1854 – Het Eiland Marken en Zijne Bewoners, Francis Allan

Project Gutenberg's Het Eiland Marken en Zijne Bewoners, by Francis  Allan

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org

Het eiland Marken en zijne bewoners; titelblad

Het eiland Marken en zijne bewoners; titelblad

Originele titelpagina

Originele titelpagina

HET
EILAND MARKEN
EN
ZIJNE BEWONERS,
Met 2 Kaartjes.
AMSTERDAM,
WEIJTINGH & VAN DER HAART.
1854.

VOORWOORD.

Het moge waar zijn, dat het Eiland Marken, bij velen in ons Vaderland bekend zij, zoo wel door de natuurlijke gesteldheid van dit stukje gronds, als door de eigenaardige, of liever, verouderde gewoonten van zijne bewoners;—niet minder waar is het, dat dit Eiland, bij nog meerdere onzer Landgenooten, zoo niet geheel onbekend, minstens niet goed, niet naar waarheid, bekend zal zijn.

Hiervan overtuigd, besloot ik dit Werkje in het licht te zenden, met het doel, Marken en zijne Bewoners naar waarheid te schetsen, en langs dien weg, het Publiek in de mogelijkheid te stellen, zich zonder groote opoffering, met dit Eiland en met deze Eilanders, meer van nabij bekend te maken.

Vraagt men, of er welligt zooveel merkwaardigs van Marken zij te zeggen, dat de Uitgave van deze Schets, als van belang kan worden geacht?”—

Zoo merken wij aan, dat niet het merkwaardige, noch ook het eigenaardige van hetzelve, ons tot de zamenstelling der volgende bladen, hebben aangespoord:—maar dat wij, naar aanleiding, van hetgene wij, voor eenigen tijd omtrent dit onderwerp geboekt vonden, en hetgeen ons bleek, deels bezijden de waarheid—deels overdreven te zijn, genoopt werden, ten opzigte van Marken en de Markers, der waarheid openlijk hulde te doen, en datgene in het regte licht te plaatsen, waarop door anderen eene valsche schaduw geworpen is;—terwijl deze uitgave tevens voldoen zal aan eenen, door velen, uitgedrukten wensch.

Wij voegen hierbij niets meer, dan de wensch, dat dit boekske in veler handen moge komen, en niet onvoldaan ter zijde worde gelegd!

Eiland Marken,

den 1 Feb. 1854. Allan.[I]

INLEIDING.

Ofschoon er, voor zoo veel ik heb kunnen nagaan, van de vroegere geschiedenis van het EILAND MARKEN, zeer weinig geboekt staat, zoo moet toch de natuurlijke gesteldheid van hetzelve, in vroegeren tijd, veel verschild hebben van den toestand, waarin het zich thans bevindt.—Immers vinden wij, in eene beschrijving van Waterland, het volgende opgeteekend:

„Het EILAND MARKEN, waarschijnlijk in het laatste gedeelte der 13de eeuw van ’t Vaste Land gescheiden, is eene zeer oude Volkplanting van Vroome Hollanderen. Oudtijds behoorde hetzelve aan het Klooster Mariëngaarde, in Friesland; doch door Vrouwe Margaretha, uit hoofde, der moord aan Grave Willem gepleegd, met meer andere goederen der Friezen, in Holland en Zeeland gelegen, geconfisqueerd en verkocht.”—Van dezen verkoop, is nog een afschrift op dit Eiland voorhanden.—

Dit een en ander, komt overeen, met hetgene wij daaromtrent vermeld vinden, in eene overoude Beschrijving van Waterland, waarin o. a. gezegd wordt:[II]

„Dat ’t Eijlandt en Dorp van Marcken in oude tijden toegekomen heeft, het Convent ofte Klooster te Mariëngaarde in Vriesland, hetwelcke was in Ferweradeel de tweede Grietenije in Ooster-goo, daar men elf Dorpen in vand, namelijk dit Mariëngard, daar benevens Fosmert, en Genauwert. Het heeft Winsinius, Vriessche Historiënschrijver ons onderrecht, dat de helft van het Eijlandt en Dorp, door Godsdienstige Hollanderen aan ’t gemeld Klooster van Mariëngaarde wechgeschonken was, en dat den Abt en de Munnicken, de andere helfte kogten van de Persijnen, Heeren van Waterland, soo dat se het geheel verkregen: maar wederom ontnomen wierd’, door Margareta, Keijserinne van Romen, Gravinne van Holland, Zeeland, enz., tot wrake, van haren Heer en Broeder Grave Willem die in Vriesland verslagen was;—

De woorden van de oude Hollandsche Cronijck, die van Gouthoeven gevolgt word, luijd aldus:

„Deze vrome Margriete, Keijserinne van Romen, Gravinne van Holland, Zeelandt, Vrieslandt, en oock Henegouwen, heeft doen Confisqueren en toestaan, alle de Goeden, Landen, en Renten der Vriezen, geestelijcke en wereldlijcke, die in Holland en Zeeland gelegen waren, omdat sij in Vrieslandt haren Broeder en gevechten Heere, hadden verslagen, deselve Goederen verkopende vele en diverse personen: onder anderen Goederen worden oock verkocht, dat Land en Dorp van Marcken, dewelcke op die tijd behoorde het Convent [III]en Klooster van Mariëngaarde, der Ordre van de Premonstreijten, gelegen in Oost-Vrieslandt, dat welcke de Abt en de Broeders in voorleden tijden, ghekocht van Heer Claas Persijn, Heere van Waterland (Gouth. folio 381.)

„Dit moet van de eerste Claas Persijn wesen, die Ridder was, en in ’t jaar van 1250, ghestorven is: want de andere stierf Anno 1375, en nu had’ et de Munnicken al langh beseten gehadt.—

„Het is buiten twijfel, of dit Marcken is vóór ’t inbreken der Zuijderzee eene wellustige (aangename) plaatse, met Hoven versien, en aan ’t Vaste Land gheweest, waar veel Monnicken gehouden hebben: het Land daar omtrent (sij-lieden in eijgendom) ten meestendeele beseten hebben, hetwelcke veroorsaackt heeft, de namen van Munnicke-Meer, Munnickendam, Munnicke-broek, en de Munnick, die de Munnickedammers noch in hare wapen voeren en houden. ’t Kon wel zijn, dat den Dijck daar de Stad opleijd, ofte die den Dam is, was gheweest in de Hoefslagh van de Munnicken van Marcken, en daarom, de Munnickendam.”

Aangaande de wraak, welke door Margareta (?) Keijserinne van Romen, Gravinne van Holland en Zeeland, enz. over den dood haars Broeders, ten aanzien van Marken, zoude genomen zijn, lezen wij, in de Geschiedenis der Grafelijke Regering, het volgende:

„Dat Willem IV., in den jare 1334, op negentienjarigen ouderdom, als Graaf gehuldigd werd over Holland [IV]en Zeeland;—dat Hij afstamde uit het Grafelijke Huis van Henegouwen;—dat deze Graaf, ten jare 1345, eenen veldtogt ondernam tegen de muitende Friezen;—en dat hij, den 26sten of 27sten September van laatstgemeld jaar, in eenen veldslag, tegen deze, sneuvelde.—

„Zijn lijk werd eerst 10 dagen daarna, gevonden, en in een Klooster, niet ver van Bolsward, begraven.—

„Zijne jeugdige Gemalin, eene dochter van Jan III., Hertog van Brabant, was over dezen dood, zoo zeer verstoord op de Friezen, dat zij het Klooster der Friesche monnicken op Marken, liet in den brand steken, en al de monnicken in zee (in den Kuil van Marken) werpen.—

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *