Zeemans woordenboek Lijken – Onderwant

Lijken, b. w. — Een zeil met touwwerk omzoomen.

Lijkgaren, z. n. o. — Garen, tot het Lijken gebruikt.

Lijknaald, z. n. o. — Naald, tot het Lijken gebezigd.

Lijn, z. n. v. — 1o. Koord, touw, gewoonlijk van witten draad van 120 vademen lengte. In de L— loopen (een schuit trekken). Zie Loop in ’t Lijntjen.

Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege,
Daer ’t treck-gelt op magh staen; aers moeten w’in de lijn
En halen ’t met de hals; maer dat’s een korte pijn.
Huyghens, Hofwijck.

2o. Denkbeeldige Streep. L— van de kim, waterL—.

3o. Bocht, op de scheepswand aangeteekend, om de plaats aan te wijzen waar het Dek moet komen. Zie DekL—.

Spreekwijze: Zachtjens aan, dan breekt de L— niet (laat uw ontwerp niet door overijling of drift mislukken).

Trek aan dat L—tjen niet (roer die zaak niet aan).

Eene L— trekken (overeenstemmen, hetzelfde advies of stelsel voorstaan).

Lijnbaan, z. n. v. — Eigenlijk de baan, waarin touw getrokken wordt: van daar de touwslagery zelve.

Lijst, z. n. v. of Sent. — Zoomwerk, dat tijdelijk gebruikt wordt bij  de aanbouw van een schip, om de spanten in verband te houden.

Lijstlijnen, z. n. v. mv. (veroud.)—Touwen, daar men de bonnetten aan de zeilen meê vast rijgt.

Lijstnaald, z. n. v. — Kleine Lijst, strook, die, in een mast of ra, uit veelvuldige deelen saamgesteld, tot aanvulling wordt geplaatst.

Lijwaart, bw. — Van de wind af. Aan Lij.

Lijwal, z. n. m. — Kust, wal onder de wind. [134]

Lijzeil, z. n. o. Zie Broodwinder. — BovenL— (dat aan het marszeil), BramL— (dat aan het bramzeil), Groot bovenL— (dat aan het grootbovenbramzeil), Groot onderL— (dat aan de groote ra), KruisL— (dat aan het kruiszeil), KruisbramL— (dat aan het Grietjen), Voor-bovenL— (dat aan het klein marszeil), VoorbramL— (dat aan het voorbramzeil), VooronderL— (dat aan het fokkezeil is bygezet).

Lijzijde, z. n. v. — Zijde onder de wind.

M.

Maak vast, u. — Kommando om te beleggen of te sjorren. M— V— zonder opgaan (zonder dat het touwwerk slap wordt).

Maalstroom, z. n. m. — Wieling, of draaikolk, die op sommige plaatsen zoo sterk is, dat een klein vaartuig, hetwelk er in raakt, groot gevaar loopt van vergaan.

Maan, z. n. v. — Planeet, die in ongeveer 27 dagen om de aarde wentelt, en door wier invloed ebbe en vloed geregeld wordt. Volle M— (als zich haar schijf geheel verlicht vertoont). Nieuwe M— (als zij nog moet wassen). Wassende M— (als zij dag aan dag voller wordt). Afnemende M— (als haar schijf telke nacht vermindert). KwartierM— (als zij in haar eerste of laatste kwartier is). Pissende M— (Halve M— die zich met de bovensten hoorn voorover gebogen vertoont: zij is volgends de zeelieden een voorbode van regen). Scheppende M— (Halve M— wier onderste hoorn vooruit steekt). Maandagsche M— (op welken dag geen visscher zoû afvaren, naar ’t oude rijmpjen:

Een maandagsche maan,
Kan iets (een vaartuig) zonder wind of regen vergaan.
Maas, z. n. v. — 1o. Knoop van een net.

2o. Opening, tusschen de knoopen ingelaten.

Spreekwijze: Door de Mazen kruipen (de gelegenheid waarnemen om een gevaar te ontkomen, waar anderen licht in zouden geraken).

Maat, z. n. m. — 1o. Iemand, die een ander behulpzaam is of ter zijde staat. KoksM—, BotteliersM—, BootsmansM—, SchiemansM—.

2o. Makker, kameraad. Zie Baksmaat.

Magazijn, z. n. o. — Bergplaats, pakhuis. Het Oost-Indisch M—, het West-Indisch M— (waar Oost- of West-Indische waren werden opgeslagen). Zie Zeemagazijn.

Magazijnmeester, z. n. m. — 1o. Hoofdopzichter van een Magazijn.

2o. Viktualiemeester.

Mager, b. n. — Schraal, gebrekkig. M— water (ondiep water).

Magermannen, z. n. m. mv. — Boelijns van de fok.

Magneet, z. n. m. — Zie Zeilsteen. Natuurlijke M— (die uit zijn aart het yzer aantrekt). KunstM— of artificieele M— (die met zeilsteen bestreken is). Beslagen of geladen M— (die met yzer bekleed is). Mededeelzame M— (die zijn werking gemakkelijk doet). Sterke M— (die in evenredigheid met zijn grootte een zwaar gewicht torscht). [135]

Magneetnaald, z. n. v. — Naald, met yzer beladen of voorzien.

Magneetsteen, z. n. m. — Zie Zeilsteen.

Mal, z. n. m. — Vorm, uit dunne planken vervaardigd, hetzij van ’t geheel, of ter samenstelling van eenig onderdeel. De scheepstimmerlieden werken naar de M—, moeten zich houden aan de M—, de M— minnen. ’t Woord is ’t zelfde als ’t Fr. moule, doch echt Hollandsch een wortel van Malen.

Spreekwijze: Iemand voor de M— houden (hem bezigen als een voorwerp, waar men nut van trekt.)

Malder, Maller, z. n. m. — Naam, die men op de scheepstimmerwerven geeft aan bekwame werklieden, die de Mal weten te stellen, of de stukken er voor samen te brengen.

Mallen, o. w. — Naar de Mal werken.

Malzolder, z. n. m. — Ruim vertrek, waarvan de vloer volkomen gaaf en horizontaal is en tot bord dient, waarop de spanten, de senten enz. van het vaartuig, dat men bouwen wil, worden afgeteekend.

Mamiering, z. n. v. — Geleibuis van leder, zeildoek of andere zoo veel mogelijk ondoordringbaar gemaakte stof, en dienende om vocht of gas van de eene naar de andere plaats te doen wegvloeien. M— van de spygaten, van de pomp.

Kruitstampers, akerkloots, mammierings en kardeelen.
Antonides Ystroom.

Man, z. n. m. — Benaming, welke de visschers op sommige zeedorpen aan de schuit geven. De M— is op het hout geholpen (het vaartuig, dat op ’t zand tegen ’t duin aanstond en er ingezakt was, is gelicht en op rollen en planken gebracht om het in zee te brengen).

Man, z. n. m. mv. — Verkorting van Mannen. Hoe veel M— hebt gy aan boord? Het schip is met M— en muis vergaan (met al wat er zich op bevond).

Man te roer, u. — Kommando om de roerganger te doen vervangen.

Mangat, z. n. o. — Opening aan boord van een stoomvaartuig, door welke men in de stoomketel komen kan.

Manifest, z. n. o. — Gewaarmerkte Vrachtlijst: een dubbel daarvan kan volgends art. 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 voor generale verklaring gelden.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *