1855 – Het Eiland Wieringen en Zijne Bewoners, Francis Allan

Project Gutenberg's Het Eiland Wieringen en Zijne Bewoners, by Francis Allan

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org
[Inhoud]

[Inhoud]

HET EILAND WIERINGEN EN ZIJNE BEWONERS, GESCHETST DOOR F. ALLAN. Met eene KaartAMSTERDAM, WEIJTINGH & VAN DER HAART. 1855.

[Inhoud]

Gaar kennis van het Land waarin gij zijt geboren.

[Inhoud]

VOORWOORD.

Toen ik de belofte aflegde, de vervaardiging eener beschrijving van het Eiland Texel op mij te nemen, beloofde ik tevens, ook het Eiland Wieringen, op gelijke wijze te zullen bewerken.—

Ik heb die belofte gehouden, waartoe ik vooral werd in staat gesteld, door de welwillende medewerking van de H.H. Mr. J. van Hengel, Burgemeester der Gemeente Wieringen, Weeshuizen, Opzigter van ’s Rijks Waterstaat, J. Hoefnagel, Openbaar Onderwijzer en M. Koorn, Wethouder aldaar, welke allen mij vele en belangrijke inlichtingen hebben ten beste gegeven, en waarvoor ik HEdn. bij dezen, openlijk mijnen welmeenenden dank betuige.

Met bescheidenheid, beveel ik mijnen Landgenooten in het algemeen, en Wieringen’s Bevolking in het bijzonder, mijnen arbeid aan. Mogt het werkje hunne goedkeuring wegdragen!

Eiland Marken.

[Inhoud]

INHOUD.

INLEIDING.

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BESCHOUWING VAN HET EILAND WIERINGEN.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VOORTBRENGSELEN, BRONNEN VAN BESTAAN.

DERDE HOOFDSTUK.

WIERINGEN’S GESCHIEDENIS.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE VOORNAAMSTE DORPEN EN GEHUCHTEN OP WIERINGEN.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE BEVOLKING VAN WIERINGEN.[5]

[Inhoud]

INLEIDING.

Ofschoon er over de geschiedenis van ons Vaderland, in vroegeren tijd, en vooral vóór de komst der Romeinen, eenen sluijer ligt verspreid, waaronder tal van belangrijke gebeurtenissen verborgen liggen, zoo weten wij echter, dat onze geboortegrond, gelegen aan de uitwatering van groote rivieren, wier stroomgebied destijds nog door geene waterkeeringswerken werd bepaald, en daarbij blootgesteld aan de landverslindende woede der Noordzee, welke de west- en noord-kusten van Nederland steeds bedreigen, meer dan eenig ander land, belangrijke veranderingen heeft ondergaan, zoo wel met betrekking tot de oppervlakte van den grond, als tot de rigting der stroomen.—

Allerwege toch in ons Vaderland, zijn daarvan de sprekendste bewijzen voorhanden. Zoo toch werd, bij het ontgraven der grondslagen van het huis van den Domproost, op Utrecht’s hoogste gedeelte, ten tijde van Hortensius, een gezonken schip, met zijne lading, bestaande in aardewerk, gevonden; terwijl men bij het boren van eenen put te Groningen, op eene diepte van veertig voeten, mede een[6]schip vond, dat van Romeinsch maaksel scheen te zijn;—gelijk het ook even zeker is, dat Hollands west- en noord-kust, alsmede de eilanden, zich veel verder in die rigting hebben uitgestrekt. Zulks wordt althans bewezen, zoo door de in de Noordzee liggende zandbanken en platen, als door de kapel van Nehalennia op Walcheren, de grondvesten van de oude stad bij de Goereê, en het huis te Britten, bij Katwijk; welke gebouwen toch wel niet aan den buitenkant der duinketen zullen geplaatst zijn geweest.

Dan, niet slechts aan die zijden, maar ook dáár, waar thans de Zuiderzee de plaats van eenmaal vruchtbare en houtrijke landerijen inneemt, zijn allerwege de sporen aanwezig, welke van de groote veranderingen, in den loop der eeuwen, door stormen en watervloeden, hier te weeg gebragt, de onmiskenbaarste bewijzen dragen. Tijdens de komst der Romeinen hier te lande, waren deze streken reeds lang bewoond; waarvan de stichtingen van onderscheidene burgten of sterkten in dien tijd, ten bewijze strekken.—Zoo woonden o. a. de Tusiê of Toesië, op de hoogere landstreken bij Medemblik, van welk volk den naam nog overig zoude zijn in het dorp Opperdoes, alsmede in Lager- of Nederdoes, welke laatste plaats in de Zuiderzee bedolven is;—de Marsioten of Marsen hielden verblijf in de lagere deelen van Noord-Holland, Waterland, en werden aldus genoemd, naar de Meerschen, Marschen, d. i. lage weilanden. Destijds, stonden Rijn en IJssel nog in geene verbinding met elkander, terwijl eerstgenoemde rivier, behalve de thans bestaande mondingen en de verzande mond bij Katwijk, vrij zeker meer vertakkingen had, waarvan er eene van Wijk voorbij Utrecht naar de Vecht, en eene andere boven Wageningen, noordwaarts [7]naar de Eem vloeijende, door Waterland stroomden, en bij Petten (putten) in de zee stortten. De andere rivier, de IJssel, was toen nog van minder beteekenis, en vloeide in het meer Flevo of Flevum, dat tusschen Schokland, Urk en Friesland moet gelegen hebben. Dit meer ontlastte zich door eenen stroom, die bij de tegenwoordige Tako-Zijl, in Friesland tusschen Heeg (het Hoog) en Woudsend (einde der oostelijke bosschen) vloeijende, tusschen Sneek en Bolsward in de Middelzee stroomde. Toenmaals besloeg de Middelzee een groot deel van het tegenwoordige Friesland en had bij de stad Uitgong, hare waterloozing in de Wadden, de Mare-Vadosum, en vervolgens tusschen Ameland en Terschelling in de Germaansche of Noordzee.—

De Zuiderzee bestond in dien tijd nog niet. De eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen en Marken waren toen nog aan den vasten wal verbonden, terwijl de grondgesteldheid van Gooiland in Holland, en van Gaasterland in Friesland, met grond doet vermoeden, dat deze streken almede aan elkander verbonden waren. Aan beide zijden toch zijn de uiteinden van eene verbrokene hooge aardriggel zigtbaar: in Gooiland, aan den Muiderberg, en in Gaasterland, bij Stavoren, aan het Roode Klif.1[8]

Tijdens het verblijf der Romeinen, hier te lande, ondergingen die streken, vooral door de bemoeijingen van Drusus, opperbevelhebber der Romeinsche legerbenden, groote verandering, of althans waren het zijne ondernemingen, welke daartoe later aanleiding gaven.—Hij toch, de zoo opmerkzame veldheer, bespeurde welhaast het gevaarvolle van den toestand, waarin de landen aan den Neder-Rijn, door gedurige overstroomingen, zich bevonden, iets, dat hem en zijne legermagt, in hunne krijgsverrigtingen zeer hinderlijk moest wezen. Hij peinsde daarom op middelen, waardoor hij dezen [9]toestand zoude kunnen veranderen; en alzoo kwam hij op het denkbeeld, om den Rijn eene nieuwe uitwatering te bezorgen, door den aanleg eener gracht of kanaal, naar den IJssel, welke toen met het meer Flevum in gemeenschap stond, en—geholpen door zijne legioenen, werd aan zijn denkbeeld weldra een werkdadig gevolg gegeven.—

Het door Drusus ontworpen kanaal, kwam boven Arnhem uit den Rijn, en vloeide tot aan dien plek waar thans de stad Doesburg ligt, en die naar Drusus naam Drusus- of Droesus-burg, zoude geheeten zijn.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *