilanden zich uitbreidden in den loop der tijden; eens waren dit veelal buitendijken, die midden in het land kwamen te liggen, toen een nieuwe bedijking buiten de oude ontstond. Zoo draagt elk eiland zijn wordingsgeschiedenis nog op ’t gelaat; gelijk de jaarringen den aangroei en ouderdom der woudreuzen verhalen, vertellen de polderdijken in dat wordende land ons de geschiedenis der eilanden uit het delta-gebied.

Doch niet alleen waren het overwinningen, welke op de wateren werden behaald: menige plek wijst ook aan, hoe de zee door haar aanvallen terreinen terugwon, die zij vroeger verloor. Daar, ten noorden van het oostelijk Zuid-Beveland, wijzen in de Ooster-Schelde de ondiepe platen de streek aan, waar het oude Reimerswaal in de golven is verdwenen; bij Zeeuwsch-Vlaanderen wees het Verdronken land van Saeftinge een dergelijk gebied aan, dat evenwel thans weer grootendeels is teruggewonnen. In den breeden mond der Ooster-Schelde, tusschen Noord-Beveland en Schouwen, ligt Westen-Schouwen begraven en is het eilandje Orisant ondergegaan. Een voortdurende afwisseling van overwinnen en wijken, maar toch ten slotte van zegepraal is de geschiedenis van het deltaland. Terecht noemt de gemoedelijke Zeeuwsche predikant Gargon dit gebied een [170]

Verwonderlijk land,

Daar diepte verzand,

En scheeprijke stroomen

Met bloemen en boomen

Staan vrolijk geplant;

En d’ aarde verslonden

Door stortbraak van gronden,

Laat huizen, noch strand.

Door golven en wind

Zijt gij steeds bestreden,

Maar ’t water geeft steden,

Als ’t dorpen verslindt.

Vernielt het uw waard,

Gij wint weder aard,

En mist gij de kielen,

De ploeg met zijn wielen

Weer overvloed baart.

O land, dat zoo strijdt,

Wie kan u vernielen?

Gij wint, als gij lijdt.

Maar die onafgebroken kamp heeft ook den strijder gestaald, hem geleerd, nooit den moed op te geven; hij heeft hem gebracht tot volharding. Zulk een strijd leert ook woekeren met kleine krachten, leert zuinig zijn, hoogst zuinig, want er zal geen einde komen aan de uitgaven, terwijl dan toch de inkomsten beperkt blijven.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *