Zeemans woordenboek Vliegen – Vullings

Vliegen, (laten) b. w. — In eens losgooien. De bui was zoo hevig, dat wy, om het schip te helpen, genoodzaakt waren, de grooten Schoot te L— V—.

Vliegend, b. n. — 1o. Wordt gezegd van de zeilen, waarvan de schoten niet zijn aangehaald.

2o. Is somtijds gelijkluidend met “geweldig.” Een V—e storm (een geweldige storm).

Vlieger, z. n. m. — Zie Middelstagzeil.

Vliet, z. n. m. — Vloeiend of stroomend water. [248]

Vlieten, o. w. — Vloeien, stroomen.

Vloed, z. n. m. — Stroom, en, in ’t byzonder, wassend tij. De V— duurt doorgaands 6 uur 12 min. en voert de hoogte van het water op sommige plaatsen tot 48 voet op. De schepen kwamen met de V— opzetten. VoorV— (het begin van de V—). Zie Eb.

Spreekwijze: bij  hooge V—en, lage Ebben (Zie Ebben).

Al wat men qualyck won of tegen reden nam
Dat is maar eb en vloet, het gaat gelyck het quam.
Cats.

Vloot, z. n. v. — Scheepsmacht, verzameling van schepen, doorgaands van oorlogschepen, die onder het bevel eens Amiraals staan. Al de schepen van de V—. De Engelsche V— is uitgezeild. De onverwinlijke V— (die welke in 1588 door Filips II tegen Engeland uitgezonden en byna geheel vernield werd). Zie verder HaringV—, KoopvaardyV—, RetoerV—.

Vlooteling, z. n. m. — Die tot de Vloot behoort.

Vloothouder, z. n. m. — Vaartuig, dat, ofschoon geen eerste zeiler, toch bij  de Vloot kan blijven, en de andere niet noodzaakt zeil te minderen om het in te wachten.

Vlootleider, z. n. m. — Het schip dat voorzeilt en waarop de overige zich richten.

Vlootvoogd, z. n. m. — Amiraal, hoofdbevelhebber van een Vloot.

Vlot, b. n. — Drijvend. Wordt van een schip gezegd, dat, na vast gezeten te hebben, weêr los komt. wij zijn met het opkomend tij weder V— geworden, weder V— geraakt.

Vlot, z. n. o. — Verzameling van verbonden balken, die een soort van vloer vormen, somtijds dienende om menschen, paarden en goederen te vervoeren. De schipbreukelingen hebben een V— gemaakt, waarop zij zich gered hebben. Men noemt ook V— een vereeniging van balken timmer- of brandhout, welke men de rivieren laat afzakken. Een V— rondhouten, een V— masten, een V— scheepstimmerhout.

Vlotgaand, b. n. — Een V— schip, dat weinig diepte van water noodig heeft.

Vlotgras, z. n. o. — Zeegras, of Wier, dat met de vloed rijst, en met de eb daalt. Zie Wier.

Spreekwijze: Ontgaat u de wal, hou u aan ’t V— (verliest gy de sterken steun waar gy op rekenen mocht, klem u aan een geringeren vast).

Vlotten, o. w. — Drijven.

Spreekwijze: Het wil niet V— (er is geen voortgang bij  de zaak).

Vlucht, z. n. v. — Zie Zeegt.

Spreekwijze: In de V— zijn (verlegen, bedremmeld zijn).

Vluchten, b. w. — Om hoog pointeeren. Het kanon V—.

Voeg, z. n. v. — Voeging, verbinding, lasch, verband, klinkwerk.

Voer, z. n. o. — Wat mede gevoerd wordt.

Spreekwijze: Het is bootsgezels V— zijn eigen koopmansgoed mede te brengen. [249]

Voeren, b. w. — Dragen, houden, laden, opsteken. Dat schip kan zijn heele lading niet V—. Dat oorlogschip is gebouwd om 100 stukken te V—. Dat schip Voert slecht zeil (de zeilen staan slecht by). Twee reeven in de marszeils V—. De Amiraalsvlag V—.

Spreekwijze: Een groot schip V— (een zaak van gewicht bij  de hand hebben.)

Voering, z. n. v. (veroud.) — 1o. Kleine koopmanschap, welke aan de manschappen vergund wordt mede aan boord te nemen, ook garniering.

2o. Voor Voeding. In de oude ordonnantiën komt het woord dikwijls voor, b. v. Drye man voor huyr en V—.

Voert, z. n. v. (veroud.) — Inham of zeeboezem.

Voet, z. n. o. — Onderend van een mast, schoor, stut of stijl.

Voetblok, z. n. o. — Blok, dat omlaag is vastgemaakt.

Voetstuk, z. n. o. — Benedenste rand der galerij.

Voetyzer, z. n. o. — Krom kalfaatyzer.

Vol, b. n. en bw. — 1o. Gevuld. Met V—le zeilen (gevulde, gepannen zeilen). Het schip slaat V— hout. Zie Hout.

2o. Open. De V—le zee (de open zee). De hoogste vloed.

Volbrassen, b. w. of Afbrassen. — De Brassen aanhalen om de zeilen te doen Volstaan.

Vol-en-by, bw. — Niet te scherp aan-de-wind. V— en B— zeilen.

Volhandig weer, z. n. o. — Weer, dat de Handen Vol geeft.

Volhouden, o. w. — Vol-en-Byhouden: ook, na bygedraaid te zijn, weder koers zeilen (houden).

Spreekwijze: Men moet V— (volharden, het niet opgeven).

Volstaan, o. w. — Wordt een zeil gezegd te doen, wanneer het de Volle werking van de wind ondervindt. Dat zeil Staat Vol, Staat goed Vol, Staat geheel Vol. De zeilen staan Vol.

Spreekwijze: Laat dat V— (laat het zijn gang gaan).

Voor, bw. — 1o. Voor de boeg van het schip. Het anker is V— (het hangt V— de boeg).

2o. Het voorste gedeelte van ’t schip, de bak (Wenk aan V—, (fokke hals opsteken, losgooien).

Voor en achter dicht, bw. Alle zeilen dicht gereefd.

Voorbyloopen, o. w. — Voorby zeilen, varen. Een haven V— (wanneer men die wil ingaan, doch bij  ongeluk, of ten gevolge van een verkeerde beweging, er voorby vaart.) Een schip V— (een schip, dat gelijken koers houdt, inhalen en vooruitkomen.

Voor-de-wind, bw. — de wind recht van achteren.

Spreekwijze: Het gaat hem V— (het gaat hem voordeelig).

Voor-de-wind, z. n. m. of Voorwind. — Voordeelige wind. Met een frisschen V— zeilen.

Hunlieden niets gebrack als voorwind en ghetij,
Vondel, Lofz. op de Scheepsv. [250]

Wat vint men hier een maght die op haar ankers draeit
En wacht een voordewint om voort in zee te steken.
Vondel.

Voordwarstouw, z. n. o. — Touw, waarmede het schip van voren aan eene der zijden is vastgemaakt.

Vooreb, z. n. v. — Zie Eb.

Voorganger, z. n. m. — Het voorste end van het touw, ’t geen aan het anker vast is.

Voorhoede, z. n. v. — Zie Voortocht.

Voorkasteel, z. n. o. — Zie Kasteel.

Voorland, z. n. o. — Land, ’t welk men bezeilen wil.

Spreekwijze: Dat is uw V— (dat is de omstandigheid, waar toe gy ’t eerst vervallen zult).

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *