1873 – Schetsen uit Zeeland

—“Het daghet uit den oosten,

“het licht schijnt overal;

“hoe weinich weet de liefste,

“waer dat ic henen sal.

“Warent al mijn vrinden,

“dat myn vyanden syn,

“ic voerde u uitter lande,

“myn troest, myn minnekyn!”—

—“Werwaerts wout ghy my voeren,

“stout ridder, wel ghemoet?”—

—“Al onder de linde groene,

“myn troest, myn waerde goet!”—

—“Ic ligghe in myn liefs armen,

“met groot eerwaerdicheit;

“ic ligghe in myn liefs armen,

“stout ridder, wel ghemoet.”

—“Licht ghy in u liefs armen?

“Bylo! dat is niet waer.

“Gaet onder de linde groene:

“verslaghen so leit hy daer!”—

[279]

De joncfrou nam haer mantel,

en si ginc enen ganc,

al tot den lindeboom groene,

daer si hem verslaghen vant.

—“Och, lichdy hier verslaghen,

“versmoort al in u bloet!—

“Dat hevet u gedaen u roemen,

en uwen hoghen moet!

“Och, lichdy hier verslaghen,

“die my te troesten plach!

“Wat hebdy my naghelaten,

“so menich droeven dach!”—

De joncfrou nam haer mantel,

en si ginc enen ganc,

al voor haers vaders poerte,

die si der ghesloten vant.

—“En is hier niemant inne,

“noch heer, noch edelman,

“die mij nu desen dooden

“ter aerden helpen can?”—

Die heren sweghen stille,

si en gaven geen geluut;

Doe keerde die joncfrou haer omme,

si ghinc al wenende uut.

Si nam hem in hare armen;

si custe hem den mont;

si custe hem gheen corter wilen,

maer also menigher stont.

Met haren blonden haren

wreef si hem af dat bloet;

met haar cleene witte handen

si sinen ooghen sloet.

Met sinen blanken sweerde

dat si syn grafken groef;

met haer sneewitte armen

dat si hem ter aerden droech.

Met haren blanken handen

dat si dat belleken clanc;

met hare suete heldere kele

dat si vigilien sanc.

—“Nu willic mi begheven

“in een clein cloosterkyn;

“ende draghen die swarte wilen (sluier),

“ter eeren des liefsten mijn.”2

Dit roerend schoone, in zijn naïeven eenvoud zoo treffend lied, dat de vrome Geertruida van Voorburg, begijntje te Delft, dagelijks plach te zingen, zoodat zij er den bijnaam van Sinte-Geertruide van Oosten aan dankt;—het kwam mij op dezen fraaien, verkwikkenden zomerdag weer in de gedachte, bij het aanschouwen dier groene linden, de geur van wier welriekende bloesems de lucht vervulde. En gij, lezer der negentiende eeuw, en als kind van uw tijd waarschijnlijk afkeerig van poëzie, gij duidt het niet ten kwade, dat wij hier, te midden der eeuwig jeugdige, onveranderlijke natuur, u dit oude lied voorzingen, waar, uit iederen regel, u de volle frissche, onsterfelijke waarheid van het menschenhart tegenademt. Niet waar, zulke poëzie wordt nooit oud.

Maar wij zijn op weg naar Kruiningen, en de drukte van wagens en volgepropte rijtuigen op den weg ontvoert ons weldra aan de middeleeuwen, en brengt ons terug naar het heden. Het was langzamerhand avond geworden, toen wij aan het dorp kwamen; waar wij nog alles in de weer vonden. Er werd gepoetst, geplast, geschrobd, geboend; het stroomde water langs de stoepen en straatsteenen, in de voorhuizen en van de trappen; al het koperwerk in de keukens blonk als een spiegel; al het houtwerk glom…. Van waar dit alles? Het zou morgen kermis zijn, en het dorp was bereids vol gasten. Niet dan met groote moeite, gelukte het ons een nachtverblijf te vinden.

Den volgenden dag was de pret welhaast in vollen gang. De weinige kramen waren geopend, en stalden hunne waren, meest kinderspeelgoed en opschik, op de gunstigste, althans de meest in het oog vallende wijze ten toon; een goochelaar verbaasde de menigte door zijne kunsten en handgrepen; een paar koorddansers of akrobaten verrichtten hunne meer of min gevaarlijke toeren in de open lucht. Ginds was de boerenjeugd aan het koekhakken; en daar, daar wordt naar den vogel geschoten. Daar staat, boven op een hoogen paal, aan een ijzeren stang bevestigd, de zoogenaamde papegaai: een houten vogel, met een merkwaardig groot lijf en merkwaardig kleinen kop en met half uitgespreide vlerken. De schutters zijn met een boog gewapend, en moeten den vogel van den stang afschieten, wat niet zoo heel gemakkelijk is als het wel schijnt. Menigmalen draait de papegaai klirrend en knarsend om zijn as, of stuift een eind omhoog, zonder dat het gelukt hem naar beneden te doen tuimelen. Reeds menige schutter heeft zijne bekwaamheid getoond en zijne kunst beproefd; maar, [280]al scheelde het soms ook weinig, nog niemand is het gelukt, den vogel op het juiste punt te treffen.

Ge ziet het: onder de mededingers is er meer dan een, die reeds vroeger den prijs gewonnen heeft: ze zijn kenbaar aan de medailles, die hun borst versieren, en die ze bij deze gelegenheid niet verzuimd hebben om te hangen. Daar is drukte en vroolijkheid genoeg in den wijden kring, die de schutters omgeeft, en die blijkbaar groot belang stelt in den strijd. Daar nadert een nieuwe kampvechter, een die reeds menigmalen als overwinnaar uit een soortgelijken kamp mocht keeren: zijn borst prijkt met een aantal zegeteekenen. Er ontstaat beweging in de schare, als hij zich gereed maakt den boog te spannen: blijkbaar verwacht men, dat het oogenblik der beslissing thans gekomen is.

De schutterkoning. 1875

De schutterkoning. 1875

De kloeke jonkman stelt zich in postuur; hij spant den boog en mikt. Daar trilt de pees; daar snort de pijl snerpend door de lucht, en treft den houten vogel. Deze maakt snel eene draaiende beweging, vliegt omhoog, boven de ijzeren punt uit, en ploft ter aarde, op vrij verren afstand van den paal. Een daverend gejuich gaat op uit de menigte, en groet den overwinnaar, die voor het volgende jaar schutterkoning zal zijn. Het teeken zijner waardigheid, een zilveren vogel, wordt hem aan een lint om den hals gehangen, en hij in triomf naar de herberg gedragen, waar hij natuurlijk trakteeren moet. Wie weet, misschien volgt er straks wel een maaltijd voor de schutters in de dorpsherberg;—de maaltijden der schuttersgilden plachten van ouds beroemd te zijn om hun weelderigen overvloed.

Vroeger behoorden bij zulk een boerenkermis nog andere vermaken, zoo als katknuppelen, gans- of palingtrekken en dergelijken, die in den laatsten tijd meer en meer in onbruik zijn geraakt: iets, waarover men zich niet dan verheugen kan, want het martelen van weerlooze dieren is, in vollen nadruk, een [281]barbaarsch vermaak, dat in alle opzichten een verderfelijken invloed moet uitoefenen. Dat het volk, in krachtige, mannelijke spelen, ook al hebben ze geen dadelijk praktisch nut, zijn spieren stale en zijn zintuigen oefene, zich een vast oog en eene vaste hand verwerve;—uitnemend; maar dat het zich niet daarbij verdierlijke. En opdat het dit niet doe, ontwikkel en veredel zijne verbeelding, zoodat het zich kunne verplaatsen in den toestand, ook van het sprakelooze schepsel, dat door zijne schuld gemarteld wordt. Van deze veredeling en verheffing van gevoel en verbeelding is, ook in dit opzicht als in zoo menig ander, naar mijne vaste overtuiging, veel meer te wachten dan van louter verstandelijk onderwijs, waarmede—de ondervinding bewijst het dagelijks—iedere graad van zedelijke verdorvenheid kan gepaard gaan:—omdat, ja omdat kennis en zedelijkheid nu eenmaal twee zaken zijn, die veel minder met elkander hebben uit te staan, dan onze eeuw, in noodlottige en gevaarvolle verblinding, wel meent. Tot hare groote schade, vergeet zij steeds meer het diepzinnig woord van den ouden wijze: bewaar uw hart boven alles wat te bewaren is, want dáár—en niet in het hoofd, in het verstand—zijn de uitgangen des levens.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *