1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Voortzeilende zagen wij weder een oorlogschip en daarbij komende bevonden wij het een boeijer te zijn. Daarop stond weder een kapitein met een slagzwaard te schermen. Wij voeren naar hem toe, denkende, dat wij nu toch niet meer konden verliezen, dan alleen het leven. Het schip liet een vaandel waaijen, zijnde een prinsenvlag; het was dus van de vrienden. Het kwam uit de Maas. Wij vertelden aan den kapitein ons avontuur en ongeluk, hem verder wijzende den koers, dien de vrijbuiter genomen had.

Het oorlogschip ging terstond derwaarts, doch kreeg hem niet. Wanneer wij voortzeilden, zoo kwam er een zwaar onweder op van donder en bliksem, regen en wind. Daar de duistere nacht op handen was, moesten wij dus het naaste [76]land of strand kiezen. Door en door nat van den zwaren regen en het overslaande zeewater, landden wij op eene onbekende plaats. Echter was er onder de manschappen een bode van Jonkheer Sonoij, die aan de duinen bemerkte, dat men niet verre van Ter Heide was, en zeide, dat aldaar eenige visschers-huisjes stonden, waarin wij den nacht konden doorbrengen. Voortloopende ontmoetten wij eenige visschers, verjaagd door de Spaansche soldaten. Zij waren ook door hen van alles beroofd, en vermogten alzoo niet ons te helpen, daar twee naakten elkander niet kunnen dekken. Wij zochten toen wat helm en rijs, maakten vuur, om ons te droogen en wat te warmen, tot het dag werd, en hielden wacht tegen de Spanjaarden.

’s Morgens gingen wij langs het strand naar Scheveningen. Daar komende, vonden wij er vele wachters, gesteld zijnde tegen de Spanjaarden. Bij onze aankomst werd er over onze manschap alarm in het dorp geroepen, doch wanneer wij naderbij gekomen waren, zonden die van Scheveningen twee mannen naar ons, en wij desgelijks twee naar hen. Zij vernamen toen, dat wij geene vijanden waren, maar vrienden. Wij vertelden hun onze passagie, zoo als die door ons bevorens gemeld is, en gingen toen verder naar den Haag, waar wij aan kennissen, welke wij aantroffen, geld ter leen vroegen; doch het werd ons afgeslagen. Van daar gaande naar Delft, vonden wij de Staten van Holland. Wij gingen bij den Secretaris van deze, Koenraad de Regteren, en verhaalden hem het voorgevallene. Hij heeft ons geleend twaalf guldens. Ook schreef hij ons een request, dat wij overgaven aan den Prins van Oranje, rakende het verzoek van het klooster, om het te hebben tot een weeshuis, hetgeen ons is vergund, blijkens de apostille en het octrooi, daartoe verkregen. Doch vermits de Prins te Dordrecht was, hebben wij hem zoo verre moeten volgen, keerende van daar weder naar Delft terug, tot het [77]werk zijn volle beslag verkreeg. Ziende evenwel dat ons op nieuw geld ontbrak, zijn wij overeengekomen, dat Kemp Albertsz. naar huis zou gaan, om nog eenig geld te halen; terwijl ik nog twee of drie dagen te Delft moest vertoeven, om nader bescheid te bekomen; hetwelk klaar zijnde, zoude ik verder naar den Briel gaan. Later uit mijne herberg op de markt komende, ontmoette ik weder Kemp Albertsz. Als ik hem mijne verwondering daarover te kennen gaf, verklaarde hij mij, niet te kunnen vertrekken, wegens het ongestadige weder. Toen gingen wij te zamen naar den Briel. Als wij daar gekomen waren, was ons geldje verteerd op éénen stuiver na.

Wij gingen daarop de stad in, om, was het mogelijk, nog eenig geld te leenen, maar het werd ons weder geweigerd. Aldus ongetroost naar het Hoofd wandelende door het gladde slijk, moest ik een smal houten bruggetje over, waarvan ik door de gladdigheid afviel.

Naakt en koud, zonder geld of pand, waagde ik het evenwel in de herberg te gaan. Terwijl ik mij daar zat te droogen, kwam er een schip van Rotterdam aan, geladen met turf, waarvan de schipper een Texelaar was, wonende te Oosterend, genaamd St. Anna. Zeer waren wij verblijd, omdat hiermede voor ons ontzet kwam.

Wij voeren toen met hem naar Texel, hebbende in alles onzen wensch verkregen. Nooit zal God de zijnen verlaten, die naar het goede trachten en op Hem vertrouwen.—Zoo is dan het weeshuis verkregen, den 15 September in het jaar 1573, blijkende bij het request en de apostille, gegeven ter ordonnantie van den Prins van Oranje en de raden, neffens hem wezende. In kennisse der waarheid, zoo hebben wij Kemp Albertsz. en Hendrik Albertsz. het stuk beiden onderteekend, den 5 Januarij 1585, nieuwe stijl.

Het was onderteekend met het merk van Kemp Albertsz. [78]en Hendrik Albertsz, geboren aan Den Burg op Texel.”

De in dat Weeshuis opgenomen kinderen, gingen hier, tot na de Revolutie in 1795, half groen en half zwart gekleed, en van daar nog het oude spreekwoord:

„Groen en zwart

Is Texel in het hart.”

Naar men wil, zou dit gebouw omstreeks het jaar 1203, gedurende eenigen tijd tot gevangenis hebben gestrekt aan de rampspoedige Gravin Ada.2 Nog heden vertoont men er haar portret in olieverw,dat waarschijnlijk reeds vóór twee (?) eeuwen werd vervaardigd. In eenen aan het Weeshuis ten Oosten belendende, en door Regenten van dit gesticht in 1830 aan eenen partikulier verkochten schuur, geleid men den vreemdeling in het Zuidelijke gedeelte daarvan, langs eene, deels vervallen, steenen wenteltrap van zeven treden, door eene zware eikendeur, in een onderaardsch gewelf, dat bij eene lengte van 4.86 ellen, eene hoogte van 2.15 ellen en eene breedte van 4.19 ellen heeft. Dit ongevloerd en van [79]roode moppen stevig gebouwde gewelf, zou de eigenlijke gevangenis van Ada geweest zijn. Meer waarschijnlijk echter is het, dat dit gewelf voormaals tot eene kloostergevangenis heeft gestrekt; althans, eenige in den muur bevestigde, zware ijzeren krammen, pleiten voor deze onderstelling.

Behalve het opgenoemde, heeft men aan Den Burg, achter het Raadhuis, een smaakvol aangelegd plantsoen van jonge boomen, dat, als algemeene wandelplaats, door de bewoners van Den Burg in den zomer veel wordt bezocht. Aan de Westzijde van het dorp staat een ruim gebouw, met het opschrift: Gesticht van Weldadigheid, dat bepaaldelijk ingerigt is tot opneming en verzorging van kranken en behoeftigen, tot geene kerkelijke armbedeeling van het eiland behoorende, of hun domicilie van onderstand elders hebbende, in welk laatste opzigt vooral, deze liefdadige inrigting meermalen van uitstekende dienst is geweest. Ook plagt er een Gasthuis te zijn, waarin reizende landloopers drie dagen verblijf konden houden. Dit is later tot een Oud Mannen- en Vrouwenhuis voor Gereformeerde Ledematen ingerigt, en stond aan het einde van de tegenwoordige Gasthuisstraat.—Nog bestaan hier vier zoogenoemde Afdeelingen Armenkamers, zijnde liefdadige gestichten, met het doel, om daarin een zeker aantal oude lieden van beiderlei kunne, om niet huisvesting, brandstof en andere ondersteuning te verschaffen; welke Armenkamers zeer waarschijnlijk overblijfsels zijn van een vroeger hier bestaand hebbend Heilige Geesthuis.3 Voorts bestaat er eene Afdeeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, in 1822 opgerigt, en thans ongeveer 40 leden tellende,—eene Afdeeling van het Zendeling-genootschap;—eene Subcommissie [80]der Maatschappij van Weldadigheid met 40 leden;—eene Afdeeling van het Nederlandsch Bijbel- en Tractaatgenootschap; een Zanggezelschap; als ook eene Bank van Leening.—

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *