1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Op de lage, onbegroeide zandvlakten van Eijerland, alsook op de onderwallen der kreken, welke meestal uit blaauwachtig zand, doormengd met schulpen, bestaan, groeide vroeger, bij eene behoorlijke waterloozing, zeer weelderig zeekoraal (salicornia herbacea.) Op enkele lage zandbollen vertoonde zich [18]van deze plant slechts een klein en armoedig, roodkleurig struikje, terwijl op de niet wel afwaterende zandplekken niets hoegenaamd groeide.

Op de begroesde gronden van Eijerland, tiert, tusschen voedzaam kweldergewas, eene hooge, blaauwachtige plant, met een ovaal, loodkleurig, blad, dat hier zeeporselein, doch in Zeeland,varkensgras wordt genoemd, en dat door de Botanici Atripex portulacoides wordt geheeten. Ook ontmoet men geheele plekken van loodkleurigen en sterk riekenden Zeeälsem (Artemisia maritima,) welke plant, meestal op het beste land, en op de hooge steile oevers van diepe kreken gevonden wordt. Geen plantensoort echter, groeide voor de bedijking van Eijerland, veelvuldiger op hetBuitenveld, dan het Limoenkruid (Statice Limonium,) op Texel Schapenoor geheeten. De bruine, lange en dikke wortels dezer plant, zijn broeinesten van ongedierte; het dikke stevige blad is bitter, heeft de gedaante van een schapenoor, en wordt door geen dier gegeten. Dit gewas bloeide voornamelijk in Augustus, als wanneer het met eenen fraaijen, blaauw-paarsachtigen trosbloesem versierd was.—Hoogere zandbollen, ter hoogte van slechts ééne el boven volzee, waarop eenig dor gras, geel-groenachtig mos en biezen groeiden, welke drooge, spichtige ruigte, evenmin door eenig vee als voedsel werden gebruikt, zijn sedert voormelde bedijking, grootendeels in vruchtbare wei- en bouwland herschapen.

In de nollen en kleine duinen vindt men, behalve mos en helm, eenig duinwilg, duinriet, wilde dorenstruiken, met gele bessentrossen (eene soort van brem of braam) en wilde vlier, welke planten men ook hier en daar aan de groote duinen vindt.

Inzonderheid echter blijkt de belangrijkheid van Texel’s voortbrengselen uit de volgende statistiek, welke uit officieele bronnen is zamengesteld:[19]

In 1854 werden op Texel 1552 bunders land, met onderscheiden veldgewassen bebouwd, als:

454 bunders met tarwe, waarvan de opbrengst is geweest 24 mud per bunder; te zamen 10896 mudden;

97 bunders met rogge, ad 17 mud per bunder, te zamen 1649 mud.
126
bunders
,,
met
,,
garst,
ad
,,
45
mud
,,
per
,,
bunder,
,,
te
,,
zamen
,,
5670
mud.
,,
246
bunders
,,
met
,,
haver,
ad
,,
45
mud
,,
per
,,
bunder,
,,
te
,,
zamen
,,
10720
mud.
,,
53
bunders
,,
met
,,
koolzaad,
ad
,,
20
mud
,,
per
,,
bunder,
,,
te
,,
zamen
,,
1060
mud.
,,
281
bunders
,,
met
,,
erwten,
ad
,,
13
mud
,,
per
,,
bunder,
,,
te
,,
zamen
,,
3653
mud.
,,
35½
bunders
,,
met
,,
paardenb.,
ad
,,
10
mud
,,
per
,,
bunder,
,,
te
,,
zamen
,,
355
mud.
,,
185
bunders
,,
met
,,
aardappel.,
ad
,,
120
mud
,,
per
,,
bunder,
,,
te
,,
zamen
,,
22200
mud.
,,
17½
bunders
,,
met
,,
knollen,
ad
,,
300
mud
,,
per
,,
bunder,
,,
te
,,
zamen
,,
5250
mud.
,,
55½
bunders
,,
met
,,
vlas, waarvan de opbrengst zeer voldoende was.
2
bunders
,,
met
,,
meekrap, welke proef mede zeer goed geslaagd is.

De tegenwoordige koopwaarde dezer landerijen is van ƒ 1000–ƒ 1400, per bunder gras- en bouwland, terwijl de huurprijzen per bunder, naar gelang der deugdelijkheid en ligging der perceelen, tusschen ƒ 40 en ƒ 65 varieert.

De veestapel bestond op 31 December 1854, uit 4 hengsten, 355 ruinpaarden,2 380 merriepaarden, 65 veulens, 18 stieren, 255 ossen, 1182 koeijen, 575 kalveren, 1 ezel, 38,523 schapen, 6 bokken en 191 geiten, terwijl er 496 varkens zijn geslagt. Er waren ongeveer 300 houders van schaapskudden.—

Van veel belang is hier dan ook de veehandel. Zoo werden er in 1854 uitgevoerd (direct naar Londen) 156 runderen, 293 schapen en 4 kalveren, en naar de provincien Noord- en Zuid-Holland, 324 runderen, 5,338 schapen en 20,208 lammeren, terwijl er op de Texelsche weekmarkten aan den Burg, verhandeld werd 1656 schapen, 69 koeijen, 10 kalveren; 18 paarden; 5 veulens en 65 varkens.—[20]

De productie der groene kaas vermindert echter bij vroeger, zoodat de geheele uitvoer van dat artikel in gemeld jaar, 21,210 N. ℔ heeft bedragen. Van meer belang was de opbrengst der wol, naardien er eene hoeveelheid van 99,538 N. ℔ werd gewonnen.—

De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend. Het gering getal korven, hier aanwezig, wordt alleen tot genoegen gehouden.—

Tegen over deze voortbrengselen en uitvoer, staat de invoer van alle koloniale waren, manufacturen, turf, hout en steenkolen, tarwe, rogge, boekweit, paardenboonen, boter, kaas, enz.; vroeger, vóór dat de zoogenaamde aardappelenziekte is ontstaan, werden ook de voor de consumtie benoodigde aardappelen, zoo uit de provincie Friesland, als uit Groningen en Zeeland hier ingevoerd; doch sedert het bestaan der bekende ziekte onder deze aardvrucht, heeft men zich op den verbouw van dit voorname voedingsmiddel zoodanig toegelegd, dat er sedert de laatste jaren, bijna geene aardappelen van elders meer worden aangebragt, dan alleen in dien tijd, als de vrucht nieuw uitkomt; want, in den regel, worden er hier vóór de maand Augustus geene aardappelen gerooid. Daarentegen worden er nu jaarlijks duizende mudden uitgevoerd, welke, om hunne goede eigenschappen en heerlijken smaak, zeer gezocht zijn.—

Eene andere tak van nijverheid, die vooral in vorige jaren van veel belang was, is de oestervisscherij. Zij die zich op Texel, op deze visscherij toeleggen, wonen uitsluitend te Oost en Oostereind. De oesters worden hoofdzakelijk gevangen op de banken tusschen Texel en Wieringen, en in de vaarwaters tusschen en om deze eilanden, met name, in Texel’s stroom, (dat is het grootscheeps vaarwater) en in het Amsteldiep; zoo ook in den Vliestroom, bij Vlieland, in de Meep bij Terschelling, in de Jetting en de Blaauwe Slenk, tusschen Harlingen en de Eilanden.[21]

Van het jaar 1825–1845 werden de meeste oesters in den Vliestroom, langs de Grienderwaard, de Meep, de Jetting, enz., gevangen. De oestervisscherij verkeert echter, sedert de laatste acht à tien jaren, in eenen kwijnenden toestand. De oesterbanken, en zoo ook de evengenoemde stroomen, schijnen bijna geheel ontvolkt te wezen, zoodat er in de laatste jaren weinig of geen groei van oesters, in de nabijheid van dit Eiland heeft plaats gevonden, en men genoodzaakt is geworden, om, ten einde den Texelschen oesterhandel te behouden, in de laatste jaren, belangrijke bezendingen oesters uit Frankrijk en Engeland te ontbieden, om dezelve op de Texelsche oesterbedden of oesterputten te speenen. Door dit een en ander, zijn de Texelsche oestervisschers genoopt, hunnen toevlugt te nemen tot het oestervissen op de Zeeuwsche banken, werwaarts zij zich jaarlijks, in de maanden September en October, begeven. De aldaar geviste oesters worden mede hier, in de daarvoor bestemde putten of bedden, gespeend, en dan na verloop van eenigen tijd, of in het volgende jaar, ter markt gebragt.—In vroegere jaren bedroeg het getal oesters, dat jaarlijks door de Texelsche visschers gevist werd, ettelijke millioenen; thans echter bedraagt dit getal slechts eenige honderd duizenden3. Van daar dat de oestervisscherij, die vroeger eene hoofdbron van bestaan voor de bewoners van het Oost was, thans eene bijzaak is geworden, zoodat de oestervisschers zich sedert 1846, meer hebben toegelegd op het maaijen en droogen van wier of zeegras, dat tegenwoordig veelal hun hoofdbestaan uitmaakt. Zoo werd er in 1854 eene hoeveelheid van 250,000 Ned. ℔ ad ƒ 6 de 100 kilo, gedroogd wier, uitgevoerd. Te Oosterend en Oost, werd dit zeegewas, in gemeld [22]jaar, verzameld door 140 man met 70 schuiten en andere vaartuigen, terwijl aan het Oude Schild 18 man met 9 vaartuigen, en aan den Hoorn, een schuit zich daarmede bezig hielden4.—

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *