Zeemans woordenboek Lijken – Onderwant

Lijken, b. w. — Een zeil met touwwerk omzoomen.

Lijkgaren, z. n. o. — Garen, tot het Lijken gebruikt.

Lijknaald, z. n. o. — Naald, tot het Lijken gebezigd.

Lijn, z. n. v. — 1o. Koord, touw, gewoonlijk van witten draad van 120 vademen lengte. In de L— loopen (een schuit trekken). Zie Loop in ’t Lijntjen.

Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege,
Daer ’t treck-gelt op magh staen; aers moeten w’in de lijn
En halen ’t met de hals; maer dat’s een korte pijn.
Huyghens, Hofwijck.

2o. Denkbeeldige Streep. L— van de kim, waterL—.

3o. Bocht, op de scheepswand aangeteekend, om de plaats aan te wijzen waar het Dek moet komen. Zie DekL—.

Spreekwijze: Zachtjens aan, dan breekt de L— niet (laat uw ontwerp niet door overijling of drift mislukken).

Trek aan dat L—tjen niet (roer die zaak niet aan).

Eene L— trekken (overeenstemmen, hetzelfde advies of stelsel voorstaan).

Lijnbaan, z. n. v. — Eigenlijk de baan, waarin touw getrokken wordt: van daar de touwslagery zelve.

Lijst, z. n. v. of Sent. — Zoomwerk, dat tijdelijk gebruikt wordt bij  de aanbouw van een schip, om de spanten in verband te houden.

Lijstlijnen, z. n. v. mv. (veroud.)—Touwen, daar men de bonnetten aan de zeilen meê vast rijgt.

Lijstnaald, z. n. v. — Kleine Lijst, strook, die, in een mast of ra, uit veelvuldige deelen saamgesteld, tot aanvulling wordt geplaatst.

Lijwaart, bw. — Van de wind af. Aan Lij.

Lijwal, z. n. m. — Kust, wal onder de wind. [134]

Lijzeil, z. n. o. Zie Broodwinder. — BovenL— (dat aan het marszeil), BramL— (dat aan het bramzeil), Groot bovenL— (dat aan het grootbovenbramzeil), Groot onderL— (dat aan de groote ra), KruisL— (dat aan het kruiszeil), KruisbramL— (dat aan het Grietjen), Voor-bovenL— (dat aan het klein marszeil), VoorbramL— (dat aan het voorbramzeil), VooronderL— (dat aan het fokkezeil is bygezet).

Lijzijde, z. n. v. — Zijde onder de wind.

M.

Maak vast, u. — Kommando om te beleggen of te sjorren. M— V— zonder opgaan (zonder dat het touwwerk slap wordt).

Maalstroom, z. n. m. — Wieling, of draaikolk, die op sommige plaatsen zoo sterk is, dat een klein vaartuig, hetwelk er in raakt, groot gevaar loopt van vergaan.

Maan, z. n. v. — Planeet, die in ongeveer 27 dagen om de aarde wentelt, en door wier invloed ebbe en vloed geregeld wordt. Volle M— (als zich haar schijf geheel verlicht vertoont). Nieuwe M— (als zij nog moet wassen). Wassende M— (als zij dag aan dag voller wordt). Afnemende M— (als haar schijf telke nacht vermindert). KwartierM— (als zij in haar eerste of laatste kwartier is). Pissende M— (Halve M— die zich met de bovensten hoorn voorover gebogen vertoont: zij is volgends de zeelieden een voorbode van regen). Scheppende M— (Halve M— wier onderste hoorn vooruit steekt). Maandagsche M— (op welken dag geen visscher zoû afvaren, naar ’t oude rijmpjen:

Een maandagsche maan,
Kan iets (een vaartuig) zonder wind of regen vergaan.
Maas, z. n. v. — 1o. Knoop van een net.

2o. Opening, tusschen de knoopen ingelaten.

Spreekwijze: Door de Mazen kruipen (de gelegenheid waarnemen om een gevaar te ontkomen, waar anderen licht in zouden geraken).

Maat, z. n. m. — 1o. Iemand, die een ander behulpzaam is of ter zijde staat. KoksM—, BotteliersM—, BootsmansM—, SchiemansM—.

2o. Makker, kameraad. Zie Baksmaat.

Magazijn, z. n. o. — Bergplaats, pakhuis. Het Oost-Indisch M—, het West-Indisch M— (waar Oost- of West-Indische waren werden opgeslagen). Zie Zeemagazijn.

Magazijnmeester, z. n. m. — 1o. Hoofdopzichter van een Magazijn.

2o. Viktualiemeester.

Mager, b. n. — Schraal, gebrekkig. M— water (ondiep water).

Magermannen, z. n. m. mv. — Boelijns van de fok.

Magneet, z. n. m. — Zie Zeilsteen. Natuurlijke M— (die uit zijn aart het yzer aantrekt). KunstM— of artificieele M— (die met zeilsteen bestreken is). Beslagen of geladen M— (die met yzer bekleed is). Mededeelzame M— (die zijn werking gemakkelijk doet). Sterke M— (die in evenredigheid met zijn grootte een zwaar gewicht torscht). [135]

Magneetnaald, z. n. v. — Naald, met yzer beladen of voorzien.

Magneetsteen, z. n. m. — Zie Zeilsteen.

Mal, z. n. m. — Vorm, uit dunne planken vervaardigd, hetzij van ’t geheel, of ter samenstelling van eenig onderdeel. De scheepstimmerlieden werken naar de M—, moeten zich houden aan de M—, de M— minnen. ’t Woord is ’t zelfde als ’t Fr. moule, doch echt Hollandsch een wortel van Malen.

Spreekwijze: Iemand voor de M— houden (hem bezigen als een voorwerp, waar men nut van trekt.)

Malder, Maller, z. n. m. — Naam, die men op de scheepstimmerwerven geeft aan bekwame werklieden, die de Mal weten te stellen, of de stukken er voor samen te brengen.

Mallen, o. w. — Naar de Mal werken.

Malzolder, z. n. m. — Ruim vertrek, waarvan de vloer volkomen gaaf en horizontaal is en tot bord dient, waarop de spanten, de senten enz. van het vaartuig, dat men bouwen wil, worden afgeteekend.

Mamiering, z. n. v. — Geleibuis van leder, zeildoek of andere zoo veel mogelijk ondoordringbaar gemaakte stof, en dienende om vocht of gas van de eene naar de andere plaats te doen wegvloeien. M— van de spygaten, van de pomp.

Kruitstampers, akerkloots, mammierings en kardeelen.
Antonides Ystroom.

Man, z. n. m. — Benaming, welke de visschers op sommige zeedorpen aan de schuit geven. De M— is op het hout geholpen (het vaartuig, dat op ’t zand tegen ’t duin aanstond en er ingezakt was, is gelicht en op rollen en planken gebracht om het in zee te brengen).

Man, z. n. m. mv. — Verkorting van Mannen. Hoe veel M— hebt gy aan boord? Het schip is met M— en muis vergaan (met al wat er zich op bevond).

Man te roer, u. — Kommando om de roerganger te doen vervangen.

Mangat, z. n. o. — Opening aan boord van een stoomvaartuig, door welke men in de stoomketel komen kan.

Manifest, z. n. o. — Gewaarmerkte Vrachtlijst: een dubbel daarvan kan volgends art. 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 voor generale verklaring gelden.

Mannen, b. w. — 1o. Bemannen, van manschap voorzien. De vloot M—.

2o. Van hand tot hand, en alzoo van Man tot Man aangeven, gelijk bij  ’t lossen en laden met kleine voorwerpen plaats heeft.

Mannetjens, z. n. m. of Tarmen. — Steunsels der regelingen van het galjoen, tevens de zijwanden van dit laatste vormende en helpende om de balkjens in de vloer te dragen.

Manoeuvre, z. n. v. (bastertw.) — Beweging, wending, verandering van front of richting. Een fraaie M—. De M—s kommandeeren. Een stoute, gezwinde, voordeelige M—.

Manoeuvreeren, o. w. — Bastertwoord, gebezigd, als men van een schip spreekt, dat de stelling zijner zeilen verandert om de beweging te volgen, welke het [136]roer hen mededeelt. Dat schip kan bij  windstilte niet M—. Een vloot wordt gezegd te M— als de schepen zich, naar de gegeven bevelen, in verschillende richtingen begeven, van linie veranderen, enz.

Manschap, z. n. v. — Bemanning, Equipaadje. Wie daartoe behooren, verhaalt Vondel in ’t Lof der zeevaart.

’t Is koopman of kommijs,
De Schipper, Stuurmansmaet en Stuurman, die om prijs
En winningh, ’t roer bewaeckt; Hoogbootsman, Schimman, Gieter,
Seilmaecker, Bottelier, Barbier, en Busseschieter,
De Wachter van ’t kajuit, de Putjer, de Provoost.
En ’t statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost.
De Timmerman, de Kock, die voedsel schaft om ’t leven,
En op gesette tijdt elck een sijn spijs te geven.
By deze komt Matroos, doch hondert in ’t getal,
Twee vanen kryghsvolck oock als ’t ergens gelden sal.
Manschappen, z. n. v. mv. — Mannen, Lieden tot de Manschap behoorende. hij  zond de boot met tien M—.

Manshoofd, z. n. o. of Manskop. (veroud.) — 1o. Blok, om eenig touw aan te beleggen.

2o. Koppen aan de roers van jachten en zeilschuiten.

Mantel, z. n. o. — Takel in het groote en fokkewant, gebezigd om zware lasten mede over te hijschen.

Maren, o. w. (veroud.) — ’t Zelfde als Meeren. Zoo Vondel:

Matroos, gemoedigt door sijn winst, begroet alreê
Sijn jonge vrouw, die t’ huis gesmoort in hartewee,
Den hemel smeekt, dat hij  zoo lang de wilde baren
In toom hou, tot het schip komt voor de paelen maeren.
Marine, z. n. v. — 1o. Zeemacht. hij  dient bij  de M—. Engeland heeft een sterke M—.

2o. De Administratie, het Bestuur van het Zeewezen, in welken zin het woord altijd zonder Lidwoord wordt gebruikt. Het Ministerie, het Departement van M—. hij  is ambtenaar bij  M—.

Marinier, z. n. m. — Zeesoldaat. Het korps M—s. Luitenant van de M—s.

Marlen, b. w. — De onderlijken der zeilen omwinden met Marlijn.

Marling, z. n. v. — Zie Marlijn.

Marlpriem, z. n. m. — Yzeren of houten Priem, een weinig gebogen, en gebezigd om de strengen te lichten van het touwwerk dat men splitsen wil.

Marlreep, z. n. v. — Lichte hanepoot op het onderlijk der fok, dienende om deze op te lichten als men er onder door wil zien.

Marlijn, z. n. v. — Tegenwoordige naam van Marling of Meerling, zijnde touw, geschikt om iets te Meeren of vast te binden.

Mars, z. n. v. — Houten vlak, zich rondom de mast uitstrekkende, ter plaatse waar de hoofdtouwen gespannen worden. Het vervangt de vroeger aldaar [137]aanwezige Mastkorf, die aldus genaamd werd naar de gelijkenis op de korf eens Marskramers. Beiden heetten vroeger Mersche. Zoo zegt Pharao in Vondels Pascha:

Loopt met u mersche loopt,
waar hij  op een marskraam doelt; en Cats in de Huisvader:

Een man, die ’t seyl noyt soo en stelt,
Dat mast en mersche wordt gevelt.
Spreekwijze: M— boven M— voeren gold eertijds voor een spreekwoord, even als Bram boven Bram. Zie Bram. Vondel bedient zich op niet onaardige wijze van die uitdrukking in zijn Helden Godes, waar hy, de weelde afschilderende der Jonkvrouwen in Noachs dagen, van haar wel wat anakronistisch vertelt:

Haar halzen blanck als sneeuw zij preuts en opgeblazen,
Omkransten, mars op mars, met krauwels portefrazen.
d. i.: zij droegen dubbele kragen, twee boven elkander.

Marsiliaan, z. n. m. — Soort van Venetiaansch vaartuig, byna uitsluitend in gebruik op de Adriatische zee. Het is van voren zeer opgezet en heeft een vierkanten spiegel.

Marsschoot, z. n. v. — Schoot van de Marszeilen.

Marsval, z. n. m. — Val van de Marszeilen.

Marszeil, z. n. o. — Zeil, dat op een schip zich boven de benedenzeilen bevindt. Groot M— (van de grooten mast). VoorM— (van de fokkemast). Gestreken M— (dat niet op zijn lijken gespannen is, daar de ra, waartoe het behoort, niet geheschen is). In top staand, in top geheschen M— (dat gespannen staat). Halver steng gestreken M— (waarvan de ra halverwege gestreken is van de steng, die haar draagt). M— op het ezelshoofd of de rand (dat tot op de top van de benedenmast gestreken is). Dicht beslagen M— (dat geheel op de ra gevouwen is). Een M— hijschen, byzetten (de ra op het hoogste van de steng brengen). Vliegend, los M— (waarvan de schoten loshangen). Gereefd M— (dat gedeeltelijk op de ra is ingenomen). Volgebrast M— (dat de wind van achteren ontfangt). Killend M— (waarvan de oppervlakte in de richting van de wind is). Tegengebrast M— (dat de wind van voren bekomt). Dichtgereefd M— (waarvan alle reeven zijn ingenomen). M—skoelte (vaste wind). Gereefde M—skoelte (harde wind).

Spreekwijze: Een vrouwenhair trekt meer dan een M— (zal wel geen verklaring behoeven).

Maskuliet, z. n. v. of Mazuliet. — Indische Sloep, die met mosch gebreeuwd is.

Mast, z. n. v. — Eigenlijk “boomstam”, en van daar meer bepaaldelijk zoodanige stam, als recht op of schuins aan boord wordt gesteld, om een of meer zeilen op te houden en de werking van de wind op die zeilen aan het vaartuig over te brengen. Gekluchte M—, Gewangde M—, Geschaalde M— [138](die uit verscheiden deelen is saamgesteld). M— uit een stuk (die van een enkelen pijn of de is gevormd). Groote M— (die omtrent ’t midden van ’t schip staat). Zie verder BezaansM—, FokkeM—, DruilsM—, PolakkeM—, SloepsM—, EenM—, TweeM—, DrieM—.—Ter halver M— hijschen (eenig voorwerp, b. v. een vlag, op de helft van de mast hijschen). de M— laten vallen (op kleine vaartuigen, wanneer men bruggen onder door moet, enz.) Looze M— (dien men in voorraad heeft).

Spreekwijzen: hij  mag zien hoe hij  de M— ophaalt (hy mag zien hoe ver hij  ’t brengen kan, hoe hij  aan de kost zal komen. Dit ziet daarop, dat, op kleine vaartuigen, de M— niet vast staat, maar, als hij  neêrligt, moet worden opgehaald, wat soms een zwaar werk is.

Hy vaart waar de groote M— vaart (hy volgt waar zijn meerdere hem voorgaat, hij  doet wat zijn meester wil).

Geen twee (groote) M—en op één schip (maar één moet de baas zijn).

Hooge M—en vangen veel wind (groote, aanzienlijke personen staan het meest aan haat en laster bloot). Zoo zegt Pers:

Wat hoogh is lijdt te grooter last,
Waar ’t rijsken buyght, daar schudt de Mast.
Hy maakt van zijn M— een schoenpen (hy bederft iets goeds om een beuzeling).

Den bezem op de M— voeren (de zee schoon veegen van zeeroovers of vyandelijke troepen). Deze laatste spreekwijze vond haar oorsprong in een werkelijk gebruik, ook door onze Koopvaarders gevolgd na de oorlog tegen de Hanze-steden in 1433. Zoo zingt Vondel:

Dan voert hij  op de mast een bezem tot een wapen.
Zie voorts Bezem.

Mastband, z. n. m. — Yzeren band om de Mast.

Masteloos, b. n. — Zonder Mast, of: van Mast beroofd. Het schip dreef M— heen.

Mastemaker, z. n. m. — Die Masten vervaardigt.

Mastemakery, z. n. v. — Plaats, werf, waar Masten vervaardigd worden.

Masten, b. w. — Bemasten, van Mast of Masten voorzien.

Masthout, z. n. o. — Hout, geschikt of gebezigd om Masten samen te stellen of er aan gebezigd te worden.

Mastkoker, z. n. m. — Houtverzameling om de voet van de Mast, hem tot steun dienende.

Mastschaal, z. n. v. — Zekere maat van de mastemakers.

Mastschoor, z. n. m. — Zie Loefbalk.

Maststut, z. n. m. — Zie Loefbalk.

Mastwangen, z. n. v. mv. — Houten, tot versterking van de Mast aangebracht.

Mat, z. n. v. — Kleed of dekking van biezen, riet of bladeren gevlochten: aan [139]boord veelal gebezigd tot bekleeding der broodkamer of andere plaatsen, welke men van vochtigheid wil vrij houden. Ook M— van zeildoek met kabelgarens doorspekt, dienende om daar gelegd of vastgemaakt te worden, waar schavieling gevreesd wordt.

Matroos, z. n. m. — Zeeman, en meer bepaaldelijk een, die voor gaadje dient. Licht M— (die ’t gewone scheepswerk doet). Vol M— (bekwaam voor zijn werk, able seaman). Bevaren M— (die eenige reizen gedaan heeft en des noods de Bootsman, enz. in sommige zaken kan vervangen).—De oorsprong van het woord ligt nog in ’t duister. Volgends Bild. in v. is M— ’t zelfde als “matras” of “hangmat”, en overdrachtelijk op de bewoner der hangmat toegepast. Zeker wijst de uitspraak, welke men aan ’t woord geeft, een uitheemsche afkomst aan.

Mazuliet, z. n. v. — Zie Maskuliet.

Medegaan, o. w. — Wordt het anker gezegd te doen, wanneer het over de bodem sliert.

Meerboei, z. n. m. of Verhaalboei. — Groote, gedubbelde, geteerde en goed waterdichte houten kist, hoedanige men er onderscheidene in een haven aan ankers met kettingen vast legt en met ringen voorziet, om er schepen aan te beleggen.

Meeren, b. w. — Voor- en achter vastleggen in de haven, aan palen of dukdalven. Zie Maren.

Hoe bedrieght ghy dick uw weerd,
Als hij  aan uw vlotgras meert.
De Brune. Emblemeta.

Meerring, z. n. m. — Ring aan een kaai, dienende om er een kabel door te halen en daar een schip aan vast te leggen.

Meertouw, z. n. o., Ankertouw, Vanglijn. — Touw, waaraan een schip is vastgelegd.

Meesterrib, z. n. v. — Hoofdrib of zijstuk van een vaartuig.

Meetbrief, z. n. m. — Verklaring, door beëedigde scheepsmeters of andere bevoegde personen afgegeven, en inhoudende, behalve de handteekening van de scheepsmeter of ijkmeester, en de dag der meting of afgifte, een genoegzame omschrijving ter onderkenning van het schip, en wijders een opgave van lengte, wijdte en holte, tonnenlast, enz.—Zie verder de bepalingen omtrent de M— in Tabel XVI der Patentwet, gevoegd achter de Wet van 6 April 1823 (Staatsbl. no. 34), en meer bepaald in § 33 en volgg. dier Tabel.

Meeuw, z. n. m. — Zeevogel.

Spreekwyze:

Een meeuw over ’t land
Is een storm voor de hand.
Meir, z. n. v. en o. — Groote oppervlakte water, binnen ’t land besloten. bij  de dichters vindt men het ook voor “zee” genomen, welke beteekenis het ook in de samenstelling, gelijk als in ’t Fr. en H. D. heeft behouden.

Meirman, z. n. m. — In de diepte der zee levende man, half mensch half visch, [140]hoedanige men vroeger geloofde en sommige zeelieden wellicht nog gelooven dat daar werkelijk bestaan.

Meirmin, z. n. v. — Zeevrouw: ’t wijfjen van een Meirman. Bekend is het sprookjen van de M—, die door Hollandsche visschers in het Purmermeir gevangen, na gedoopt, en onderwezen te zijn, langen tijd nog te Haarlem geleefd zou hebben.

Melken, b. w. (veroud.) — Eigenaardige uitdrukking voor op- en neêrhalen van touwwerk.

Meridiaan, z. n. m. — 1o. Groote denkbeeldige cirkel, getrokken door de beide polen en door de plaats, waarvan hij  de M— genoemd wordt, en de Equator met de daaraan evenwijdige cirkels rechthoekig doorsnijdende. De Eerste M— (die, waarmede men, van ’t O. naar ’t W. gaande, begint te tellen). Algemeene M— (die, waarin men bij  ’t berekenen der Eklipsen, onderstelt, dat de zon vaststaat). Koperen M— (cirkel van koper, waarin een aardkloot hangt en ronddraait). Magnetische M— (groote cirkel, die door de polen van de zeilsteen heen loopt en waarin zich de magneetnaald beweegt).

2o. Gemeene doorsnede van de M— en van eenig opstaand, horizontaal of schuinsch vlak.

3o. Rechte lijn, van ’t N. naar ’t Z. getrokken in het vlak van de M—, de M— van Parijs (de lijn van het meest noordelijke tot het meest zuidelijke punt van Frankrijk getrokken).

4o. M— van de middelbaren tijd (lijn, die de middelbaren middag aanwijst op de boog, naar de tijdsequatie getrokken.)

Merk, z. n. o. — 1o. Herkenningsteeken, dat men aan alle voorwerpen geeft, die tot een bepaalde instelling, of die tot het vaartuig behooren.

2o. Teeken op de steven, van afstand tot afstand geplaatst, om de diepgang aan te duiden.

Merkels, z. n. m. mv. — 1o. Hoepels, dienende om een boven een sloep of schuit gespannen zeil te droogen.

2o. Staven vierkant yzer, waarop de roosters, die tot dekking van de kuil dienen, rusten.

3o. of Scheerstokken: houten, waar de luiken der luikgaten op rusten.

Mes, z. n. o. — 1o. Snijdend werktuig, ’t welk de matrozen steeds op zak hebben, en ’t welk in de strijd hun geliefkoosd wapen plach te zijn. Zie Kortjan, Opsteker.

2o. of Messing. Benaming, somtijds aan de scherpe sneden van de lap op de achtersteven gegeven.

Messing, z. n. v. — Zie Mes.

Meten, b. w. — Opnemen, nagaan, onderzoeken. De hoogte van de zon of van een ander hemellichaam M—. De ruimte van een schip M—.

Meter of Scheepsmeter. — Beëedigde ambtenaar, met het meten der schepen belast. Zie de Wet van 6 April 1823, Tab. XVI, § 33 en volgg.

Middag, z. n. m. — Middel van de dag: tijdstip, waarop zich de zon in de meridiaan bevindt. Ware M— (de tijd, waarop hij  zich werkelijk aldaar bevindt). [141]Middelbare M— (de tijd, waarop het M— zijn zoude, indien de zon zich regelmatig in de ekliptika bewoog, en deze met de equator samenliep).

Middagkring, z. n. m. — Zie Meridiaan.

Middaglijn, z. n. v. — ’t Zelfde als Meridiaan.

Middelbaar, b. n. — Zie Tijd.

Middellijn, z. n. v. — Lijn, die door het midden loopt.

Middelperk, z. n. o. — Het middelste der drie vakken waarin het Dek in de breedte is afgedeeld en ’t welk door de schaarstokken begrensd wordt.

Middelpunt, z. n. o. of Midden. — Punt in een cirkel, van hetwelk al de punten van de omtrek even ver verwijderd zijn.

Middeltocht, z. n. m. of Centrum. — Het gedeelte van de vloot, dat zich bij  een zeeslag of bij  een onderneming, tusschen de voor- en achterhoede bevindt en onder bevel van de Vlootvoogd staat.

Middenboords, bw. — Naar het midden van het boord of schip.

Het Roer light midden-boords, de Vlagghe wijst voor uyt.
Huyghens, Hofwijck.

Midscheeps, bw. — In of naar het midden van het schip. M— het roer (zoodat de roerpen en de steven in ééne lijn staan. Zie Middenboords.

Mik, z. n. m. — Staander, steunsel. ’t Woord duidt oorspronkelijk de kruk aan, waarop men de schietroers lei om te mikken, en van daar alle dwarshout dat tot steunsel dient, alsmede dat steunsel zelf. M— van de zeilboom. M— van de pomp, enz.

Minderen, b. w. — Verminderen. Zeil M— (door het wegnemen of inbinden van sommige zeilen, de vaart van het schip doen verminderen).

Minuutglas, z. n. o. — Zandglas, dat eene minuut loopt. Sedert lang gebruikt men, om de snelheid van een vaartuig te meten, bij  de loglijn, alleen het half en kwart Minuutglas.

Minuutlijn, z. n. v. (veroud.) — Benaming van de Loglijn.

Misgissing, z. n. v. — Verschil tusschen het waar en het gegist bestek.

Mist, z. n. v. — Dikke damp, doorgaands koud, en waardoor de lucht verduisterd wordt.

Ik zal u met een mist en dicken nevel decken;
zegt Rafaël tegen Gijsbreght in Vondels treurspel.

Mistiek, z. n. v. — Driemastschip, op de Middellandsche Zee in gebruik.

Miswijzer, z. n. m. of Miswijzend Kompas. — Kompas, waarvan de naald ten Oosten of ten Westen afwijkt van het ware Noord.

Miswijzing, z. n. v. — Hoek die de afwijking van de Magneetnaald, ’t zij ten Oosten, ’t zij ten Westen van ’t Noorden bepaalt.

Mitis, z. n. v. (veroud.) — Touwwerk aan de Mast.

Modder, z. n. m. — Aarde met water vermengd, en een kleevende zelfstandigheid vormende, die zeer belemmerend is voor alle soorten van vaartuigen. [142]

Modderen, o. w. — Zich in de Modder bewegen, in de Modder, en in ’t algemeen over de grond, voortgaan. Het schip Moddert (het schuift over de grond).

Te vaak bedriegt men zich in ’t kiezen van zijn streek,
Verzaakt de ankergrond en moddert in een kreek.
Bilderdijk, Ziekte der gel.

Moelje, z. n. v. — Steenen hoofd, dat de kracht der golven breken en aan de schepen een landingsplaats verschaffen moet. De M— van Genua, van Napels.

Moerzee, z. n. v. — Onstuimige zee, die tot voorbode strekt van zwaar weer.

Moesson, z. n. m. — Passaatwind, die, na gedurende een bepaalden tijd van het jaar uit denzelfden hoek gewaaid te hebben, de tegenovergestelde zijde opwaait. OostM—, WestM—.

Spreekwijze: Ik ben in een slechten M— (het loopt my tegen, ik doe niet als verliezen).

Moer, z. n. v. — Stuk metaal, spiraalswijze doorgestoken om er een bout in te wringen.

Moeren, b. w. — ’t Zelfde als Meeren, doch min gebruikelijk. Zie Meeren.

Moertouw, z. n. o. — ’t Zelfde als Meertouw. Zie ald.

Moerzee, z. n. v. — Geweldig onstuimige zee. Zie Hoofdzee.

Moet, z. n. o. — Rand, overblijvend merk, en wel bepaaldelijk het slijmachtige vuil, dat het zeeschuim op het strand achterlaat: ’t wordt ook genomen voor de Waterlijn. Zie ald.

Moeten, b. w. (veroud.) — Een schuit M— (een schuit zachtjens voortduwen). Het roer M— (het zachtjens schuiven). Waarschijnlijk is ’t woord van ’t Fr. mou (week).

Moker, z. n. m. — Zware yzeren hamer. Zie Hooft, Geer. v. Velz. III.

Naeckt armde reusen
Op aenbeeld souden ’t met geen logge mookers kneusen.
Molenaar, z. n. m. — Yzeren bout, om wier midden men een touw bevestigt, en die men dwars in de band van een ledig stuk plaatst, om dit in ’t ruim te hijschen.

Mond, z. n. m. — Opening. De M— van een rivier. De M— van een baai. De M— van een stuk geschut. Onnutte M—en (overtollige personen aan boord, die mede eten).

Monding, z. n. v. — Zie Mond.

Mondkost, z. n. v. — Eetwaren, voorraad.

Monnik, z. n. m. of Sissen. — 1o. Benaming van kleine kogeltjens buspoeder met azijn gemengd, welke men tusschendeks brandt om de lucht te zuiveren.

2o. (veroud.) Betingbalk.

Monsteren, b. w. — Het volk in oogenschouw nemen. Revue houden.

Monstering, z. n. v. — Het opmaken der monsterrol: ’t welk ten overstaan van een bevoegd ambtenaar geschiedt. De verplichtingen tusschen de schipper [143]en zijn Equipaadje beginnen eerst van het oogenblik, dat de M— gedaan is. Zie voorts betreffende dit onderwerp artt. 396, 397, 399, 340, Wetboek van Koophandel.

Monsterrol, z. n. v. — Rol of lijst, waarop de namen staan opgeteekend van hen, die zich aan boord bevinden, ’t zij als tot de uitrusting behoorende, ’t zij als passagiers. De M— strekt ten bewijze van de voorwaarden der verbintenissen tusschen de schipper en de schepelingen aangegaan. Wat de M— moet bevatten wordt geleerd in art. 397, Wetb. van Kooph. Zie voorts art. 396 en 393.

Morrelen, o. w. — Iets in het ruim of hol van het schip zonder licht en alzoo bij  de tast verrichten.

Mortepaie, z. n. v. — 1o. Los stuk geschut.

2o. Persoon, die zich aan boord bevindt zonder op de monsterrol te staan.

Mortier, z. n. o. — Bomketel, steenstuk.

Mosch, z. n. v. — Gedroogde plant, die gebezigd wordt tot het stoppen der naden aan de buitenhuid.

Moschpapier, z. n. v. — Soort van papier, uit Mosch vervaardigd, en ten zelfden einde dienende.

Moschsponning, z. n. v. — Sleuf, die voor de helft in een stuk hout en voor de wederhelft in het daartegen geplaatste stuk gemaakt is, en dienende om met Mosch of moschpapier te vullen.

Moskuil, z. n. m. — Soort van grooten houten hamer.

Kardoezen, moskuils en kruitkokers wijt van keelen.
Antonides. Ystroom.

Mosselman, z. n. m. — 1o. Een vaartuig, dat Mosselen vischt.

2o. De man, die ze verkoopt.

Spreekwijze: Daar veel volks is, valt veel te verkoopen: dat wist de M— ook, en liep met mosselen de kerk binnen.

Mosselwagen, z. n. m. — Ruimte tusschen de twee beetings.

Motse, z. n. v. — Wijde schippers overbroek.

Motten, onp. w. — Stofregenen. Het regent niet, het mot slechts.

Motterig hout, z. n. o. — Eikenhout met kleine vlekjens, als de vlerken van Motten, ongeschikt om onder water te dienen.

Muide, z. n. v. — Mond of monding, waarvan ons Muiden, Arnemuiden, IJsselmuiden, de Engelsche steden Pleimuiden, Jaarmuiden, enz.

Muis, z. n. v. — 1o. Knoop, in een touw gelegd om het doorschieten te beletten.

2o. Opgeschoten touw.

3o. Beslag van een riem.

4o. Knoop of beslag van de kabelaring.

Muizen, b. w. — De kabelaring beslaan.

Muizing, z. n. v. mv. — Verdikkingen, die van afstand tot afstand op de kabelaring gemaakt zijn en dienen om die door de seizing aan het zwaar touw te doen houden tot aan het spil. [144]

Mulet, z. n. m. — Soort van Portugeesch vaartuig, dat veel sprong heeft en sterk voorover gebogen masten met latijnzeilen draagt.

Murgpijp, z. n. v. — Triviale benaming van de looden of houten koker, die aan het vuil, de flesschen enz. tot doortocht naar zee strekt.

Musket, z. n. o. — Schietgeweer. Zie Roer.

Mutsjen, z. n. o. — Blikken maatjen, het zestiende deel vormende van een pint, en het rantsoen van een man aan sterken dank voor één maal bevattende. Een M— jenever. Het wordt ook voor de hoeveelheid zelve gebezigd. Ik zou nog wel een half M— lusten.

N.

N, z. n. v. — Beteekent: 1o. Noord, Noorden. De wind is N. (is noord). Texel ligt ten N. van Holland.

2o. Een onbepaald getal. Dat schip ligt op N. mijl afstand (op een getal mijlen, onverschillig welk).

Na, bw. — Dicht, naby. Het zeil staat te N— aan de wind. wij liggen te N— aan de wal.

Naad, z. n. v. — 1o. Afstand tusschen twee nevenplanken. Opene N— (verwijdering van dien afstand, ten gevolge van de droogte of van de beweging van ’t schip).

2o. Vereeniging der banen van een zeil. Platte N— (welke de zeilemakers maken, wanneer zij de banen een duim over elkander doen kruisen). Ronde N— (eenvoudige N—, die de banen van het zeildoek baan aan baan verbindt).

Naadhaak, z. n. m. — Yzeren werktuig, waarmede men het werk, dat vernieuwd moet worden, uit de Naden der planken haalt.

Naadprezennings, z. n. v. mv. — Smalle strooken Prezenning, om de Naden en luiken op kleine vaartuigen te dekken.

Naaien, b. w. — 1o. Met de naald vasthechten.

2o. Aanslaan, beleggen. Een blok N—.

Naaibouten, z. n. m. mv. — Zie Koppelbouten.

Naald, z. n. v. — 1o. Puntig werktuig van een oog voorzien en dienende om voorwerpen met een draad aan elkander te hechten.

2o. KompasN—, MagneetN—: plat stalen lemmer, in ’t midden met een spil bevestigd op de roos van ’t kompas, en de windstreken aanwijzende. Doode N— (die haar kracht verloren heeft). Walende N— (die zich niet dan langzaam richt). Zie Lelie.

De Naelde wijckt noch wraeckt en alle gissingh sluyt.
Huyghens. Hofwijck.

Naald, z. n. v. — Strook houts, die somtijds tusschen het rahout en de zitgang wordt aangebracht. [145]

Nachtglas, z. n. o. — Zandlooper, die acht glazen of vier volle uren loopt eer hij  ledig is.

Nachthuisjen, z. n. o. — Houten kast, gewoonlijk in drie nevens elkander gestelde vakken verdeeld, waarvan het middelste een lamp bevat, bestemd om de beide anderen, die ieder van een kompas voorzien zijn, te verlichten. Het N— is vlak tegenover de roerganger geplaatst.

Nachtschot, z. n. o. — Schot, dat aan boord van groote schepen gelost wordt, om aan te kondigen, dat het werk van de dag verricht is. Elken avond te acht ure doet de vlootvoogd het N—.

Nachtschuit, z. n. v. — Veerschuit, die ’s avonds afvaart, om ’s morgens op haar bestemmingsplaats te komen.

Spreekwijze: hij  komt met de N— (hy komt laat: hij  brengt nieuws, dat ieder reeds weet).

Nachtwijzer, z. n. m. — Werktuig, waarvan men zich aan boord plach te bedienen, om ’s nachts het uur te weten, door de hoogte der Noordster boven de pool te meten.

Naderen, b. en o. w. — Naby komen. ’t Is gevaarlijk, die kust te veel te N—. Het vaste land begint reeds te N— (wy komen reeds in de nabyheid van het vaste land).

Nadir, z. n. o. — Het punt, dat loodrecht onder een aangegeven plaats of voorwerp en alzoo tegenover het Zenith staat.

Nagels, z. n. m. mv. — Houten, ronde, langwerpige cylinders, die gebezigd worden tot het vastmaken van buitenhuidsplanken. zij behooren gekloofd te worden uit taai hout, dat niet vatbaar is voor zwelling. N— over N— schieten (werd vroeger van het vooruitsteken van de steven gezegd).

Nagelbank, z. n. m. — Smalle plank, van bouten voorzien en horizontaal in het want geplaatst om tot steunpunt bij  onderscheiden kleine verrichtingen te dienen.

Nageldraaibank, z. n. m. — Bank, waarop Nagels vervaardigd worden.

Nagelen, b. w. — Een Nagel inslaan.

Namiddagwacht, z. n. v. — Wacht aan boord van ’s middags tot 4 uur ’s avonds.

Naschip, z. n. o. of Achterblijver. — Schip, dat trager dan de overigen aankomt.

Spreekwijze: hij  komt met de Naschepen (hy brengt een tijding, die aan iedereen bekend is).

Nasleepen, b. w. — Op ’t sleeptouw hebben, achter zich trekken. Het fregat Sleepte de gemaakte prijzen achter zich Na.

Nat, z. n. o. — Wat vloeibaar is.—Door de dichters wel eens voor zee gebezigd, doch dan immer met een b. n. Het zoute N—, het peilloos N—.

Langs ’t golvend nat naar de Oosterkust getogen.
K. W. Bilderdijk.

Spreekwijze: Geen N— of droog hebben (niet te eten noch te drinken hebben).

Hy lust zijn N—jen wel (hy is een drinkebroêr).

Nathals, z. n. m. — Zuiplap, drinkebroêr. [146]

Natten, b. w. — Nat maken. De zeilen N— (die bevochtigen, om het doek te doen krimpen, en, wanneer het ontplooid wordt, de spanning te vermeerderen). Het geschut N— (bekoelen).

Navette, z. n. v. — Indiaansch scheepjen.

Navloed, z. n. m. — Zie Achtervloed.

Neb, Nebbe, z. b. v. — 1o. De bovenarm van een knie, die tegen een balk komt.

2o. ’t Zelfde als Sneb. Zie ald.

Nebschuit, z. n. v. — Schuit, van een Neb of snuit voorzien.

Neer, z. n. v. — Sterke rafeling of kabbeling in het water, veroorzaakt door de ontmoeting van een tij met een byzonderen stroom: en in ’t algemeen de tegenstroom, die langs de wal loopt. Met de N— wegdrijven (van de deining gebruik maken om voort te komen). In de N— oproeien (uit de stroom blijven).

Spreekwijze: hij  is in de N— geraakt (het loopt hem tegen).

Neêrgaan, o. w. — Van de hoogte naar de laagte gaan. N— noemen onze strandbewoners “in zee steken”, omdat zij hun vaartuigen van het hoogere strand af moeten brengen.

Neêrhalen, b. w. — Naar beneden halen. De vlag N—. Zie Strijken.

Neêrhaler, z. n. m. — Touw.

Neêrlaten, b. w. — Laten zakken. Een mast N—, de jol N— (in zee strijken).

Neêrtrekken, b. w. — Het vlot brengen der visschuiten of bommen.

Nering, z. n. v. — De vrije N— doen plach gezegd te worden voor: “zeeschuimen, op zeeroof uitgaan.”

Net, z. n. o. — Gebreid of geknoopt samenstel van garen. VerschansingsN— (dat langs het boord loopt). MarsN—ten (die aan de achterkant der marsen zijn). Zie verder EnterN—, VischN—. Ook N—, gebezigd om visch te vangen. De N—ten schieten (ze uitwerpen). De N—ten boeten (ze herstellen).

Ziet dat gy hierop naarstig let,
De groote visschen scheuren ’t net.
Cats.

Spreekwijzen: Achter het N— visschen (te laat komen om zijn voordeel te doen).

Iemand in ’t N— krijgen (iemand verschalken).

Iemand het N— over ’t hoofd halen (hem met geweld verongelijken).

N—jens droogen (zijn uitgaven bekrimpen:—omdat de visscher, door zijn N—ten te droogen, zich voorbereidt om later daarmede voordeel te behalen).

Neus, z. n. m. — Benaming, die aan de meest vooruitstekende punt van de voorsteven gegeven wordt. hij  haalt zijn N— lustig onder. hij  spoelt lustig zijn N— (van een schip gezegd, dat met de boeg diep onder water gaat). de N— in de wind steken (den boeg naar de wind wenden).

Spreekwijze: Zijn N— in de wind steken (onderzoeken).

Neuskijker, z. n. m. — Jongen, of bootsgezel, die voor op de boeg op de uitkijk staat. [147]

Neut, z. n. v. — Houten of holle gegoten yzeren rol, dienende om het verschuiven van twee op elkander geplaatste stukken hout te beletten. Yzeren N—en. Pokhouten N—en. N— van de ankerschacht. (Zie Ankerneut)

Spreekwijze: Heeft hij  N—jens, hij  zal wel doppen maken (hy zal van hetgeen hij  bekomt wel party trekken).

Een oude N— (een oude vrijster).

Voor doove N—en zitten (zonder voordeel Ergens zitten).

Nevel, z. n. m. — Damp, mist.

Nevenschip, z. n. o. — Het schip, dat men, in breede linie zeilende, nevens zich moet houden.

Nippertjen, z. n. o. — Eigenlijk Nijpertjen, als komende van Nijpen. Dat was op het N— (dat scheelde weinig). Een plaats op het N—af, bij  het einde van een gang, te boven zeilen.

N. O., bw. — Noord-Oost. N. O. ten N. (Noord-Oost ten Noorden).

Nok, z. n. v. — Uiterste punt of spits; in ’t byzonder van een ra of zeil.

Nokbindsel, z. n. o. — Bindsel, waarmede het zeil aan de Nok van de ra wordt vastgemaakt.

Nokgording, z. n. v. — Gording van de Nok. Zie Dempgording.

Nokken, b. w. (veroud) — De nokbindsels leggen: de razeilen vastmaken.

Nokleuver, z. n. m. — Boven- of buitenhoek van een vierkant zeil, dat aan een ra is vastgebonden.

Nokooren, z. n. o. mv. (veroud.) — Stevige, wel met marlijn voorziene oogen, aan de benedenhoeken der vierkante zeilen, waardoor de schoten loopen.

Nood, z. n. m. — Dit woord duidt in de samenstelling een voorwerp aan, dat bewaard wordt om, in tijd van N— het ontbrekende of onklare te vervangen. Zoo zegt men N—anker, N—gordingen, N—mast, N—talie, N—want, enz. Zie Borg. Zie Stomp.

Spreekwijze: Die N— heeft, moet pompen (zie Pompen).

Noodschot, z. n. m. — Kanonschot, hetwelk, op zee gelost, aankondigt, dat men redding of hulp verlangt.

Spreekwijze: Het is een N— (het is een laatst, doch veelal hopeloos middel, waartoe men zijn toevlucht neemt).

Noodsein, z. n. o. — Teeken, waarmede een vaartuig, ’t zij door schoten, ’t zij door ’t hijschen van een vlag, ’t zij op andere wijze, te kennen geeft, dat het zich in nood bevindt.

Noord, bw. — Duidt een strekking aan van of naar de noordzij. De wind is N— (het waait uit het noorden). wij moeten N— houden (wy moeten naar de noordzij koers houden).

Spreekwijze: De wind is N— (hy is in een kwade luim).

Noord (de), z. n. v. — 1o. De noordelijk gelegen landen, als Noorwegen, IJsland, enz. Om de N— varen (het Noorden omvaren).

2o. Wat noordelijk gelegen is. Om de N— houden (Noordelijk opvaren).

Noordelijk, b. n. — Wat zich ten Noorden bevindt.

Noordelijken, o. w. — Wordt van de wind gezegd, als hij  naar ’t Noorden loopt. [148]

Noorden, z. n o. — 1o. Het gedeelte der waereld, dat tegen over het zuiden ligt.

2o. Streek, die Noordelijk gelegen is van de plaats waar men zich bevindt. Het waait uit het N—.

Noorden (ten), bw. — Noordelijk, aan de Noordkant. Denemarken is T—N— van Duitschland gelegen.

Noorderbreedte, z. n. v. — Afstand van een plaats van de Equator Noordelijk op gerekend. Calais ligt op 51 graden N— (Calais ligt op 51 graden noordelijk van de Equator).

Noorderlicht, z. n. o. — Lichtverheveling bij  nacht, welke om de Noord dikwijls zeer sterk is.

Noorderzon, z. n. v. — Ontstentenis der zon, omdat, voor de bewoners van ’t Noordelijk halfrond, zich de zon nooit aan ’t Noorden vertoont: alzoo ’t zelfde als “stikdonker”.

Spreekwijze: Met de N— vertrekken (zich bij  duisternis, in ’t geheim, wegpakken).

Noordewind, z. n. m. — Wind, die van de Noordzijde waait.

Noordnoordoost, z. n. o. — Windstreek, tusschen het Noord en Noordoost. N— ten N. N— ten Z. (windstreken tusschen N— en het N. of Z. gelegen).—Tevens bywoord.

Noordnoordwest, z. n. o. — Windstreek, tusschen het Noord en Noordwest. N— ten N. N— ten Z. (windstreken, tusschen het N— en het N. of Z. gelegen).—Tevens bywoord.

Noordoost, z. n. o. of ten Noordoosten. — Windstreek, midden tusschen het Noord en Oost gelegen.—Tevens bywoord.

Spreekwijze: Ik gaf hem een opzetter dat hij  N— lag (dat hij  niet wist, waar hij  te land kwam).

Noordoosten (ten), bw. — Zie Noordoost.

Noordoosteren, o. w. — Naar ’t N. O. loopen. De wind is aan ’t N—.

Noordoostering, z. n. v. — Afwijking der kompasnaald van ’t N. naar ’t N. O.

Noordpool, z. n. m. — Zie Pool.

Noordsch, b. n. — Wat uit het Noorden, bepaaldelijk uit Noorwegen of Zweden komt. N— hout. N-e Deelen.

Spreekwijze: hij  heeft N—e buien (hy is gemelijk, knorrig:—omdat N— en norsch woorden zijn van eene beteekenis).

Noordstar, z. n. v. — Star, die in ’t N. staat en tot een baak aan de zeevarenden strekt.

De Noortstar streckt aldus bij  nacht op zee
Een heldre baeck voor die de zee bevaren:
Zy wijst de streeck, de haven, en de reê
En baent de wegh in spoorelooze baren.
Vondel. Danckoffer aan Christine.

Spreekwijze: hij  is de N— waarop ik my richt (hy is mijn gids, mijn leidsman). [149]

Noordwest, z. n. o. of Noordwesten. — De windstreek tusschen het Noorden en ’t Westen.

Noordwest, bw. — Wat zich ten N. W. bevindt.

Noordwesten, z. n. o. — Zie Noordwest.

Noordwesteren, o. w. — Naar ’t N. W. loopen. De wind is aan ’t N—.

Noordwestering, z. n. v. — Afwijking der kompasnaald van ’t N. naar ’t N. W.

N. W., z. n. o. — Beteekent Noord-West.

Nijptang, z. n. v. — Tang, waarmede spijkers worden uitgehaald.

O.

O., z. n. v. — Voor Oost, Oostwaarts; ten O. (voor ten Oosten).

Oceaan, z. n. m. — Waereldzee. De Atlantische O—. bij  de dichters wordt O— in ’t algemeen voor alle groote zeeën genomen.

Odief, z. n. m. (veroud.) — Benaming van een soort van schaaf.

Oefening, z. n. v. — Meer gewoon is, waar het bewegingen van schepen geldt, het uitheemsche woord manoeuvre.

Oever, z. n. m. — Strand, kust, zee- of rivierkant.

In de engte, die Calais gescheiden houdt van Doever,
Laveerde een Spaansche vloot, die wederzijds de oever
Met duizend kielen schuurde.
S. Styl.

Spreekwijze: Aan de O— van ’t verderf, aan de O— van ’t graf (aan de rand van ’t verderf, enz.).

Officier, z. n. m. — In ’t algemeen ieder, die eenig officie of bediening bekleedt. Zie DekO—, VlagO—, enz.

Om, bw. — 1o. Voor: over, voorby. De tijd is O—. De nacht is O—.

2o. Veranderd: De wind is O—.

Ombaksen, b. w. — Zijdelings richten, t. w. een stuk geschut. Zie Baksen.

Ombrassen, b. w. — De zeilen van richting doen veranderen.

Omgorden, b. w. — t. w. een schip, waarvan de inhouten dreigen los te gaan, met kabels beleggen om de losse deelen bij  elkander te houden.

Omhalen, b. w. — Een andere richting geven. De voorzeilen O— (de voorraas over de andere zijde brengen, zoodat de wind in het fokkezeil vat).

Omhalzen, b. w. — Met storm byleggende, voor-de-wind om, over de anderen boeg gaan byleggen.

Omkenteren, o. w. — Omkantelen, ’t onderst boven keeren. Het O— van een sloep.

Omlaag, bw. — Onder het dek; gebruikelijk in komms. O— allen!

Omleggen, b. w. — 1o. Op zijde leggen. Een hout O—. [150]

2o. Vastmaken, een ring, een oog, een omgeslagen touw in eenig voorwerp haken. Een slag O— (het omslaan en vastmaken van een touw om een kruishout, dukdalf, paal, enz).

Omloopen, o. w. — Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hij  verandert.

Omscheren, b. w. — Ververschen. Touwwerk O— (het van plaats doen veranderen om het niet bestendig aan dezelfde wrijving bloot te stellen).

Omschieten, b. w. — Omslaan. Een touw O— (een touw Ergens om heen slaan).

Omslaan, b. w. — Omverwerpen. De wind Sloeg het schip Om.

Omslaan, o. w. — Omvallen. Het schip Sloeg Om.

Omslag, z. n. m. — Handvatsel. De O— van een boor.

Omslooien, b. w. (veroud.) — Omzwikken, omhalen.

Omsmakken, b. w. — Omgooien, naar een andere zijde brengen, b. v. in het nu verouderd komm. Smak het zeil Om.

Omspant, z. n. v. — Afmeting, vorm. O— van een schip.

Omwaaien, o. w. — Door de werking van de wind omver gaan.

Omwenden, o. en b. w. — Thands wordt meer gewoonlijk Wenden gezegd. Zie aldaar.

Omzeilen, b. w. — Om heen zeilen. Een hoek O—.

Omzwaaien, o. w. — Zie Zwaaien.

Omzwalpen, b. w. — Zie Zwalpen.

Geen aardrijk kan zijn kreits bepalen,
Geen arm van aard-omzwalpend zout.
Bilderdijk. Ode aan Napoleon.

Onbemand, b. n. — Zonder bemanning. Het schip is nog O—.

Onbevaren, b. n. — Ongeöefend, ongewoon aan boord. Het is slecht zeilen met O— manschap.

Onder, voorz. — Beneden. O— de lij, O— de wind van een ander schip (wordt een schip gezegd te zijn, wanneer de wind komt van de zijde waar dat andere schip ligt.) O— de kust, O— de wal (wordt een vaartuig gezegd te zijn wanneer het zich op weinig afstands van die kust of dien wal bevindt.) O— zeil gaan (wegzeilen.) O— Engelsche vlag (een Engelsche vlag voerende.) O— die zeilen, O— dat zeil loopen (alleen die of dat bepaalde zeil voeren.) O— de wind laten loopen (afhouden, zoo dat de wind dwars in de zijde komt.) O— zee gelegd zijn (door een zeeslag op zijde gesmeten en overdekt zijn). O— water.—Zie Boven.

Onderbarghout, z. n. o. — Zie Barghout.

Onderdompelen, b. w. — Geheel onder water brengen. Het Ondergedompeld gedeelte van een schip (dat gedeelte, ’t welk onder water is).

Onderdompeling, z. n. v. — Overstrooming. De geheele O— van een sloep.

Onderdoorrijden, Onderrijden, o. w. — Wordt het schip gezegd te doen, als het, voor anker liggende, door hooge zeeën overstelpt, zinkt.

Onderlegger, z. n. m. — Zie Kiellichter.

Onderloop, z. n. m. — Zie Voorstuk en Knie. [151]

Onderlijk, z. n. o. — Onderste gedeelte van een zeil. Dat zeil heeft veel breedte in zijn O—.

Onderlijzeil, z. n. o. — Het Onderste Lijzeil, als dat van de groote fokkera.

Onderofficier, z. n. m. — Officier van minderen rang.

Ondernoktaliestopper, z. n. m.—Kleine Stopper, die, op een galei, aan de voet van de mast was gestoken op de strop van de Ondernok, en dezen vasthield.

Onderra, z. n. v. — Benedenra.

Onderruim, z. n. o. — Diepste van het ruim.

Onderrijden, o. w. — Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het door hevige stortzeeën overstelpt wordt.

Onderschip, z. n. o. — Benedengedeelte van een schip.

Onderschoren, b. w. — Met schoren of stutten ophouden.

De vlietgodinnen zien ontelbare oorloghskielen
En schepen toegerust en onderschooren ’t vlot.
Vondel. Verovering van Grol.

Onderschoring, z. n. v. — Hetgeen onder een schip op de helling of onder eenig ander werk op de grond is geplaatst om het te stutten.

Onderstrijken, b. w. (veroud.) — Met planken van onderen bestrijken of beschieten.

Onderstut, z. n. m. — Zie Stut, Noodstut.

Onderstutten, b. w. — b. v. een schip; wanneer het op strand ligt en men er stutten onder zet om het omslaan te beletten.

Onderstuurman, z. n. m. of Stuurmansmaat.

Onderwant, z. n. o. — Want, dat lager zit.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *