1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Zeer rampspoedig was voor het eiland Texel het jaar 1522, toen het door de Geldersche Friezen tweemalen zeer zwaar gebrandschat werd. Deze woeste, op roof en buit verhitte, benden, landden hier in den zomer van bovengenoemd jaar, met eene vloot van 20 sterk bemande schepen, tweemaal aan. De eerste reis vorderden zij eene brandschatting van 8000 Filipsguldens (ongeveer ƒ 40,000, van onze munt.)

Hiermede echter nog niet voldaan, eischten zij spoedig daarop eene tweede brandschatting van 10,000 Filipsguldens (bijna ƒ 50,000.)

Doch niet alleen, dat die van Texel van vreemden overlast te lijden hadden, ook hunne eigene overheid trachtte hen, in 1525, met zwaardere lasten te drukken:

Immers lezen wij in eene oude oorkonde, Anno 1525, het volgende:

„In dit jaar wilde men die van Texel, de nobelen voor molen-, wind- en lammertienden, die zij à 50 Stuivers gewoon waren te betalen, tegen 85 St. berekenen, en dan nog wel met den achterstand van vroegere jaren.”—

Deze verhooging van belasting is echter niet in werking gebragt, aangezien wij lezen:[51]

„doch hun dat kwijtgescholden, en het regt verleend om ten eeuwigen dage te kunnen betalen, de nobel tegen 50 st.;—

„de wind-, molen- en lammertienden bedroeg des ƒ 250 ’s jaars, op Meidag te betalen, zijnde de Meijlanden (waarschijnlijk de Miendlanden) voor lang daar af, en aan de Grafelijkheid getrokken;”—Iets lager staat: „dat die van Texel worden gegund, geoctroijeerd en geaccordeerd, in eeuwigen erfpacht, die windmolens, metten winde, alzoo die ter tijd stonden binnen die voorschreven stede van Texel,—die jaarlixe lammertienden aldaar, en die Meijlanden binnen derzelver stede gelegen: uitgenomen den Waal,—den Hollewegdie LijmculenLangewaal en dat Hooiland, gelegen aan de Oostzijde van dat hoppe, langs an Zegendijk, die den Rentmeester van ’s Graven wege doet verpachten.14

In Maart 1571 deden de Watergeuzen eene landing op Texel, en bedreven er veel moedwil en schade. Zoo verbrandden zij er het huis van den Schout en eene kerk, waarschijnlijk de kerk van het dorpden Westen, en namen bovendien nog eene vloot van meer dan 30 schepen weg.

Dan niet slechts had Texel in den loop der tijden door toedoen van menschen veel schade te lijden, ook het water, dien algemeenen en met reden, zoo algemeen gevreesden vijand van Hollands kusten, benadeelde menigmalen dit belangrijke eiland. Vooral waren het de hooge en geduchte watervloeden van de jaren 1625, 1628 en 1629, die ook hier veel schade veroorzaakten. Den 3den November van het jaar 1638 strandden er op de kusten van dit eiland 85 zeeschepen, met eenen zuidwestelijken storm.—Den 18den December 1660 bleven er van de 155 schepen, 38 voor anker liggen, de overigen[52]strandden of kapten bij tijds hunne kabels. Op het einde van 1683 kwamen eenige oorlogschepen uit Zweden hier voor gaats, en werden door eenen zwaren storm overvallen; daarbij strandden: de Hollandia, van 84 stukken en 450 koppen, het volk gered; de Woerden, van 72 stukken en 350 koppen, waarvan 58 gered, de Tijdverdrijf, van 54 stukken en 230 koppen, waarvan 15 gered, de Prins te paard, van 54 stukken en 230 koppen, allen verdronken; de Leeuwin, van 54 stukken en 230 koppen, allen gered; de Gouda, van 42 stukken en 175 koppen, grootendeels gered, alsmede nog twee oorlogschepen van Enkhuizen en Hoorn en verscheidene koopvaarders.—

Omstreeks eene eeuw later, stelden de Engelschen vele, doch gelukkig vruchtelooze pogingen in het werk, om eene landing op dit Eiland te beproeven. In Julij 1672 namelijk, vertoonde zich eene Engelsche vloot, van 60 zeilen, voor den Helder, met het plan om in Noord-Holland eene landing te doen, en alzoo Amsterdam van de Noordzijde te bedreigen. Zeker was zoodanige onderneming op dien oogenblik ligter ten uitvoer te brengen, dan een paar maanden vroeger, want onze vloot was door gedwongen afdanking zoo schaars van volk en krijgsvoorraad voorzien, dat zij, naar het oordeel van De Ruiter zelven, niet meer tegen den vijand bestand was. Doch, was onze vloot buiten staat om te strijden, ditmaal namen de elementen voor ons den strijd op. Op den dag, welken tot de voorgenomen landing op Texel bestemd was, verhief zich een hevige storm uit het zuidwesten, (anderen zeggen noordwesten) die gedurende drie weken bleef woeden, twee vijandelijke schepen deed stranden, vele andere zwaar beschadigde, en de geheele vloot van de kust deed afdrijven.

Volgens eene latere, vrij algemeen verspreide, en bijna algemeen geloofde volksoverlevering, zoude de mislukking der voorgenomene landing veroorzaakt zijn geworden door eene [53]dubbele ebbe (een niet geheel ongewoon verschijnsel op onze kusten) gevolgd door eenen noordwesten storm.—

In 1756 had in de nabijheid van Texel een voorval plaats, dat zeer veel opziens baarde.

Een Duinkerksche kaper, die zich tot uitoefening van zijne kwade praktijk van een Zeeuwsche poon of Goereesche vischschuit bediende, hield op eenen Engelschen koopvaarder aan, die van New-York naar Amsterdam gedestineerd was, en digt bij het Nieuwe Diep ten anker lag; en dewijl men volstrekt geen vermoeden had op kaperij in eene onzijdige haven, en vooral niet van de zijde eener Zeeuwsche poon of vischschuit, viel den kaper de bemagtiging zeer ligt. De kaper zeilde daarop met het prijsgemaakte schip naar zee, en riep den zoogenoemden praaischipper in het voorbijzeilen toe: „Ik weet wel, dat Frankrijk en Holland het eens zijn.”15

Weldra echter leverde de Engelsche gezant over dit feit zijne klagten bij de Algemeene Staten in, waarbij de prijs in denzelfden toestand, als waarin hij genomen was, werd terug geëischt. De Staten gaven aanstonds aan dien eisch gehoor, en gelasteden hunnen afgezant aan het Fransche hof, Lestevenon van Berkenrode, daaromtrent bij de Fransche regering te onderhandelen, hetwelk, echter niet zonder veel moeite, ten gevolge had, dat het prijsgemaakte schip met zijne lading teruggegeven, en daarmede aan den eisch van het Engelsche Gouvernement voldaan werd.—

In December 1789 hadden er op Texel vele woelingen [54]plaats, ter oorzake eener aanstelling van de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier, waarbij Mr. Gerrit Buijskens, tot Schout en Dijkgraaf van Texel en Baljuw van Eijerland benoemd was. Genoemde Buijskens, in September 1786 door de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier tot voormelde waardigheden aangesteld, had zich in deze betrekking met allen lof van zijnen pligt gekweten, en was, ofschoon der patriotische zijde toegedaan, in dezelve gebleven, en op het einde van Wintermaand 1787 weder derwaarts gereisd. De heffe des volks uit de gemeente Oostereind,—waarschijnlijk aangemoedigd door de Burgemeesters van de Waal en Oostereind, welke hem als zoodanig weigerden te erkennen, aangezet door zekeren Lammert Dijke, kwam, vereenigd met die van het Oude Schild, en aangevoerd door den schipper van ’s Lands schuit met eenige roeijers op den Burg, van welke plaats Buijskens de Regenten op het Raadhuis deed vergaderen, ten einde naar tijdsomstandigheden een besluit te nemen. Dan, zoodra had echter de zaamgevloeide en niets dan oproer en geweld in den zin hebbende volkshoop dit niet vernomen, of men bezettede den Burg, benevens het huis van den Schout, en sloot alle toegangen zoodanig af, dat men er niet dan met het grootste gevaar uit konde komen. De zaak verkreeg nu een ernstiger aanzien; was het tot hiertoe bij razen, vloeken, schelden en dreigen gebleven, thans kwam het tot dadelijkheden.—Men hieuw met den sabel, men perste geld af, en besloot eindelijk met het openloopen van de huisdeur, waardoor Buijskens eindelijk genoodzaakt werd te besluiten tot de afzegging van de voorgenome vergadering der Regenten.—

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *