1873 – Schetsen uit Zeeland

Op het ijs. 1875

Op het ijs. 1875

Wij kwamen van Axel, waar wij nog eenmaal, en nu voor het laatst, eene zeeuwsche kermis hadden aanschouwd: een tooneel, gelijk aan wat wij reeds zoo vaak elders hadden gezien, en dat dus niet op nieuw behoeft beschreven te worden. Het was een heerlijke najaarsdag, een dier liefelijke dagen, waarin de scheidende zomer nog even schijnt te keeren, en met zijn zoetsten glimlach ons tegenlacht; en terwijl wij met de oogen en met het hart het liefelijk landschap als indronken, dat ons met zijne stille eenvoudige pracht, met zijn vollen rijkdom, aan alle zijden omgaf, terwijl het gefluit en getjilp der haast vertrekkende vogelen ons in de ooren klonk, welden mij als onwillekeurig die schoone verzen van onzen Vondel uit de ziel:

Wat zongh het vrolyck vogelkyn,

Dat in den boomgaert zat

Hoe heerlyck blinckt de zonneschyn

Van ryckdom en van schat

Hoe ruischt de koelte in ’t eickenhout,

En versch gesproten lof!

Hoe straelt de boterbloem als gout!

Wat heeft de wiltzangh stof!

Wat is een dier zyn vryheit waert!

Wat mist het aan zyn wensch,

Terwyl de vreck zyn potgelt spaert:

O slaef! o arme mensch!

Waer groeien eicken t’ Amsterdam?

O kommerzieke Beurs,

Daer noit genoegen binnen quam!

Wat mist die plaets al geurs!

Wy vogels vliegen, warm gedost,

Gerust van tack tot tack.[382]

De hemel schaft ons dranck en kost,

De hemel is ons dack.

Wy zaaien noch wy maaien niet:

Wy teeren op den boer.

Als ’t koren in zyn airen schiet

Bestelt al ’t lant ons voêr.

Wy minnen zonder haet en nyt,

En dansen om de bruit:

Ons bruiloft bint zich aen geen tyt,

Zy duurt ons leven uit.

Wie nu een vogel worden wil,

Die trecke pluimen aen,

Vermy de stad en straetgeschil,

En kieze een ruimer baen.

Op de bruiloft. 1875

Op de bruiloft. 1875

Een juweeltje, niet waar? Voorwaar onze oude dichter, al was hij Amsterdammer met hart en ziel en al was de Warmoesstraat arm aan natuurschoon, had toch het leven der natuur bespied, mede in zijn hart gevoeld, en hare sprake verstaan. Dit tafreeltje weegt menige uitvoerige schilderij op. En de wijze raad, in schalkschen vorm, ten slotte gegeven,—niemand versmade dien: hij heeft ook nog in onzen tijd zijne volle waarde behouden. In waarheid, het is ons allen goed, nu en dan den vogelen gelijk te worden, de vleugelen des geestes te ontplooien, of, zoo als Vader Vondel het geestig zegt, pluimen aan te trekken, en ruimer baan te kiezen dan de warrelende en verbijsterende geschillen in staat en stad en huis, dan het verdoovend krijgsrumoer dat ons van alle zijden in de ooren klinkt. Voor geest en hart kan zulk eene gedaantewisseling niet dan gunstig zijn, al ware het slechts om met frisscher krachten en reiner zin terug te keeren tot den ernstigen strijd des levens, waartoe allen geroepen zijn, en die zoo zware plichten kan opleggen.

Een meisje uit Tholen. 1875

Een meisje uit Tholen. 1875

Aan de vlaamsche grenzen genaderd, traden wij eene eenvoudige woning binnen, half boerderij, half herberg. Het zag er daar van binnen niet rijk uit. Geen blinkend huisraad langs de wanden, geen porceleinen schotels en borden op den schoorsteenmantel; geen sierlijk gebeeldhouwde spinde in de kamer, wier naakte witte wanden geen ander pronkstuk droegen dan een oude karabijn, tegenover de breede schouwe, waaronder een turfvuur brandde, opgehangen. Geen enkel sieraad, dan alleen het eenvoudig kruisbeeld, dicht bij de slaapstede: het aandoenlijk kruisbeeld, hier, te midden van deze armoede, zoo roerend welsprekend, zoo dubbel eerbiedwaardig. Een man van middelbaren leeftijd zat aan de tafel; hij had zoo juist zijn maaltijd voleindigd, en was bezig een pijp aan te steken. Eene jonge vrouw, met een zacht en toch ernstig voorkomen, schommelde eene wieg, waarin een kind lag, dat met zijne groote donkerblauwe oogen zoo zonderling ernstig, zoo weemoedig bijna voor zich uit staarde, als voelde het nu reeds wat moeite en zorg en kommer het pas ingetreden leven brengen zou. Het is soms of op het onbewolkte kindergelaat reeds de schaduw valt der rampen, in de toekomst verborgen, of het heldere kinderoog, in schemerende omtrekken, de bittere beproevingen aanschouwt, die aanstaande zijn.

De man en de vrouw, blijkbaar naar de wereld schraal bedeeld, ontvingen ons met die eenvoudige waardigheid, die echte wellevendheid, even ver verwijderd van kruipende onderdanigheid als van krenkende aanmatiging, dien juisten aangeboren takt, die in onze burgerlijke eeuw schier het uitsluitend eigendom is van de echte aristokratie en van den onbedorven landbewoner. Zonder vragen en evenzeer zonder opdringen, werd het beste van hetgeen de armelijke woning bevatte te onzer beschikking gesteld. Veel was dit niet: de maaltijd van het gezin bestond uit salade met aardappelen, zonder olie, maar met veel azijn…..

De jonge moeder zong of liever neuriede, op half gedempten toon, een liedje om haar zuigeling in slaap te wiegen. Het was eene eigenaardige wijze, zwaarmoedig en vol van die zachte, roerende melancholie, die u uit de meeste volkszangen tegenklinkt. Stil ruischte het ongekunstelde naïeve liedeken door de kamer; en het was of het zonlicht, dat door het kleine venster naar binnen drong en een breede lichtstreep over den vloer en tegen den wand teekende, of het kalme, rustige herfstlandschap daar buiten, met zijne rossige tinten en warme tonen, of geheel die eenvoudige stille natuur en omgeving, aan het lied eene nieuwe bekoorlijkheid, eene hoogere beteekenis schonk. Ik luisterde; en zonderling werd het mij te moede, toen ik in het wiegeliedje, dat deze jonge moeder zong, het overoude Engelengebed herkende, [383]dat, wie weet sinds hoevele eeuwen, in verschillende vormen, door millioenen gebeden is, overal waar volken wonen van germaanschen stam, van de Alpen tot de Noordzee, van den Oder tot den Rijn, in de Nederlanden, in Denemarken, in Engeland, in Zweden en Noorwegen. Zoo zong en bad de moeder, wel zeker niet wetende hoe vele moeders hetzelfde vóór haar gebeden en gezongen hadden:

’s Avonds als ik slapen ga,

Volgen zestien Engeltjes me na:

Twee aan mijn hoofdeneind,

Twee aan mijn voeteneind,

Twee aan mijn rechterzij,

Twee aan mijn linkerzij;

Twee die mij dekken,

Twee die mij wekken,

Twee die mij leeren

Den weg des Heeren,

Twee die mij wijzen

Naar ’s Hemels Paradijze.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *