Zeemans woordenboek Ruggepaarden – Schrapper

3o. De eerste en de laatste plank, die uit een ruwen balk gezaagd wordt.

Schaar, z. n. v. — Snijdend werktuig, dienende om iets af te knippen of van een te scheuren. De tongen van dien bank steken uit als een geöpende S—.

Schaarstokken, z. n. m. mv. — Boordplanken, die hooger dan de overige planken van het dek en op de balken gekeept zijn; zij begrenzen het middel perk.

Schacht, z. n. v. of Stander. — Spier, steng. S— (of koning) van het roer (zwaar stuk hout, dat zich uitstrekt van de boven- tot de onderkant van het roer en gelijk met de onderkant der kiel eindigt).

Schade, z. n. v. — Zie Zeeschade.

Schadeloos, Schaêloos, b. n. — Beteekent niet “zonder schade,” als men uit de gewone beteekenis van ’t woord loos zou opmaken, maar “met groote schade”. Die schepen zijn S— geschoten, zijn S— binnengeloopen, (zoo, dat zij geen schade meer kunnen doen).

Schaffen, b. w. — Opdisschen. Wat Schaft de kok van daag?

Schafmeester, z. n. m. — Die gesteld is, om voor de proviand te zorgen.

Schakel, z. n. m. of Schalm. — Ring van een ketting.

Schaken, b. w. — Vieren, botvieren. Zie Afschaken.

Schalen, b. w. — Met Schalen voorzien, sjorren.

Schalm, z. n. m. — Ring van een ketting. Ketting van 100 S—en.

Schalmen, b. w. — Men noemt: De luiken S— (de prezennings, waarmede men die bij  ruw weer overdekt, met latten vastmaken).

Schampdek, z. n. o. — Zie Schandek.

Schampen, o. w. — Affluiten. Zie Afschampen. [184]

Schampscheut, z. n. o. — Schot, dat afschampt.

Spreekwijze: Het is maar een schampscheut. (Het heeft niet veel te beduiden).

Schandek, z. n. o. — Ook wel schampdek genoemd, doch waarschijnlijk Schansdek, als zijnde het Dek nevens de Schans of verschansing.

Schans, z. n. v. of Verschansing. — Het dek van het staande boord des voorstevens wordt ook wel S— genoemd.

Schanskleed, z. n. o. — Gekleurde strook laken, waarmede men de schepen bij  feestgelegenheden bekleedt. In de masten zijn aan de achterzijde twee yzeren staanders, waardoor een yzeren leider loopt, aan welken de S—en gespannen zijn.

Schanskleed, z. n. m. of Schanslooper (veroud.) — Roerkleed, dat hij  aandoet, die bij  nacht of guur weer, de verschansing op en neder gaat.

Schanslooper, z. n. m. — zie Schanskleed.

Schansnet, z. n. o. — Net van lijnen, ’t welk men aan boord van oorlogschepen op yzeren leiders, die op staanders met dubbele armen rusten, langs het staande boord spant en waartusschen zich geteerd zeildoek bevindt. Daarin worden de kooien (hangmatten) gestuwd om zich tegen het geweervuur van een vyandelijk schip te verschansen.

Schaven, b. w. — Met een schaaf arbeiden, Effenen.

Schavielen, o. w. — 1o. of Stukschavielen. Door gestadige wrijving of schaving slijten en bederven. Dat touw begint te S—. ’t Woord is waarschijnlijk afkomstig van Schaven.

2o. Het S— van de wind (het langzamerhand veranderen van de wind).

Scheep, bw. — voor te scheep op of naar het schip. S—gaan, S—komen.

Scheep! Scheep! nu zijt getroost mijn lief! de tijt is kort,
zegt Gijsbreght tegen Badeloch.

Spreekwijze: Die voor hond S— komt, moet knoken eten (men wordt geëerd al naar dat men zich voordoet). ’t Zelfde beteekent:

Daar men voor S— komt moet men voor varen.

Ga niet S— zonder beschuit (neem bij  het aanvangen uwer onderneming de behoorlijke voorzorgen in acht).

Scheepjen, z. n. o. — Klein Schip. Een net gebouwd S—.

Spreekwijze: Op het wel afloopen van ’t S— (is een oud Hollandsche dronk, ingesteld op de voorspoedige bevalling van een aanstaande kraamvrouw).

Zijn S—s op het drooge hebben (wat waarschijnlijk de oorspronkelijke lezing is van het spreekwoord, in plaats van schaapjens, en met de oude uitspraak van laatstgemeld woord overeenkomt). Zie Droog.

Scheeprijk, z. n. v. — Rijk aan Schepen. Een S—e Haven (een haven, waar zich veel Schepen bevinden).

Waarby de welstant groeyt van de Scheeprijcke steden,
zegt Vondel in zijn Lofzangh op de Scheepvaart. [185]

Scheepsbehoeften, z. n. v. mv. — Al wat tot de uitrusting van een schip behoort.

Scheepsbeschuit, z. n. v. — Soort van harde Beschuit, die lang bewaard kan worden, en daarom inzonderheid voor zeereizen wordt medegenomen.

Scheepsbestier, z. n. o. — 1o. Bestier over een Schip.

2o. Bekwaamheid om een Schip te bestieren.

Scheepsboord, z. n. o. — Boord van het schip.

Scheepsbouw, z. n. m. — Kunst om Schepen te bouwen of het bouwen zelf. De S— heeft aanmerkelijke vorderingen gemaakt. Die stad heeft haar meeste vertier van de S—.

Scheepsch, bw. — Is naauwelijks meer in gebruik dan in de volgende

Spreekwijzen: Geen S— verstaan (de taal der zeelieden niet verstaan: overdrachtelijk: geen kennis van de scheepvaart hebben).

Op zijn groot S— (op zijn rijke-luis).

Scheepsgebruik, z. n. o. — Gewoonte aan boord der schepen heerschende.

Scheepsgelegenheid, z. n. v. — Gelegenheid om met een schip te gaan. hij  is met S— vertrokken. hij  moet aldaar lang verwijlen, bij  gebrek aan S—.

Scheepsgevecht, z. n. o. — Gevecht tusschen schepen.

Scheepsgezellen, z. n. m. mv. — Manschappen. Hun rechten en verplichtingen zijn vervat in het Wetb. van Kooph. Boek II Tit. IV, art. 394–452.

Scheepsjongen, z. n. m. — Knaap, die aan boord het geringe werk verricht.

Scheepskist, z. n. v. — Kist, die men aan boord noodig heeft.

Scheepskok, z. n. m. — Kok van een schip.

Scheepskroon, z. n. v. — Kroon van scheepssnebben, die bij  de Romeinen vereerd werd aan de vlootvoogd na ’t behalen van een zeetriomf, en hoedanige in de allegorische voorstellingen op grafsteden van zeehelden, op platen enz. veelvuldig voorkomen.

De zee Alciden, die zich wenschen in de brant
Te smoren, of bekranst met scheepskroon en laurieren,
In ’t aanzien van de nijt, te helpen zegevieren,
Antonides Bellone a. B.

Scheepslengte, z. n. v. — Lengte van het schip als afstandsbepaling gebezigd. wij liepen hem twee S—n afstand vooruit. De sloep was, toen zij zonk, naauwlijks eene S— van ons af. Men moet die twee werken een S— uit elkaêr zeilen.

Scheepsmakelaar, z. n. m. — Makelaar, die zich met het bezorgen van schepen, bevrachting enz. bezig houdt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *