1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

In vroegeren tijd, sponnen, weefden en bleekten de vrouwen en meisjes haar eigen linnen, waartoe het vlas op het Eiland zelf werd geteeld. „Geen jonge dochter”, dus vinden wij aangeteekend, „ging ten trouw, welke geen linnen van haar eigen spinsel in overvloed hadt, zoo wel tot haar lijf, als voor tafel en bed. De Weeverstraat aan den Burg, had haar naam bekoomen van dat ambacht, hetwelke aldaar door veelen geoeffent wierdt”.—Thans is hier van deze voorvaderlijke gewoonte niets meer overig. De zoogenaamde meerdere beschaving, welke ook hier met den tijd gelijken tred houdt, verbande het nuttig spinnewiel, dat eens een der voornaamste huisgeraden onzer eenvoudige doch waardige Voorvaderen uitmaakte. Het spinnen maakte plaats voor tal van handwerken die, hoe kunstig en hoe geestig ook bedacht, dit toch met elkander gemeen hebben, dat zij voldoening aan modezucht en pronkziekte, als het hoofddoel aanwijzen, waarnaar het streven onzer schoonen zich uitstrekt; terwijl het spinnewiel, dat eenmaal zelfs de dochters van eenen Karel den Groote zich niet schaamden, der vlijtige huismoeder en zedige maagd een’ schat van het kostelijkste linnen deed bekomen, in stede waarvan men zich thans toelegt op de verkrijging van gefestonneerde kantjes, geborduurde strooken, gehaakte mutsjes, en wat er meer van dien aard zij, die hunne vermeende waarde, dank zij het productief en beschaafd Parijs, slechts ééne maand behouden![124]

Hoe weinig Texel zich ook van de overige deelen onzes Vaderlands, in gewoonten, enz. onderscheidt, zoo zijn er toch enkele bijzondere gewoonten, of gebruiken, die elders niet in zwang zijn. Datgene, wat hen nog te dezen aanzien onderscheidt, willen wij kortelijk aanstippen en daarbij, voor zooveel wij zulks nog niet hebben gedaan, eenen blik werpen op hetgene daaromtrent vroeger was op te merken.3 Bij geboorte- en huwlijksfeesten, wordt ook op Texel, gelijk schier overal in ons Vaderland, het uitsteken van vlaggen, het groenmaken, het schieten, het onthalen van buren en vrienden op brandewijn met suiker en rozijnen, niet vergeten; terwijl de zoogenaamde bruidstranen, als ook de bruiloft zelve, op de gewone wijzen gevierd worden.

Bij begrafenissen wordt voor dat het lijk wordt uitgedragen, iets voorgelezen; bij de Protestanten eenige hoofdstukken uit den Bijbel, Psalmen, Evangelische gezangen of uitgezochte liederen, bij de Roomschgezinden eene soort van meditatie over den dood. Vervolgens wordt het lijk, onder klokgelui, ten grave gedragen en vroeger meer dan nu, door vrouwen zoo wel als door mannen vergezeld. De vrouwen, welke tot de naaste aanverwanten behooren en het lijk volgen, zijn bij die gelegenheid nog met een’ huik van zwart laken bedekt. Na de terugkomst in het sterfhuis, wordt thee of koffij met brood voorgezet, al naar de tijd zulks opgeeft. Van overdadige dood- of lijkmalen, zoo als die voorheen plaats hadden, hoort men thans niet meer.

Het hier aangevoerde, bevat al hetgeen wat nog van Texel’s voormalige gewoonten overbleef. In vroegere tijden was het [125]te dezen opzigte geheel anders. Bij trouwplegtigheden was men gewoon om, verzeld van de speelgenooten, het eiland rond te rijden en op de onderscheidene dorpen te pleisteren, en alhoewel dit nog niet geheel en al in vergetelheid is geraakt, zoo kan men het nogthans niet meer met den naam van gewoonte bestempelen.

Bij sterfgevallen kwamen er vroeger zoo vele geburen en bekenden aan het sterfhuis, als maar eenigzins mogelijk was; en vooral was dit het geval, bij het zoogenaamde kisten: ja, het schijnt zelfs, dat men in der tijd misbruik hebbe gemaakt van de gelegenheid om zich aan het sterfhuis eens regt te goed te kunnen doen. Althans wij vinden, dat „bij eene keure van Keizer Karel V, op zwaare boete verboden wierdt, niet verder dan den vijfden buur ter weder- en aen de overzijde te noodigen.”


Onder de vermaken die op Texel in gebruik zijn, noemen wij voornamelijk de Kermis, het St. Nicolaasfeest en de Meijblits.

De eerste wordt hier gelijk schier overal, op eene vrolijke en luidruchtige wijze gevierd. De kramen en spellen, wier aantal in vroegeren tijd echter veel aanzienlijker was, staan allen aan den Burg, voornamelijk op de Groene plaats, en mogen zich doorgaans in een ruim debiet en druk bezoek verheugen.

Het spelerijden maakt mede een voornaam gedeelte der kermisvreugd uit. De jonge lieden rijden, veelal bij paren, het gansche eiland rond, en vormen dikwijls eenen vrij aanzienlijken wagentrein. De dorpen die zij doorrijden, verstrekken hun als zoovele pleisterplaatsen, waar zij, hier iets langer, dáár iets korter, vertoeven, tot dat de avond hen aan den Burg brengt. En alhoewel het daar dan lustig en onbezorgd [126]te keer gaat, en menigen langhals den nek gebroken wordt, hoort men nogthans nooit dat deze gulle kermisvreugd door twist of dronkenschap ontsierd wordt. Integendeel heerscht daar dan onderling den meest gewenschten vrede en eene algemeene opgeruimdheid. Aan zang en dans, begeleid door één of meer vioolspelers, ontbreekt het daarbij niet. Ook het St. Nicolaasfeest is voorTexel’s opkomend geslacht eene milde bron van vreugde. Alsdan ziet men des avonds op de straat en in de herbergen eene volmaakte maskerade, die niet zelden, aan den Burg, uit vijftig en meer jonge lieden bestaat en, in waarheid, men moet zich dikwerf verwonderen over de keuze en vinding der verschillende costumen; ja, men ziet er menig masker, dat een bal masqué geene oneer zoude aandoen. In de meeste huizen hebben zij dan ook vrij entrée; zij laten zich eens bezien, en zoo men hun een glas wijn of punch, of een kop chocolade presenteert, zijn zij doorgaans zoo vrij daarvan te profiteren. De meeste burgers zetten dan ook licht voor hunne ramen, en zoo het weder niet al te koud of ongunstig is, is het tot middernacht vol leven en beweging op de straat.

Voorts heeft men hier nog de zoogenoemde Meiblits of het Meivuren. Op het einde der maand April trekt de Schooljeugd bij troepjes door het dorp, zingende:

„Hooi! heb je geen strooi?

Heb je geen oude manden?

We zullen de Meijerblits branden;

Hekken en stekken, joten en palen,

Als je niet geeft, dan zullen we ze halen;

Boer! wil jij het laten staan

Hekken en stekken aan enden slaan.”

Onder het zingen, of liever balken van die ballade, (?) verzamelen zij langs de huizen al wat maar brandbaar is; brengen dien voorraad hier of daar op eene veilige plaats, en verbranden dien buiten het dorp op den avond van den 30sten [127]April, waarbij het dan aan de noodige drukte geenszins ontbreekt.

Voorheen hadden de Texelsche jongens de gewoonte om in den zomer het jonge riet uit te plukken, en met het ondereinde van het riet een balletje, waarop die plant zit, te schillen, met welke bolletjes zij langs de straat, te koop liepen, roepende: hanekollen en rietspieren! Die bolletjes bevatten een zoet sap, hetwelk er wordt uitgekaauwd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *