Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede 1849-1874

Thema’s > Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede 849-1874

The Project Gutenberg EBook of Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede, bij Pieter Jacob Andriessen This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede 1849-1874

EERSTE HOOFDSTUK.

‘s Konings intocht in de Hoofdstad.

„Nu, dat is je wachten! ‘t Is of die trein nooit aankomt. En dat noemen ze nog al snel!”
„’t Is altoos toch sneller dan met de trekschuit, Gustaaf.”
„Daarin heb je gelijk, Margot. Maar ik vind toch, dat zo’n trein op zijn tijd moest aankomen.”
„Ja, Gustaaf, je mocht dat vinden zooveel je wilt. Daar storen ze zich echter al heel weinig aan. Toen we laatst ma met de vigilante van de spoor gingen halen, was ‘t immers een half uur te laat.”
„O ja, toen je zoo bang waart, dat ze een ongeluk mocht hebben gekregen.”
„Net of jij ook niet bang waart, broertje.”
„Nu, ja, Margot! Ik wil ‘t wel weten; ik was ook alles behalve gerust. Want men hoort uit Engeland zoo dikwijls van spoorwegongelukken—dat men er bang voor zou worden. Hier echter rijden ze veel langzamer en ze zijn veel voorzichtiger.”
„Ja, maar daar zijn ook zooveel spoorwegen,” hernam Margot. „Juf zegt, dat men daar met spoortreinen naar alle grote steden kan komen. Waarom maken ze hier ook niet meer spoorwegen?”
„Ja, Margot dat vind ik ook. Mijnheer Valk zei onlangs, toen we ‘t op school over de spoorwegen hadden, dat die door ‘t land moesten worden aangelegd; maar dat zou zooveel geld kosten.”
„Nu, ‘t land is dunkt me, rijk genoeg. Als je maar eens rekent, hoeveel hier in Amsterdam de mensen aan belasting betalen.”
„Maar daar is ook wat nodig, Margot, om al de uitgaven te bestrijden. Reken nog niet eens den koning en de leden der Staten-Generaal: want dat is in vergelijking maar een bitter beetje. Maar dan de ministers met hun ministeries, al die ambtenaren, van de secretaris-generaal tot aan de minste klerken en boden, dan de justitie en politie, en dan vooral de marine en ‘t leger.”
„Wat doen we ook met al die soldaten, Gustaaf. Sedert het jaar 39 leven we in vollen vrede.”
„We dienen toch een marine te hebben voor onze Oost-Indische bezittingen, en een leger, om in tijd van oorlog klaar te zijn. Dat zou nu alles nog niets wezen, als ons land maar zooveel schuld niet had.”
„Schuld! Ons land schuld!” riep Margot uit. „Nu moet ik om u lachen. Een land schuld!”
„O, jou dom gansje!” zei Gustaaf lachend. „Ik wou, dat ik een duizendste part van ‘t bedrag der schuld had, die ons land heeft. Dan kon ik wel met een koets met zes paarden rijden.”
„Maar waarom betaalt het land die schuld dan niet!” vroeg Margot. „Als ma of oom Henri of wie ‘t ook zij, schulden hadden en ze betaalden niet….”
„Dan zouden ze hun boel aanslaan en publiek verkopen, niet waar? Maar een land bestaat uit ingezetenen en die ingezetenen hebben huizen en meubelen. Moeten dan de schuldeisers van ‘t land die meubels en die huizen verkopen! Misschien de mensen ook nog wel?”
„Foei, Gustaaf. mensen verkopen! Dat is slavenhandel.”
„Welnu, in onze West-Indische bezittingen, in Suriname, kopen en verkopen ze de arme zwarten. Waarom dan hier ook niet de blanken?”
„Ma zegt, dat het een schande voor ons land is, dat in onze bezittingen slaven zijn. Ze zegt, dat het in ‘t geheel niet christelijk is.”
„Daarin heeft ma volkomen gelijk,” hernam Gustaaf. „En ‘t is te hopen, dat dit eens ophoudt. Misschien zou onze Regering ‘t wel willen doen; maar ‘t zou ook al weer zooveel geld kosten.”
„Geld! Wel geen cent!” riep Margot uit. „Als ik koning was, dan zou ik zeggen: Alle slaven zijn vrij.”
„Een mooi ding. Als gij koning waart, zou ge dan ook maar zeggen: alle huizen en meubels zijn voor uw buurman. Ik denk dat ma daar wel tegen zou hebben.”
„Maar huizen en meubels zijn rechtmatig eigendom. Deze zijn gekocht of geërfd.”
„En slaven en slavinnen zijn evenzeer rechtmatig eigendom. Die hebben de mensen in West-Indië ook gekocht of geërfd. We hadden ‘t er juist laatst op school over en toen zei mijnheer Valk, dat ons gouvernement, als het de slaven wilde vrijmaken, ze moest onteigenen; d. i. ze tegen een billijken prijs van hun meesters afkopen, of deze ‘t wilden of niet. En daar zou menig kwartje mee heengaan.”
„Nu, dat denk ik ook. Maar we zijn daar bij ons onderwerp blijven steken. Ik begrijp nog niet, hoe een land schulden heeft.”
„Luister, dan zal ik het u uitleggen. Ons land heeft in vroegere tijden dikwijls oorlog gevoerd. zo’n leger kostte vrij wat geld aan werving, kleding, onderhoud, wapenen en buskruit, de schepen moesten gebouwd, bemand en van alles voorzien worden. Dat konden de mensen niet aan belastingen opbrengen. Welnu, wat deed dan ons land? Dan leende het geld van de ingezetenen en ‘t gaf hun daarvoor staatspapieren of effecten. Van die effecten gaf het eerst twee en een halve gulden ‘s jaar van elke honderd gulden, dat noemt men percent, later drie, vier, en vijf percent.”
„O, zijn dat dan de coupons, zoals ma ze knipt en die net zoo goed als geld zijn?”
„Juist, bij elk effect behoort een stel coupons met een talon er aan, op welk laatste men nieuwe coupons kan krijgen als het blad oude op is. Een van die coupons kan men om ‘t half jaar afsnijden en dat is de interest of huur welke men voor zijn geleend geld krijgt.”
„Maar heeft ma dan geld aan ‘t land geleend?”
„Ma nu juist wel niet. Maar andere mensen: grote kantoren. En die verkopen dan de effecten of schuldbewijzen aan de beurs.”
„Dan kocht ik altijd effecten, die 5 percent interest geven,” zei Margot.
„Die zijn er niet meer, ten minste geen Nederlandse. Toen mijnheer van Hall in ‘t jaar ’42 de vrijwillige drie procent lening van 127 miljoen guldens vol had gekregen, heeft hij ook de vijf procent in vier procent geconverteerd of verwisseld.”
„Nu, dan kocht ik 4 procent,” hernam Margot.
„Ja maar, die zijn de duurste. Als men bijvoorbeeld aan de beurs voor de honderd gulden twee en een half procent vijftig gulden betaalt, dan moet men voor de drie procent zestig en voor de vier procent tachtig geven.”
„Nu begrijp ik er niets meer van,” hernam Margot. „Maar daar fluit de trein. Kijk, de baanwachters waaien al met hun witte vlaggetjes—nu zullen we hem wel spoedig zien arriveren.”
Terwijl onze beide jongelieden op het perron van ‘t station staan, om den trein af te wachten, willen we hen eens nader beschouwen en u ‘t een en ander van hen mededelen.
Gustaaf, een fikse krullenbol van ruim vijftien jaren, en die nog bij mijnheer Valk school gaat, heeft het vak van zijn sedert twee jaren overleden vader gekozen: hij zal makelaar in effecten worden. Dat hebt ge zeker wel gedacht, toen ge hem daar zoo dapper over staatspapieren hoorde spreken. En er is alle hoop, dat de knaap een knap man in zijn vak zal worden; want hij is een matador in ‘t rekenen, en dat is toch nummer één bij de mannen van de beurs, vooral voor hen, die in de effectenzaak thuis horen. Margot is zijn zuster, een jaar jonger dan hij, over ‘t algemeen een aardige, vrolijke meid; doch die ‘t nog al eens te kwaad heeft met de oude tante de Bosson, die sedert den dood van mijnheer de Winter bij hun mama is komen inwonen en niet heel gemakkelijk van humeur is. En om nu ‘t huisgezin te voltooien, noemen we u nog vriendelijke, dikke Jans of Jenske, zoals ze eigenlijk heet, die reeds vier jaren bij mevrouw de Winter heeft gewoond. En zoo hebben we u de lijst der gehele familie medegedeeld.
Mevrouw de weduwe de Winter de Bosson kan leven; ze woont in een huisje op de Heerengracht, juist groot genoeg voor de vijf mensen, welke er in leven, en met een ferme logeerkamer, om gasten van buiten de stad te ontvangen.
Nog moet ik u mededelen, dat het tijdstip, waarop onze beide jongelieden op den trein stonden te wachten, op Donderdag den tienden Mei van ‘t jaar 1849 was.
En nu genoeg: want daar komt de locomotief al hijgend en stampend aan; ‘t is waarlijk of ze moede is van den langen tocht. En wij kijken met Gustaaf en Margot naar de verwachte gasten.
„Zoo, bonjour, Margot, bonjour, Gustaaf!” klinkt het, en uit een wagon tweede klasse stapt een allerliefste veertienjarige jonge dame. ‘t Is Florence, de enige dochter van oom Henri, die kapitein bij de grenadiers te ‘s-Hage is. Ze ziet er allerliefst uit, die Florence, met haar blozend gelaat, haar helder blauwe ogen en de blonde krullen, die keurig zijn opgemaakt en waarop een aller-elegantst hoedje staat.
„Bonjour, Florence!” zegt Margot. „En waar is uw geleider neef Bernard?”
„Daar is hij reeds,” antwoordt een knaap van vijftien jaren, die niet zonder enige voorzichtigheid de hoge trede van den wagon afkomt. En geen wonder; want de arme jongen is een weinig contrefait. Hij heeft hoge schouders, waarvan de ene wat boven den anderen uitsteekt, en zonder juist een bochel te hebben, is hij toch zoo verdraaid, dat men hem onder de bultenaars zou kunnen rangschikken. Daarbij heeft zijn gelaat dat lange en scherpe, hetwelk men gewoonlijk bij die soort van gebrekkige aantreft. Maar dat onaangename in zijn voorkomen wordt veel verminderd door de heldere, flikkerende ogen en ‘t hoge voorhoofd, welke een vernuft verraden, dat boven zijn jaren is en de kleine gestalte ruimschoots vergoedt, welke hem in grootte gelijk doet staan met een die den leeftijd van twaalf jaren bereikt heeft.
„Laat mij u helpen, Bernard,” zegt Gustaaf goedig.
„Dank u, mijn waarde,” antwoordt de aangesprokene, terwijl hij de hem aangeboden hand afwijst. „„Help u zelf!” zegt het Engelse spreekwoord; en dat betekent: zorg maar, dat je de wereld doorkomt, al moet je er ook doorheen kruipen.”
„En hoe gaat het u, Florence? En hoe maakt papa het? En August en Emile? en juffrouw Medemeier?” vraagt Margot.
„’t Is jammer, dat je niet nog naar onze oude Kee ook vraagt,” antwoordt Florence. „Dan hadden we de gehele familie bij elkaar gehad. Welnu, ik zal ‘t u zeggen. Pa is gezond, August is springlevend; Emile een beetje verkouden en heeft huisarrest; juffrouw Medemeier brommig als altijd, en Kee was blij, dat ik eens naar Amsterdam ging, omdat ik dan voor een dag of wat van ‘t gebrom van juf af was. En hoe gaat het bij u thuis?”
„Allen springlevend. Tante lastig als altijd. Maar daaraan zijn we gewoon,” hervat Margot. „Doch hoe vaart mijn waarde neef Bernard?”
„Uw neef Bernard,” antwoordt de knaap, „is gelukkig, dat hij zijn lieve nichtje Margot van zijn gezondheid kan verzekeren. Even gaarne zou hij ‘t haar doen van zijn oprechte toewijding, maar daartoe heeft moeder natuur hem ‘t vermogen ontzegd, daar ze hem tamelijk krom en verdraaid heeft geschapen. Intussen, als ge u niet geneert, om door de straten van Amsterdam met een bochel te lopen, dan zal hij zeer gelukkig zijn, u zijn arm te presenteren.”
„Wel zeker, laat ons eens geslaemmerd gaan, Bernard,” zegt Margot, ofschoon ze ‘t wel een beetje zot vindt, met een knaap, die een hoofd kleiner is dan zij, gearmd te lopen.
„En ik verzoek den arm van nichtje Florence,” zegt Gustaaf.
„Met genoegen, Gustaaf,” antwoordt deze. „Dan gaan we twee aan twee….”
„En de rest aan troepjes,” voegt Bernard er bij.
„Je hebt toch geen goed bij u?” vraagt Gustaaf.
„Dat hebben we per expeditie Koens gezonden,” antwoordt Florence. „Is ‘t nog niet aangekomen?”
„Toen we ons huis verlieten, was het er nog niet,” verzekert Margot. „Misschien is ‘t er nu al.”
„En avant!” commandeert Gustaaf; terwijl hij met zijn nichtje aan den arm vooruitstapt. „’t Zal hier morgen drukker zijn, Florence,” vervolgt hij tot zijn dame. „Zie, men is al aan ‘t versieren van ‘t station. Ook van de Willemspoort, zoals je merkt.”
„Nu, ‘t zal een pret zijn,” antwoordt Florence. „Ik was toch zoo blij, dat uw ma mij vroeg! De burgers zullen toch ook wel hun huizen versieren!”
„Dat zul je eens zien. Men is hier en daar al bezig. Jammer maar, dat het nog zoo vroeg in ‘t jaar is en er nog zoo weinig bloemen zijn. Maar aan groenmaken en aan vlaggen zal ‘t niet mankeren.”
„Ik hoop dat we den trein bij den intocht eens goed zien,” zegt Bernard.
„Zien?” vraagt Gustaaf. „Stellig driemaal. Eerst op den Haarlemmerdijk, wanneer je niet bang bent voor gedrang; dan bij ons aan huis—want hij komt vlak voorbij ons, en daarna nog op ‘t Reguliersplein, waar neef Biel woont, die ons heeft uitgenodigd, om te komen als hij ons gepasseerd is.”
„En zullen we dat alles kunnen avonturen?” vraagt Bernard.
„Voorzeker. Zodra we den trein op den Haarlemmerdijk gezien hebben, steken we dwars door en gaan naar huis; en als hij daar voorbij is, nemen we den kortste weg naar neef Biel. Maar dan moeten we benen maken.”
„Nu, we zijn jong en sterk,” verzekert Florence.
„Maar ge hebt geen Amsterdamse benen zoals wij,” waarschuwt Margot.
„Dan zullen we onze gewrichten maar wat smeren, zoals de oude Grieken het deden, als ze deel namen aan de Olympische spelen,” zegt Bernard.
„Ik dacht, dat het alleen jonge Grieken waren, die daaraan deelnamen,” meent Margot schijnbaar onnozel.
„O, ondeugd!” roept Bernard uit. „Dat is een geestige aanmerking. Als we Fransen waren, zouden we van de „anciens” Grieken gesproken hebben en niet van de „vieux”. Ik had me toch ook beter kunnen uitdrukken als ik van „vroegere” Grieken gesproken had. Doch: errare humanum est1).”
„Daar komt de latinist weer voor den dag,” zegt Florence. „O, die Bernard is altijd met zijn Latijn in de war. Hij wil ons laten horen, dat hij de Latijnse school te Bommel frequenteert.”
„Ik?” vraagt Bernard. „Die spreuk viel me daar zoo uit den mond. Als ik nu nog trots op mijn Grieks was, dan zou ‘t wat anders zijn.”
„Waarom?” vraagt Gustaaf.
„Wel, omdat mijn lotgenoot, Esopus, een Griek was,” antwoordt Bernard. „Juist daarom verlang ik zoo, om aan ‘t Grieks te gaan.”
„Me dunkt, dat je dan veel van dien ondeugende Esopus zult hebben, ten minste wat de scherpte van uw tong aangaat,” verzekert Margot.
„Dank voor uw compliment, schone Athalante,” herneemt Bernard. „Maar, om tot ons on-Grieks Holland terug te komen. Wat doen de mensen hier toch? Gaan ze hun huizen barricaderen?”
Dit zeggende, wijst hij op de houten staketsels, die allerwegen, waar morgen de trein moet doorkomen, met lage schuttingen worden afgepaald.
„Dat doen ze, opdat het ongenodigd publiek zich geen meester moge maken van hun stoepen. Bij ons is de stoep ook zoo afgesloten. Je begrijpt toch wel, dat men anders geen plaats zou hebben om zelf met zijn familie en zijn genodigden te staan. Sommigen trekken er nog een broodje van en verhuren de plaatsen voor een gulden of twee kwartjes, al naardat zij mooi zijn. Ook hele kamers of ramen zijn reeds verhuurd voor dien ene dag, en ik verzeker u, dat daar met zulk een gelegenheid geld voor wordt betaald.”
„Nu, dat is nog een aardigheid voor sommige mensen,” vindt Bernard.
„O ja,” verzekert Margot. „Bij al zulke gelegenheden wordt er vrij wat geld verdiend. Vooreerst door timmerlieden, die de staketsels opslaan en moeten zorgen voor latten als anderszins voor de illuminatie; ten tweede door de mensen, die groen verkopen of de huizen versieren, ten derde door de verkopers van illumineerglazen, ten vierde door degenen, die plaatsen verhuren, ten vijfde door bakkers en slagers, om de meerdere consumptie, ten zesde door de logementhouders, ten zevende door de slepers, daar er wat gereden wordt op zo’n tijd, ten achtste door de wijnhuishouders of herbergiers: want de mindere klasse doet zijn oranjegezindheid graag blijken door ‘t ruim gebruik van Schiedammernat.”
Onder zulke gesprekken waren ze thuisgekomen. Jans deed ons viertal open, en de beide logés werden hartelijk ontvangen door mevrouw de Winter. De oude tante scheen dien dag nog al goed gemutst te zijn; ten minste toen zij binnenkwam, verwelkomde zij de aangekomene vrij hartelijk en was onuitputtelijk in het vragen naar neef Henri en de kleine neefjes August en Emile, vooral naar den laatste, die haar petekind was; en ‘t smartte haar zeer, te vernemen, dat het arme kind zoo verkouden was. Ook Bernard moest haar op de hoogte brengen, hoe ‘t met zijn zusjes Netje en Truda en zijn broertje Frits was, zodat er vrij wat te praten en te vertellen viel. Daar wij echter tot nu toe geen belang stellen in de kleine familiegeschiedenis en evenmin lust hebben, de jongelieden in den namiddag van dien dag door de stad te vergezellen; waar ze ook enkele met bogen en slingers versierde achterbuurten doorwandelden, wensen we op den avond van dien dag de gehele familie een goeden nacht, en bezoeken haar liever den volgende dag, Vrijdag den 11 Mei 1849.
Op dien gedenkwaardige dag was de gehele hoofdstad in feestgewaad getooid. Groen noch vlaggendoek was gespaard, om de gevels der huizen te versieren; bij sommigen waren die versieringen keurig van binnen voor de spiegelruiten aangebracht en stonden gehele piramides van fijne kasbloemen, doorslingerd met oranje-draperiën en met de borstbeelden van Willem I en Willem II en in ‘t midden de naam van Willem III. Van alle huizen, waar de trein moest doorkomen, wapperde de Nederlandse driekleur. Alle woningen waren van onder tot boven bezet met mensen, op hun keurigst gekleed, de straten en grachten wemelden van vreemdelingen en ingezetenen, zelfs goten en daken waren in gebruik genomen, om den Vorst te zien, die thans voor ‘t eerst als koning der Nederlanden binnen zijn hoofdstad zou komen, om daar den eed aan zijn volk te doen en door dat volk als koning erkend en ingehuldigd te worden. Willem de tweede, de ridderlijke vorst, die nog geen negen jaren geleden in dit zelfde Amsterdam zijn eersten intocht als koning gedaan en de huldiging had ontvangen, was den 17den Maart te Tilburg overleden en volgens artikel 13 der Grondwet was Willem de derde hem terstond opgevolgd. Doch volgens dezelfde Grondwet moest de nieuwe koning in Amsterdam gehuldigd worden. En dat zou morgen geschieden. Heden zou hij zijn plechtige intocht in de Hoofdstad des Rijks doen.
Aan ‘t stationsgebouw, waar we gisteren vertoefden, is een erewacht geplaatst, bestaande uit het eerste bataljon der dienstdoende schutterij. Het derde bataljon staat als erewacht aan het paleis; de overige troepen zijn in orde de bataille op den Dam geschaard. Het muziekkorps der schutterij, onder leiding van zijn kapelmeester P. P. Christiani, staat aan ‘t station.
Alles is in gespannen verwachting. Om halfeen zijn prinses Frederik en hare dochter, prinses Louise, met haar gevolg met een extratrein aangekomen, en terstond naar ‘t paleis gereden.
Een prachtige statiekoets, rondom van glas, rijk verguld, met een rood fluwelen kussen op haar verhemelte, waarop een grote gouden kroon, en bespannen met acht schone appelgrauwe paarden, een koetsier in galakleding en een witte allongepruik, was met twee hofrijtuigen reeds naar ‘t station gereden en had, evenzeer als de aanzienlijken en hooggeplaatste, die allen in groot tenue derwaarts reden, gediend om het ongeduld der wachtende menigte enigermate afwisseling te schenken.
Reeds is het drie uren geslagen en nog verneemt men niets van de aankomst des Konings. ‘t Programma sprak toch van „tegen drie ure!” Elke minuut schijnt een kwartier te duren. Daar—’t is juist vijf minuten over drieën, wordt de vlag op de Willemspoort omhoog geheven, het eerste kanonschot brandt los, de klokken beginnen te spelen.—Willem de derde is te Amsterdam aangekomen. De muziek der schutterij doet een nieuwen mars van Berlin horen.
Intussen schaart zich de stoet en trekt tot aan de prachtig versierde Willemspoort. De façade naar ‘t station is op smaakvolle wijs met guirlandes van vlaggen, met de kleuren van Nederland, Oranje en Wurtemberg en met veelvuldig groen gedrapeerd. Boven op de poort is een fraaie tropee van oranjedoek aangebracht, rondom lange wimpels, op den top door een lauwerkrans bijeengehouden. Aan weerszijden van den ingang staan allerlei soorten van bloemen en gewassen; o. a. twee schone oranjeboomen, met tal van vruchten beladen.
Aan de Willemspoort, het eigenlijke begin der stad, staan Burgemeester en Wethouders, benevens de Leden van den Raad der Hoofdstad. De burgemeester, de heer P. Huidecoper, verwelkomt Z. M. uit naam der burgerij, geeft de vreugde der ingezetenen te kennen over Z. M. komst in de hoofdstad des Rijks, en verzekert den koning, dat geheel Amsterdam deelneemt in het feest, hetwelk het thans viert. Koning Willem III beantwoordt die toespraak kort, maar hartelijk.
Zulke toespraken zijn behoorlijk, ze zijn heel interessant voor wie er dicht bij staan, voor de wachtenden op straten en grachten zijn ze vrij vervelend; daar ze het ogenblik verschuiven, waarop men den lang gewenste stoet ziet. Eindelijk—daar komt hij. Let nu goed op.
Eerst een commando cavalerie. Dat is niet alleen statig, maar ook goed om wat ruimte te krijgen voor den stoet. Langzaam en deftig rijden ze daar voort, die mannen te paard. Aan hun hoofd de trompetters, die de lucht van het geliefde Wilhelmus doen weergalmen. Dan komt de helft der erewacht te paard, bestaande uit jongelieden van aanzienlijken huize. Wat zien ze er keurig uit, zoo deftig in ‘t zwart en met witte vesten, hun karmozijnrood fluwelen sjerpen met witte zijden randen afgezet en wier slippen in zilveren franjes eindigen, om ‘t lijf gestrikt. Op hun hoeden hebben ze een groten oranjestrik, waarin de zwarte en rode kleuren van Wurtemberg; daarin een sierlijk gedreven zilveren lauwerkrans, met een Koninklijke kroon getooid, en in haar midden de naamcijfers van Hunne Majesteiten.
En nu de hoofdpersoon van den optocht: Koning Willem de derde, een statige, fiere gestalte, gekleed als generaal der infanterie, versierd met de grootkruisen zijner ridderorden en gezeten op een fraai appelgrauw ros. Naast hem de prinsen Frederik en Hendrik, en daarachter het militaire huis des Konings en de adjudanten van Hunne Koninklijke Hoogheden. Achter dezen stoet, die onder ‘t onophoudelijk geroep van: „Hoezee! Leve de koning! Leve Willem de derde!” voortrijdt, komt een koets met twee paarden bespannen, waarin de grootmeester van de koningin en de kamerheer van dienst. En daarop; men hoort het wel aan ‘t nieuwe gejuich dat er oprijst en nu den kreet: „Leve de koningin! leve de prinsen!” doet horen, de statiekoets met zijn acht appelgrauwe schimmels. Voor op de koets, ter zijde van den koetsier, staan vier keurig uitgedoste pages. De koningin is in ‘t wit satijn gekleed; tegenover haar zitten de beide jonge prinsen, Willem en Maurits.
Het derde rijtuig, waarin mevrouw Falck, een dame du palais en twee hofdames van H. M. gezeten zijn, wordt gevolgd door de andere helft van de erewacht, een commando cavalerie en het bataljon schutterij met vol muziek. De trein gaat den Haarlemmerdijk tot aan de Heerenmarkt. Eensklaps wordt er bevel gegeven, om stil te houden; de trompetters zwijgen, de muziek verstomt. Daar verheffen zich eenvoudige doch liefelijke kinderstemmen; ‘t zijn de wezen der Hersteld-Evangelisch Luthersche gemeente, die voor ‘t gesticht staan, waarin ze verpleegd worden. Ze zingen:
„Welkom, welkom, Neerlands Koning,
Welkom, in de stad aan ‘t IJ!
Grijzen, wezen in deez’ woning,
Vieren blijde feestgetij.
Nu ge, o Vorst! wordt ingehuldigd,
Zijn wij, wezen, ook verschuldigd,
Om te bidden tot den Heer:
Daal met Uwen zegen neer!
Ja, wij doen het, Neerlands Hoeder!
Allen, allen één van zin;
Bidden ook voor Neerlands Moeder,
Onze dierbre Koningin.
God spaar lang Uw beider leven;
Roem moog’ Uwen troon omgeven.
En de liefde van Uw volk,
Zij daarvan de minste tolk.”
Met enige toepasselijke woorden reikt nu een der weeskinderen aan Hunne Majesteiten een in goud gedrukt exemplaar van dit vers over. We volgen den trein niet verder, die eerst om halfvijf op den Dam komt, waar de vorstelijke familie zich op ‘t balkon van ‘t paleis aan ‘t in geestdrift ontbrande volk vertoont.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *