1873 – Schetsen uit Zeeland

The Project Gutenberg EBook of Schetsen uit Zeeland, by Anonymous

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever.  You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org.  If you are not located in the United States, you'll have
to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
SCHETSEN UIT ZEELAND.
I.

Het was een warme, liefelijke Meidag in het jaar 1873. Vroolijk straalde de zon aan den helder blauwen hemel, slechts hier en daar met fijne, witte, donzige wolkjes bestrooid, en goot haar licht uit over de woelige kaaien van Antwerpen, over de schepen in dichte rijen voor de groote koopstad geankerd, over de breede, spiegelende watervlakte van de Schelde, en over den lagen, groenen, vlaamschen oever aan de overzijde. Daar lag, snuivend en sissend als van ongeduld, de stoomboot naar Vlissingen, en twee reizigers traden de loopplank over, op het dek der boot. Een der reizigers, een Hollander van geboorte, had geruimen tijd in den vreemde, in het zuiden, vertoefd, en keerde nu naar zijn land terug. Hij had zijn weg over België en Antwerpen genomen, om een bezoek te kunnen brengen aan eene der minst bekende provinciën van Nederland: eene provincie, tot voor betrekkelijk korten tijd, als te midden der wateren verloren, onbezocht, onbekend en, bijna meer nog dan door deze natuurlijke hinderpalen, door de vrees voor een schier als doodelijk berucht klimaat, van het overige des lands afgezonderd. Vroegere herinneringen hechtten hem aan dat gewest: nu, uit den vreemde terugkeerend, wilde hij het wederzien, dat niet vergeten Zeeland, in zijne natuur en zijne menschenwereld nog zoo menig beeld van den goeden ouden tijd vertoonende. Maar nog een andere reden had zijne keuze van den weg bepaald. Zijn vriend, die met hem op de boot stapte, was—ge kondt het der donkere figuur, met haar zwarte, doordringende oogen, wel aanzien,—een vreemdeling, een zuidlander, een zoon der bergen, die nimmer de zee had aanschouwd, en die kennis wenschte te maken met het lage land aan de kusten der Noordzee, waarvan hij veel had gehoord, maar waarvan hij zich niet recht een denkbeeld vormen kon. Was er beter middel, om hem het nederlandsche landschap, in al zijne eigenaardigheid, te doen kennen en waardeeren, dan hem in de eerste plaats naar Zeeland te voeren? Derwaarts dan richtten onze beide reizigers hun schreden. Zij hebben dat land doorkruist en doorwandeld, [2]nederzittende aan den haard der landlieden, in de gelagkamer der dorpsherberg, toegelaten ook in den salon der aanzienlijken; overal vriendelijk ontvangen, overal zich beijverende land en volk te leeren kennen, de trekken op te vangen van het eigenaardige, nationale leven, helaas, ook hier der verdwijning nabij.

En nu vermeet zich een hunner, enkele bladen uit zijne portefeuille den welwillenden lezer aan te bieden. Schetsen zijn het, niet meer; losse teekeningen met de pen, die niets anders bedoelen dan den indruk van het aanschouwde weer te geven, en zoo mogelijk eenigszins bij te dragen tot de kennis en waardeering van het in zoo menig opzicht merkwaardige en karakteristieke gewest, sinds de vroegste dagen onzer historie met Holland lotgemeen, en door zoo velerlei banden aan Holland verbonden.


Statig klieft de boot de golven der steeds breeder en breeder wordende rivier. Wij hebben de lage gebouwen van het fort Bath reeds achter ons, en voor ons uit dwaalt de blik over de wijde, welhaast onafzienbare watervlakte, door slechts even opdoemende oevers begrensd. Vroolijk dansen en schitteren de zonnestralen over de kabbelende golfjes van den koninklijken stroom; de frissche zeewind waait ons koelte tegen; een eindelooze horizon breidt zich voor ons uit. Een eigenaardig gezicht. Is het nog eene rivier, waarop wij varen? De lage oevers verdwijnen bijkans uit het oog; nu en dan vertoonen zich enkele roode daken, om een spitsen toren gegroept; een stad, een dorp schemert in de verte, half wegduikend achter lage, groene dijken: het land is hier niets, het water alles. En zie: is het niet, of zij zich harer meerderheid, harer kracht bewust is, die prachtige rivier, zich koesterende in den zonneschijn, en weelderig zich tooiende met al de tinten, al de schakeeringen, die de speling van het licht over haar groenachtig-zilveren wateren spreiden kan, tot ze beurtelings flonkeren als diamanten, of stralen in matten glans als van vloeiend smaragd? Is zij niet schoon, zoo als ze daar haar licht gekuifde golfjes, met hun franje van zilverschuim, al huppelend voortstuwt, de ranke booten, de zware schepen torschende alsof het speelgoed ware, en al kabbelend de dijken kussende, aan wier voet de zachte deining wegsterft? Is ze niet schoon, niet bekoorlijk schoon?—Maar o, ze kan vreeselijk zijn, als ze opstaat in hare kracht, als hare donkere golven zich opstapelen en in wilde woede het land bedreigen, maar noode tegen dien aanval bestand, zoo vaak daarvoor bezwijkende….

Welke beelden rezen voor mijne verbeelding, terwijl ik, op het dek staande, den breeden stroom overzag, waarin de boot een dubbel spoor van spattend schuim trok. Ik zag mijn vriend aan, die geheel onder de betoovering verkeerde van dit voor hem ongewone schouwspel, en wiens blikken de schier eindelooze ruimte poogden te meten. “Schoon, prachtig!” sprak hij, half voor zich, in de aanschouwing verzonken.

Ja, inderdaad schoon, antwoordde ik; in zijn aard niet minder schoon, dan uwe bergen met hunne gletschers en sneeuwvelden;—en toch, niet zonder huivering kan ik haar aanzien, die schoone, verleidelijke, wellustige rivier. Kent ge het wapen dezer provincie? Het vertoont, op gouden veld, een leeuw van keel, ter halverlijve zich opheffende uit azuren en zilveren golven, met het devies: Luctor et Emergo. Sprekender wapen was daar nooit, welsprekender zelden. In dat beeld, in dat devies, ligt de gansche geschiedenis van dit land, van dit volk. Luctor et emergo, ik worstel en drijf boven:—voorwaar, het is Zeelands lot en bestemming, van den beginne tot heden. Die worsteling hield nimmer op: Goddank, ondanks wonden en verliezen en persende angsten, mocht het tot heden het hoofd boven houden.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *