1857 – Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners , Francis Allan

Project Gutenberg's Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners, by Francis Allan

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org
[Inhoud]

[Inhoud]

HET EILAND VLIELAND EN ZIJNE BEWONERS.

Kaart van het eiland Vlieland. F. Allan 1856.

Kaart van het eiland Vlieland. F. Allan 1856.

HET
EILAND VLIELAND
EN
ZIJNE BEWONERS.
AMSTERDAM,
WED. BORLEFFS & TEN HAVE.
1857.

[Inhoud]

„Trek van den Noordpool naar de dorstige Abisijnen,

Elk mint zijn sneeuwspelonk of dorre zandwoestijnen.”

[5]

[Inhoud]

Voorwoord.

Gehoor gevende aan eene uitnoodiging, waarbij ik werd aangezocht, om, even als van de eilanden Texel, Wieringen, enz., ook van Vlieland eene beschrijving voor de pers te leveren, zoo bied ik met de uitgave van dit werkje mijnen Landgenooten de vervulling mijner belofte aan.

Ik vleije mij, dat ook aan dezen arbeid, even als aan andere mijner pennevruchten, een gunstig onthaal ten deel moge vallen; terwijl het mij, bij mogelijke feilen, aangenaam zal zijn, daarvan door den belangstellenden lezer onderrigt te worden.

Dit weinige zou genoegzaam kunnen zijn tot voorberigt, [6]ware het niet, dat ik nog een aangenamen pligt te vervullen hadde: ’t is namelijk de openlijke dankbetuiging, welke ik verschuldigd ben aan den Heer J. Kooij, Openbaar Onderwijzer op Vlieland, die mij bij de zamenstelling van dit werkje veel belangrijks omtrent ZEds. woonplaats mededeelde. Hem zij daarvoor mijnen innigen dank gewijd!

Dat dit werkje vele lezers vinde, wensch ik met al mijn hart.

F. ALLAN.

[Inhoud]

INHOUD.

EERSTE HOOFDSTUK.     Bladz

ALGEMEENE BESCHOUWING VAN HET EILAND VLIELAND.     9.

TWEEDE HOOFDSTUK.

§ 1. HET VOORMALIGE DORP WEST-VLIELAND. 21.
§ 2. HET DORP OOST-VLIELAND. 22.

DERDE HOOFDSTUK.

BIJZONDERE GEBOUWEN EN INRIGTINGEN.     26.

VIERDE HOOFDSTUK.

VLIELANDS BEVOLKING.     31.

AANTEEKENINGEN.     34.[9]

[Inhoud]

HET EILAND VLIELAND EN ZIJNE BEWONERS.

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BESCHOUWING VAN HET EILAND VLIELAND.

Het eiland Vlieland, dat thans ééne gemeente uitmaakt, behoort als zoodanig tot het arrondissement Hoorn, kanton Medemblik.

Het ligt op een half uur afstands N. O. van het eiland Texel, welke ligging naar men meent, zeer geschikt zou zijn tot eene vereeniging met laatstgenoemd eiland, en vatbaar voor eene bedijking, waardoor eene uitgestrektheid lands zou worden aangewonnen van p. m. dertig duizend bunders, grootendeels bestaande uit zeer goede kleigronden.

Van groot gewigt, voorwaar! zou zulk eene onderneming zijn: de instrooming der Noordzee zou daardoor verminderd, de zeegaten van Texel en Vlieland dieper, en een vast bolwerk verkregen worden voor de aan de Zuiderzee en aan de Wadden grenzende provinciën, wier zeeweringen en veiligheid, deze eilanden noodwendig [10]van het grootste belang zijn; naardien de geweldige kracht van de door stroom en wind voortgestuwde watermassa, onophoudelijk strijd voert tegen de zeeweringen van de Friesche en Groninger Noordkusten.

Vlieland is een langwerpig, smal eiland. Van het Oost- tot het Westeinde heeft het eene lengte van ongeveer 5¾ uren gaans; terwijl de grootste breedte misschien ¾ uur bedragen zal. Het oostelijkste gedeelte is geheel met duinen bezet, terwijl het overige eigenlijk slechts eene zandbank is, de Hors1 genaamd, welke bij hooge waterstanden geheel ondervloeit. Door het Eijerlandsche Gat2 is het van het met Texel vereenigde Eijerland, en door den mond des Vliestrooms, van Terschelling gescheiden. Aan den zuid-oostelijken hoek des eilands ligt de nette, doch thans slechts voor binnenvaartuigen en kleine platboomde zeeschepen bruikbare haven, welke men alleen bij hoog water of half tij naderen kan. Uit deze haven komt men in de zoogenaamde Monnikesloot (waarvan straks nader), thans meestal enkel de Sloot3 geheeten, welk vaarwater om de oostzijde van het eiland loopt, op het grootscheeps-vaarwater of Vliestroom uitkomt4, en door onderscheidene gaten in gemeenschap staat met de Noordzee. De voornaamste dezer gaten zijn Oud- en Nieuw-Stortemelk, waarvan echter alleen het laatste bruikbaar is. Het Nieuwe Gat, dat oostelijker ligt, behoort meer aan Terschelling5. Tusschen de Sloot en den mond van den Vliestroom ligt eene zandbank, de Rigchel genaamd, welke zich Noord- en Zuidwaarts, ter lengte van ongeveer een uur gaans uitstrekt, en met de hoogste watergetijden ondervloeit. Uit de haven loopt nog een vaarwater over den Wal (ook de Waard genoemd) ten zuiden van het eiland, waarvan [11]alleen bij wassend of hoog water gebruik kan gemaakt worden, aangezien de Waard met de ebbe bijna geheel droog valt. Deze Waard zou (naar men mij mededeelde) bijzonder geschikt zijn tot eene indijking, daar zij, behalve eene daartoe zeer gunstige ligging, uit goeden kleigrond bestaat. Men vindt er vele en welvoorziene mosselbanken op. Zij strekt zich uit tot het oude Vlie, een vaarwater, dat bijna in eene oost- en westwaartsche rigting van den Vliestroom naar Texel vloeit.

Wat de naams-oorsprong van Vlieland aangaat, zoo meenen sommigen, dat deze gezocht moet worden in den vlietenden grond, die hier in der daad zeer belangrijk is. Deze meening lijdt echter, onzes inziens, schipbreuk op een ander gevoelen, dat meer grond van waarschijnlijkheid in zich bevat, en volgens hetwelk men in Vlieland een overblijfsel van het oude Flevum, Flevo, meent te bezitten. De oude oorkonden melden ons, dat er in het tweede vierde der 13de eeuw een geduchte watervloed heeft plaats gehad, die vooral de Holkamalanden, tusschen Westergoo en de eilanden Terschelling en Vlieland gelegen, overstroomde en aldaar de grootste verwoestingen aanrigtte. Het Vlie zou, in slechts weinige uren tijds, al het land, tusschen Noordholland en Friesland gelegen, overstroomd hebben, en de bewoners, bij het aanbreken van den dageraad het schrikbarend tooneel aanschouwende, elkander hebben toegeroepen: „Het is al Flie-land!” En sedert dien tijd zou dit eiland zijnen naam erlangd hebben. Volgens Winsemius, moet deze stormvloed gesteld worden op den jare 1246, alhoewel wij weten, dat oude Friesche Aanteekeningen dit op 1237 stellen. Dus leest men bij de laatsten:

Da men schreef CIↃCCXXXVII da wasser ien heage zea in Frieslân.” (Toen men schreef 1237, was er eene hooge zee—vloed—in Friesland.)

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *