Zeemans woordenboek Statig – Stuurlast

Stadig, b. n. — Langzamerhand, loopsgewijze S— aanstrijken, hand over hand bijvieren (een gespannen koord langzamerhand laten doorschieten).

Staf, z. n. m. — Benaming, die in ’t algemeen gegeven wordt aan officieren en onderofficieren zonder troepen:—somtijds ook de hoofdofficieren van een korps aanduidt. Generale S— (het lichaam der Hoofdofficieren). Chef van de S— (officier, belast met het uitdeelen van al de bevelen, het verslag geven der militaire operatiën, enz.) Zie Etat-major. Op een oorlogschip bestaat de S— uit de Amiraal, de Vlagkapitein (die het Amiraalschip kommandeert) en de Adjudanten.

Stafofficier, z. n. m. — Kolonel, Luitenantkolonel en alzoo: Kapitein-ter-zee, Kapitein Luitenant. De Subalternen, die bij  de Staf dienen, heeten: “Officier naby de Staf.”

Stag, z. n. v. — Staand touw, dienende om een mast te steunen en te beletten achterover te slaan. Groot S— (van de grooten mast.) FokkeS— (van de fokkemast.) Looze S— (die nevens een ander geplaatst is en weêrstand bieden moet, als deze breekt.) StangeS— (zwaar touw, waarmede, bij  slecht weer, de fok geschoord wordt.) Zie BakS—. Spaansche S— (daar de ra van het blind mede vast gehouden wordt.) Over S— smijten (schielijk wenden.) Over S— loopen (buiten nood de hoogte zoeken of loeven).

Spreekwijze: Iemand over S— werpen (iemand van zijn stuk brengen, iemand overreden).

Zy smeken even graegh
En smijten endlijck hem gezeghlijck over staegh.
Vondel. Verovering van Grol.

Stagkraag, z. n. m. — Kraag van een Stag.

Stagzeil, z. n. o. — Zie Zeil.

Stagzeilringen, z. n. m. mv. — Ringen, door de oogen van het Stagzeil gehaald.

Stampen, o. w. of Heien. — Een schip wordt gezegd te S— wanneer de boeg diep in zee steekt.

Stampen, b. w. — Indrukken, inpressen, stuwen. Waren in een ton S—. Het kruid in de mond van een stuk geschut S—.

Stamper, z. m. m. — Werktuig, waarmede een lading wordt aangestampt.

Stampstag, z. n. m. — Zie Stag.

Stampsteven, z. n. m. (veroud.) — Breede Steven.

Stampstooten, o. w. — ’t Zelfde als Stampen.

Stampsel, z. n. v. — Zware baar of golf, die tegen de boeg aanslaat. [213]

Stand, z. n. m. — Vaste plaats. Vaste S— van een mast, goede S—, goede richting van een mast.

Standert of Standaart, z. n. m. — 1o. Vlag van een galei. Koninklijke S— (die van de hoofd- of koninklijke galei, breede wimpel, gevoerd door een kapitein, die schepen onder zijn bevelen heeft).

2o. ’t Zelfde als Staander, met de versterkende t.

Stang, z. n. v. — Zie Steng.

Stapel, z. n. m. — 1o. Naam der vereeniging van stijlen, waar een schip in aanbouw op rust. Het schip staat op S—. Een schip op S— laten zetten.

Spreekwijze: Daar is wat op S— (daar is wat gaande, gewoonlijk: daar is een kleintjen te verwachten).

2o. of Stapelplaats. Marktplaats, vereenigingspunt, waar goederen worden heengebracht. De S— van het koren is van deze naar gene plaatse verlegd.

Stapelbocht, z. n. v. — Bocht, welke men aan een scheepswerf geeft, om die aan de kiel van een schip in aanbouw mede te deelen.

Stapelen, b. w. — Stuwen, ophoogen, op Stapel zetten.

Stapelplaats, z. n. v. — Zie Stapel.

Stapelrecht, z. n. o. — Recht, aan deze of gene plaats toegekend, om er een bepaald getal goederen te mogen opstapelen.

Station, z. n. o. — Standplaats, post, kruispad, ligplaats: streek, aan een of meer oorlogschepen aangewezen, waar zij belast zijn, voor de veiligheid der koopvaardyschepen hunner natie te waken, of de onderdanen dier natie te beschermen. Op S— zijn. Het S— aflossen.

Steek, z. n. m. — 1o. Vereeniging van twee saamgevlochten touwen.

2o. End van een kabel, dat door de ring van een ankeroog gestoken wordt.

3o. Staketsel van palen, waardoor de zalmen, steuren enz. gestuit en in de fuiken gedrongen worden.

Steekspeen, z. n. v. — Sprong van de beting.

Steel, z. n. m. — Handvatsel, van een bijl, hamer enz.

Spreekwijze: hij  wint op een eerlijke wijze met S—en de kost (hy is een handwerksman).

Steengrond, z. n. m. of Steenrif. — Rif, uit steenachtige zelfstandigheid bestaande.

Steenrif, z. n. o. — Zie Steengrond.

Steiger, z. n. m. — Houten getimmerte langs de oever, dat tot aanlegplaats dient aan de vaartuigen. Het schip ligt aan de S—. Men heeft aan de S— gelost.—Hooft noemt in zijn Ned. Hist. Calais de ZeeS— van Frankrijk.

Steigeren, o. w. — Een Steiger maken.

Spreekwijze: Ik heb zoo veel van S— als van metselen (ik heb zoo veel van ’t een te doen als van ’t ander).

Steigerschuit, z. n. v. — Schuit, die gewoon is van denzelfden Steiger af te varen.

Steil, b. n. — 1o. Recht opstaande: Een S—e kust.

2o. Strak, scherp. Een S—e wind. [214]

Steken, b. w. — Een Steek doen, of geven. Een knoop S— (een knoop leggen.) In zee S— (t. w. het schip); voor: zich in zee begeven, uitloopen De zware touwen S— (Die uit de kluis steken).

Steker, z. n. m. — Vorkvormige vrang.

Stel, z. n. o. — 1o. Volledige verzameling. Een S— zeilen: een S— vlaggen: een S— riemen.

2o. Voor Stal. Op S— zijn (gereed zijn, klaar zijn).

Stelen, b. w. — Benemen. Het land Steelt de wind van dat schip.

Stelhout, z. n. o. — Stelling, dienende om een kanon in goede richting te houden.

Stellaadje, z. n. v. of Stelling. — Opgerichte planken, op palen rustende en dienende om de bedden te dragen bij  het bouwen of vertimmeren.

Stellen, b. w. — Richten. Een stuk geschut S—.

Stelling, z. n. v. — Zie Stellaadje. S— van windboomen (driehoek, gevormd van drie met de uiteinden in een punt saamgebrachte boomen, uit welk punt zij hun kracht uitoefenen).

Stelpnet, z. n. o. — Soort van bun, in de vorm van een kippehok, waarmede men de visch overdekt, die men onder in ’t water ziet. Met het S— visschen.

Stelsel, z. n. o. — Yzerwerk van het roer.

Stempelbout, z. n. m. — Zie Drevel, Drijfbout.

Stempelen, b. w. — Uitdrijven, uitjagen. Een bout S—.

Steng, z. n. v. of Stang. — Bovenmast. Blinde S—, BoegS— (mast van de boegspriet.) Groote BramS—, KruisS—, Groote MarsS— enz. (Stengen, waar het Bram-, Kruis- of Marszeil enz. aan vast zijn.) De vlag ter halver S— laten zakken (ten bewijs van rouw.) De S— schieten, (laten zakken.) De S— om hoog winden (ze op haar plaats brengen.) Met een geschoten S— varen (voor de storm vluchten).

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *