Watersnoodramp 1953

Thema’s > De Watersnoodramp

Zeeland 31 januari 1953. Het stormde vreselijk. Toch waren de meeste mensen gewoon rustig naar bed gegaan. Zij werden in hun slaap overvallen door een zware stormvloed.

Zaterdag 31 januari was het springvloed. Dat is een extra hoge waterstand van de zee. En er woedde die dag ook nog een noordwesterstorm. In de nacht kreeg die de kracht van een orkaan. De springvloed en de hevige storm zweepte het water van de Noordzee op. Zo hoog dat veel dijken in Nederland het begaven. Vloedgolven van soms wel een meter hoog rolden de polders in. Grote gebieden in Zeeland, Noord-Brabant en Zuid-Holland overstroomden. Het zoute water sleurde alles mee.

Reddingsacties en hulp
Zodra het licht werd probeerden mensen uit het rampgebied met hun boten mensen en dieren te redden. Omdat het zondag was en omdat alle verbindingen zoals telefoonlijnen waren uitgevallen, kwam de hulp uit de rest van het land langzaam op gang. Later kwamen Nederlandse, Belgische, Franse, Amerikaanse en Britse soldaten met boten, vliegtuigen en helikopters naar het rampgebied. Veel mensen die nog op de daken en zolders zaten werden door hen gered. De soldaten brachten de slachtoffers naar cafés, jeugdherbergen, scholen en kerken. Daar werden ze opgevangen en kregen ze warme kleren en eten en drinken. In de weken na de Ramp, werd er door veel mensen geld gegeven aan het ‘Nationaal Rampenfonds’. Bijna 140 miljoen gulden! Dat was in die tijd een heel hoog bedrag. Het Rode Kruis zamelde kleding en dekens in. En ook het buitenland gaf voedsel en goederen om de slachtoffers te helpen.

Oorzaken en gevolgen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) werden veel dijken in Nederland beschadigd. Na de oorlog werd er weinig gedaan om deze dijken te herstellen. Nederland had het te druk met de ‘wederopbouw’. Bruggen, wegen en fabrieken waren bijna allemaal vernield en locomotieven, wagons en vele machines waren kapot of gestolen. Het kostte veel tijd en geld om dit allemaal weer op orde te brengen. Aan de dijken waren ze nog niet toegekomen. Toen in de nacht van 1 februari het water steeg, braken deze dan ook door of zakten ineen. 1835 mensen verdronken bij de Watersnoodramp net als duizenden dieren zoals koeien, varkens en paarden. Meer dan 72.000 mensen moesten tijdelijk verhuizen (zij mochten logeren bij gastgezinnen). Duizenden huizen, boerderijen en andere gebouwen waren helemaal verwoest of zwaar beschadigd. Het duurde nog jaren voordat de boeren weer normale oogsten hadden. Het zoute water had de akkers geen goed gedaan.

Dijkherstel
Direct na de Ramp werd begonnen met het repareren van de dijken. In het begin gebeurde dit met zandzakken. Maar al gauw stuurde de regering tractoren en andere moderne machines. Nadat een dijk was gedicht werd het gebied erachter drooggemalen en opgeruimd. In april 1953 waren nog elf dijken niet gedicht. Op 6 november, zeven maanden na de Ramp, werd het laatste gat bij Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland gesloten.

Deltawerken
Lang voor de Watersnoodramp van 1953 hadden dijkenbouwers het zogenaamde ‘Deltaplan’ bedacht. Dat was een plan om de zeearmen in Zuidwest-Nederland af te sluiten. Dat plan was nooit uitgevoerd, maar na de Ramp werd er haast achter gezet. Het ene zeegat na het andere werd met dammen gedicht en alle dijken langs de Nederlandse kust werden opgehoogd. Door de Deltawerken is de kans op een watersnoodramp veel en veel kleiner.

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *