Zeemanswoordenboek Wanthaak – Wildebras

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Werplijn, werptros, enz. — Zie Lijn, Tros, enz.

Werrie, z. n. v. — Engelsch roeivaartuigjen.

Wervelwind, z. n. m. — Dwarrelwind; draaiende Wind, die met hevigheid waait.

’t Gegter der Wervelwinden
Die eik en ceder knakken,
Rukt broederlijke takken,
Scheurt teere hartevrinden,
In ’t stormgewoel van een.
Bilderdijk.

Werven, b. w. — Aannemen, in dienst nemen. Manschappen W—, Matrozen W—.

Werver. Die het volk tot de dienst ten oorlog aanbrengt. De matrozen noemen zulk een: zielverkooper.

West, bw. — Ten Westen, uit het Westen, aan de Westkant. De wind is W— (waait uit het Westen.) wij zagen een schip W— van ons af.

West, (de) z. n. v. — De Westindische Koloniën. hij  vaart op de W—. hij  heeft zijn fortuin in de W— gemaakt.

Westelijk, b. n. — Wat zich ten Westen bevindt.

Westelijken, o. w. — Zich naar het Westen begeven. De wind begint te W—.

Westen, (het) — Het Westelijk land.

Westen, (ten) b. w. — Aan de Westzijde. Zie West.

Westergang, z. n. m. — Gang, die, zich langs de spiegel van stuur- naar bakboord uitstrekkende, aan de eene zijde door de spiegel en aan de andere door een leuning bepaald wordt.

Westerkim, z. n. v. — De gezichteinder ten Westen. Zie Westkim.

Westerzon, z. n. v. — Avondzon.

Westewind, z. n. m. — Wind, die uit het Westen waait.

Westkim, z. n. v. — ’t Zelfde als Westerkim.

Hy had de avond en de Westkim reeds gewonnen
Vondel, Faeton.

West ten noorden, west ten zuiden. — Windstreken. Zie Windstreken. [263]

Westwaart, b. w. — Naar de Westzijde toe. wij zeilen W— (het Westen in).

Westzijde, z. n. v. — De zijde, in het Westen gelegen.

Wevelingen, z. n. v. mv. — Touwtjens, tusschen de hoofdtouwen gespannen, en de bootsgezellen dienende om naar de mars en bramzaling te klimmen.

Weven, b. w. — De Wevelingen scheren.

Wiegen, b. w. — De scheepstimmerlieden noemen een schip W—, wanneer zij het, bij  ’t afloopen, los wrikken en aan ’t glijden helpen.

Wiel, z. n. o. — Het rad van een rampaard.

Wieling, z. n. v. — Draaikolk.

Wat Wieling dan, wat golving spoelt en drijft
En slingert u, onwetend waar gy blijft?
Bilderdijk.

Wieltros, z. n. m. — Dunne troslijn.

Wier, z. n. o. — Zeegras, dat, gedroogd, tot het maken van dijken gebezigd wordt. Zie Dijk.

Een hand vol zeewier dreef door ’t nat,
Ten spel van wind en golven,
Nu, ’t moedig hoofd om hoog gebeurd,
En dan, in ’t schuim bedolven.
Bilderdijk.

Van dit gras heeft het eiland Wieringen zijn naam.

Spreekwijze: hij  kijkt of hij  Wieringen in wou (hy kijkt zuur: om dat de doortocht tusschen Wieringen en de vasten wal smal is).

Men moet soms hard prangen om Wieringen te krijgen (men heeft veel gevaar door te staan eer men in veilige haven komt: men moet soms hard werken aleer men tot rust komt).

Wieuw, b. n. (veroud.) — Ongunstig. De wind is W— (het tegendeel van Waauw).

Wig, z. n. v. — Prisma van hout of yzer, dienende om hout te splijten, of eenig voorwerp te schoren.

Wik, b. n. — Ter naauwer nood.

Spreekwijze: Het is W— of Wak (het is zus of zoo). Zie Wak.

Wikken. Bezien, doelen.

En driemaal wikte van zijn oortip, driemaal mikte:
Zóó vreeselijk, dat zelfs de hemelschutter schrikte.
Vondel, Faeton.

Spreekwijze: Men moet W— en wegen. (Men moet bezien en overleggen).

Wildebras, z. n. m. — Zie Bras.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *