Zeemans woordenboek Statig – Stuurlast

Stormgolf, z. n. m. — Een massa water van meer of minder uitgebreidheid, naarmate van de stroom, opgeheven boven de gewone vlakte des Oceaans door de verminderde dampkringsdrukking en wellicht door andere oorzaken, in haar geheel door de Storm voortgedreven en bij  het bereiken van baaien, riviermonden en andere engten, door de rijzing ten gevolge der samenpersing, vreeslijke overstroomingen veroorzakende.

Stormfok, z. n. m. — Voorstagzeil.

Stormhoek, z. n. m. of Stormkaap. — Landhoek of kaap, waar gewoonlijk zware stormen waaien.

Stormkaap, z. n. m. — Zie Stormhoek.

Stormkluiver, z. n. m. — Voorstengestagzeil.

Stormladder, z. n. m. — Touwladders, die achter over het hek hangen.

Stormstroom, z. n. m. — Cirkelvormige Stroom in de omtrek van een cirkelvormigen Storm.

Stormweer, z. n. m. — Harde wind, wiens richting gedurende eenige dagen, ja weken, dezelfde blijft.

Stormwind, z. n. m. — Zie Storm.

Stormzeil, z. n. o. — Zie Zeil.

Storten, o. w, — Nedergaan. De baren S— (als zij hoog geweest zijn en weder dalen).

Stortgoederen, z. n. o. mv. — Goederen of waren, die niet ingepakt worden, als b. v. granen, zout, enz. Met S— laden. De bepalingen omtrent S—, waarvan bij  invoer de hoeveelheid in vreemde maat of gewicht is uitgedrukt, zijn te vinden in art. 16 der Alg. Wet van 22 Aug. 1820.

Stortregen, z. n. m. — Zie Plasregen.

Stortvloed, z. n. m. — Ondiepe, maar hevige stroom, waarin zich gewoonlijk een schuit niet durft wagen.

Stortzee, z. n. v. — Hooge zee, die, boven het schip brekende en er op neêrstortende, alles wegspoelt.

Stouwen, b. w. of Stuwen. — Goederen in het ruim pakken, dicht op elkander drukken. Die kapitein verstaat zich op het S—.

Spreekwijze: hij  kan wat S— (hy kan wat in zijn maag stoppen).

Straat, z. n. v. of Zeestraat. — Zeeëngte tusschen twee landen. De S— van Gibraltar: de S— van Babelmandeb.

Strand, z. n. o. — De oever die zich langs de zee strekt. Een effen S—. Een zandig S—. De scheepjens steken van ’t S— af. Een schip van het S— halen. hij  zit met zijn vaartuig op ’t S—. [218]

Stranddief, z. n. m. — Die op het Strand geredde goederen steelt.

Stranden, o. w. — Op het Strand geraken. wij vonden een op de kust gestranden walvisch. Ook, eenvoudig, stooten, vastraken. Het fregat Strandde op een rots.

Stranding, z. n. v. — De daad van stranden. Zie Schipbreuk.

Strandjut of Strandjutter, z. n. m. — voor Stranddief.

Strandrecht, z. n. o. — Recht van de eigenaar der kust op gestrande wrakken of goederen.

Strandvonden, z. n. m. mv. — Aan Strand gespoelde goederen.

Strandvonder, z. n. m. — Ambtenaar, belast met het beheer der aangespoelde of geborgen goederen uit een gestrand schip.

Strandvondery, z. n. v. — Het beheer of bestier van de Strandvonder.

Streek, z. n. v. mv. — 1o. Windstreek, kompasstreek. Eene der tweeendertig afdeelingen, waarin het zwerk wordt verondersteld te zijn afgedeeld, en het kompas werkelijk afgedeeld is. Dat schip zeilt op zes S—en (er zijn maar zes windstreken tusschen de richting van de wind en die van het schip.)

Spreekwijze: Dat (het kompas) houdt geen S— (dat gaat niet door, dat is niet juist).

Dat woort moet weer berijmt zijn
Of ’t streeck houdt of geen streeck of ’t dicht soud ongelijmt zijn.
Huyghens. Hofwijck.

Hy is van zijn S— (hy is ongesteld).

Hy heeft werk om weder op zijn S— te komen (om weder te herstellen).

RechtS—s (recht door zee).

2o. Plaats, uitgestrektheid, omtrek. wij hebben in die geheele S— geen schip ontmoet. Die S— wordt door zeeroovery onveilig gemaakt.

3o. Luchtstreek. wij komen weldra in een heeter S—.

Streektafels, z. n. v. mv. — Tafels, die het verschil van breedte en omtrek aanwijzen.

Strekken, o. w. — Zich richten. Die kust Strekt 4 mijlen zuidwaarts heen.

Strekking, z. n. v. — Richting, wending, ligging. De S— van een kust.

Streng, z. n. v. — Lang verbindsel van in elkander gewerkte draden, geschikt om met dergelijke verbindsels gestrengeld te worden en een dik touw of kabel te vormen. Drie S—s-touwwerk. Vier S—s-touwwerk.

Spreekwijze: De derde S— maakt de kabel (Zie Kabel).

Striem, z. n. m. — Zie Binnenrahout.

Strik, z. n. m. — Zie Strop.

Strook, z. n. m. — 1o. Smalle band of baan. Een S— zeildoeks.

2o. Smal vooruitstekend stuk lands.

Strooken, o. w. — 1o. Zich voordoen. Dat schip Strookt wel.

2o. Overeenkomen. Dit bevel Strookt niet met de gegevene instruktie. Die bepaling van lengte en breedte, waarop die klip is gezien, Strookt niet met die van de kapitein N.

Strooking, z. n. v. — Vorm, voorkomen. De S— van een schip. [219]

Stroom, z. n. m. — 1o. Hoeveelheid water, die zich met meer of mindere snelheid in een bepaalde richting beweegt. Geregelde S—en (die door de beweging des aardbols, of door de bewerking van regelmatige winden, of door de zon ontstaan.) Veranderlijke S—en (die aan wisselingen onderhevig zijn.) Tegen de S—en op- of ingaan. Het bed, de bedding van een S— (de ruimte, door welke hij  gewoonlijk vloeit.) Door de S— medegevoerd worden, afdrijven. Die S— loopt N. knoopen (heeft de snelheid van N.) Op S— liggen.

Die tegen stroom zijn schuitje roeit
Dient nimmermeer te zijn vermoeid.
Cats.

2o. Vloed, rivier, die in zee uitloopt. De RijnS—; e GangesS— (de Rijn, de Ganges). De uitleggers zijn gelegd op alle onze S—en.

3o. S—en voor: “de zee.” De zilte S—en.

Spreekwijze: de S— volgen (denken of handelen gelijk de menigte doet).

’t Is doodS— (er is geen handel, geen bedrijvigheid: om dat een doode S— gelijk staat met een stilstaand water). Zoo zegt Hooft:

De winden zonder toom
Aan ’t rennen schut ik kort en maak een dooden stroom.
Stroomen, o. w. — Met kracht vloeien.

Strop, z. n. m. — Touw, waarvan de enden aan elkander zijn gesplitst en ’t welk men om een blok of kous bindt. S— met een kous, (om een haakblok in te hangen.) Enkele S— (die Ergens omheen wordt geslagen, om het op te hijschen, strak te zetten enz.) Yzeren S—, (yzeren band, die om het blok is geslagen.) Zoo RoeiS—, RoerS—, WantS—.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *