1873 – Schetsen uit Zeeland

In de herberg. 1875

In de herberg. 1875

Dit gebed is eigenlijk een kindergebedje. De kinderen, die het trouw opzeggen, worden daarvoor, naar men in Vlaanderen verhaalt, beloond door een krentenkoek, dien de engel Gabriël, in den schoonen Kerstnacht, onder hun hoofdkussen legt. De jonge moeder had ditzelfde gebedje gezongen, staande aan den schoot harer moeder; en zij neuriede het nu haar lieveling voor, opdat de eenvoudig schoone woorden reeds vroeg in zijn onbedorven zieltje, in zijn ontvankelijk gemoed zouden dringen, en hij het straks zelf zou kunnen bidden, als hij, voor zijn kribje geknield, eer hij slapen gaat, door moeder wordt goenacht gekust. Ge doet wel trouwe moeder; moge uw[384]kind, als het opgroeit, nog lang, zeer lang, in den geest die engelen blijven zien!

Het was een liefelijk, aantrekkelijk tooneel, ik mag wel zeggen, een recht oud-hollandsch binnenhuisjen, ondanks dat kruisbeeld en dat engelengebed. Immers, niet waar, deze dingen ergeren u niet, en waar gij ze vindt, acht gij wel niet de aanspraak op den naam van oud-hollandsch verbeurd? Zijn beiden niet teekenen van dien vromen zin, die den roem en de kracht onzer vaderen, niet enkel onzer protestantsche vaderen, placht te zijn? Ik wenschte wel, dat in al de woningen onzes volks van dien zin de teekenen, zij het dan ook in anderen vorm, werden gezien.

Op de kermis te Axel. 1875

Op de kermis te Axel. 1875

Wij stonden aan de grenzen. Nog eenmaal daagden ze op voor onzen geest, de dagen in Zeeland doorgebracht, de tooneelen daar aanschouwd, de genoegens daar gesmaakt, de indrukken daar ontvangen. Straks zou ieder zijns weegs gaan, waarheen zijne eigenaardige levensbestemming hem riep; maar de herinnering aan dezen te zamen doorgebrachten tijd zou niet verloren gaan, en—ik ben er zeker van—ook in het verre land zou mijn vriend menigmaal het beeld voor den geest staan van die lage landen aan de Noordzee, om zoo menige reden aller aandacht en belangstelling waard.

Dien avond zaten wij voor het laatst aan den maaltijd, ditmaal niet meer in Zeeland, maar op belgischen grond. En toen mijn vriend den beker hief, om een afscheidsgroet te brengen aan het land, dat hij verlaten ging, dat hij wellicht nooit weder zou zien; toen voor mijn geest wederom het beeld oprees van dat vaderland, dat mij als het ware nog dierbaarder was geworden, nu ik een zijner belangwekkendste, zijner meest karakteristieke gewesten den vreemdeling had mogen toonen en hem inleiden tot de kinderen mijns volks;—toen kwamen mij nog eens de uit het hart gewelde regels van onzen Potgieter op de lippen, een herinnering, een groet, een bede:

Grauw is uw hemel en stormig uw strand,

Naakt zijn uw duinen en effen uw velden;

U schiep natuur met een stiefmoeders hand:—

Toch heb ik innig u lief, o mijn Land!

Al wat gij zijt is der Vaderen werk;

Uit een moeras wrocht de deugd van die helden,

Beiden de zee en den dwingland te sterk,

Vrijheid een tempel en Godsvrucht een kerk.

Blijf wat gij waart, toen ge blonkt als een bloem;

Zorg, dat Europe den zetel der orde,

Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem’,

Land mijner Vaadren, mijn lust en mijn roem!

Wat dan de donkere toekomst bewaart,

Wat uit haar zwangere wolken ook worde:

Lauwren behooren aan ’t vleklooze zwaard,

Land, eens het vrijste en gezegendst’ der aard!