Zeemans woordenboek Willen – Zijperken

Willen, z. n. m. mv. — 1o. Enden dik touw, die, in de plaats van een wrijfhout, voor de boeg van een klein vaartuig gehangen worden.

2o. Platte schijven van platting gemaakt, die over het buitenboord van de sloepen gehangen worden tegen het stooten. [264]

Wimpel, z. n. m. — Lange, smalle strook vlaggendoek, meestal in twee punten uitlopende. Koninklijke W— (die alleen van de grote mast der oorlogsvaartuigen geheschen wordt en de kleur der vlag heeft.) De W—, boven de vlag van top gevoerd, dient tot teeken, dat de hoogste macht, de Koning of diens vertegenwoordiger, aan boord is. Kommandeur van de breeden W— (tytel van een Hoofdofficier in rang volgende op de Schout-by-Nacht). Met Vlaggen en W—s liep het schip de haven binnen.

Een gloeiend paviljoen
Van Wimpels, geschakeert tot een triomffestoen,
Verlicht door duizenden van vieren, langs de stangen
En marssen vastgehecht, terwijl kortouw en slangen
Matroos verquikten met hun dreunende muzijk.
Antonides, IJstroom.

Spreekwijze: hij  wint het met Vlaggen en W—s. Zie Vlag.

Wimpelman, z. n. m. — Scheepsjongen, die op de Wimpel moet toezien.

Wimpelstok, z. n. m. — Stok of standert van de Wimpel.

Wind, z. n. m. — Beweging van de dampkringslucht. Sterke W—, Scherpe W—, Koude W—, Harde W—,

Boghtig yzer kan men rechten;
Maar geen harden Wint bevechten.
Cats.

ZeeW— (die uit zee waait.) LandW— (die van de landzijde komt.) By-de-W— (als de W— voorlijker dan dwars inkomt.) Voor-de-W— (van achteren inkomende W—.) Bezeilde W— (dien men voor zijn koers behoeft.) De W— op het zeil (tegen-W—.) De W— in het zeil (voordeelige W—.) Onder de W— van iemand zijn (te lijwaart van hem zijn.) Slecht by-de-W— zeilen (lafwindig zijn.) W— en stroom mede hebben. Naar de W— zeilen. Door de W— gaan (wenden.) De W— is Wieuw: De W— is Waauw. Zie Wieuw, Waauw. Boven de W— zijn, beneden de W— zijn (te loef of te lijwaart zijn.) De W— is op en neêr (er is geen W—.) Geen W— overgeven (van elk zuchtjen gebruik maken).

Spreekwijzen: Het gaat hem voor-de-W— (het gaat hem voorspoedig).

Er waait geen W— of hij  is iemand dienstig (elke zaak heeft hare goede zijde).

Hy ziet in de W— (hy geeft acht op hetgeen gebeuren kan). Zoo schrijft Hooft: “Hoewel de ontsteltenissen, die ’t genaaken onzer ellenden beteekenen, van heeden nocht gisteren begost zijn, zoo hebben wij ’t al een wyle laaten heenen gaan op toeverlaat, dat de Mooghenste Heeren en Staaten der Gewesten in de wind zouden zien, en uwe Hoogheit het opsteekend en nu over ’t hooft hangend onweeder aanwijzen.” [265]

Iemand de W— afnemen (hem van zijn voordeel berooven). Zoo zegt Hooft: “Dit was de wegh, om dien van Guise, die door de twist in ’t geloove hunnen aanhang stijfden, t’onderscheppen ende de windt af te neemen.”

Wind breken, Wind maken (snoeven, pochen, onnoodige drukte maken). “d’onzekerheid van de oirsprong des Nyls, daer d’Egyptische neuswijzen zoo veel wints om breecken,” zegt Vondel in de Opdraght van zijn Sofompaneas.

Door-de-W—gaan (met een nat zeil loopen, beschonken zijnde, om verre vallen).

In-de- W— gaan (gaan zwieren).

Tegen W— en stroom is ’t kwaad zeilen. Zie Stroom.

Er is een rakjen in de W—. Zie Rakjen.

Hy waait met alle W—en (hy praat ieder naar de mond).

Alle havens schutten geen W—. Zie Haven.

Iets in de W— slaan (zich er niet aan stooren).

De booswicht slaet haer klaght en woorden in de wint.
Vondel.

Die zeilt boven wint,
Die zie wat hij  vindt.
Cats.

(te hoog zeilen baart ongemak).

Hy heeft de W— in ’t hoofd (hy is wild en woest).

Daar is W— aan de lucht (men is braaf aan ’t pochen).

Men kan van de W— niet leven.

Een schipper mag geen W— verleggen (men moet geen gelegenheid verzuimen).

In die Waters heeft men veel Noorde-W—. Zie Water.

Windas, z. n. v. — Verzetbaar draaispil, waar iets aan wordt opgewonden.

Windboom, z. n. m. — Vierkante boom, dien men in ’t spil steekt om het rond te draaien.

Windbui, z. n. v. of Windvlaag. — Gewaai uit dezelfde streek, dat korter of langer duurt.

Winden, b. w. — de kaapstander, het spil draaien, om het anker te lichten, in het spil loopen. Op en neder W— (het spil W—, tot dat het touw reeds op en neder boven het gezonken anker staat).

Windgeld, z. n. o. (veroud.) — Geld, dat de schipper werd toegelegd voor het slijten van takels, enz. bij  ’t lossen en laden.

Windhoek, z. n. m. — Hoek, streek, van waar de Wind komt.

Windhoos, z. n. v. Zie Hoos.

Windmeter, z. n. m. — Werktuig, waarmede de kracht van de wind aangetoond en gemeten wordt.

Windreep, z. n. v. — Touw, looper, dienende om de stengen te hijschen of de bovenste masten op te strijken.

Windroos, z. n. v. — Benaming van de lelie op ’t kompas.

Windspaak, z. n. m. — ’t Zelfde als Windboom. Zie ald.

Windstreken, z. n. v. — Deze zijn 32 in getal, te weten: [266]

Noord. Zuid.
Noord ten Oosten. Zuid ten Westen.
Noord Noord Oost. Zuid Zuid West.
Noord Oost ten Noorden. Zuid West ten Zuiden.
Noord Oost. Zuid West.
Noord Oost ten Oosten. Zuid West ten Westen.
Oost Noord Oost. West Zuid West.
Oost ten Noorden. West ten Zuiden.
Oost. West.
Oost ten Zuiden. West ten Noorden.
Oost Zuid Oost. West Noord West.
Zuid Oost ten Oosten. Noord West ten Westen.
Zuid Oost. Noord West.
Zuid Oost ten Zuiden. Noord West ten Noorden.
Zuid Zuid Oost. Noord Noord West.
Zuid ten Oosten. Noord ten Westen.
Windvang, z. n. v. — Het opvangen van de Wind. Een zeil ter W— stellen (het aan de Wind bloot stellen).

Windveër, z. n. m. — Streep in de lucht, wind voorspellende.

Windvieren, z. n. v. mv. — Verlenging van de rantsoenhouten.

Windwijzer, z. n. m. — Lap of strook, aan een stok gehecht, en op ’t boord gezet, dienende om de richting van de wind aan te toonen bij  flaauwe koelte.

Windzak, z. n. m. — Bynaam van het koelzeil.

Spreekwijze: hij  is een W— (een opgeblazen vent).

Winkelen, b. w. (veroud.) — Winkelhaaks zetten.

Winnen, b. w. — 1o. Voordeel behalen. Op een ander schip W— (het naderen, met kans om het vooruit te komen).

2o. ’t Net ophalen als men vischt: ’t zelfde als winden, even als men ook vinnen voor vinden zei.

Winterbramstengen, z. n. m. mv. — Bramstengen met korte toppen.

Winterlaag, z. n. v. — Reede, waar de schepen gedurende de winter veilig liggen.

Wipper, z. n. m. — Talie, dienende om iets te hijschen, of neder te laten. W— van de zonnetent. Zie Uithaalder, looper.

Wippertjen, z. n. o. — Slok, in der haast gedronken.

Wisschersklos, z. n. m. — Gedraaid stuk hout, op een roede van esschen hout of op een touw gezet, en met schaapshuid of varkenshair bekleed, en dienende om de loop van een stuk geschut schoon te maken na het schot.

Woeling, z. n. v. — Naaiing van gebruikt touw of ketting, die om de boegspriet in de Woelingknie komt en dient om de eerste, die met recht de naam van Sleutel van het tuig draagt, neêr te houden.

Woelingknie, z. n. v. — Hoekige Knie, die de scheg aan de voorsteven vastbindt: de eene arm is op de steven, de andere aan de scheg vastgebonden. zij dient om de laatste het opwerken en oplichten te beletten.

Woelwater, z. n. o. — Woelend water. [267]

Spreekwijze: Een W— (een woelig mensch of kind).

Wol (in het) hakken (veroud.) — In de gezaagde planken hakken, die, om beter te buigen, in het vuur gelegd zijn.

Wolf, z. n. v. — Draaikuil.

Wolk, z. n. v. — Vergadering van dampen in de lucht, die in mist, regen, sneeuw of hagel nederdalen. RegenW—, SneeuwW—, OnweersW—, Drijvende W—en. Er hangen zware W—en.

Wolkdrijvend, b. n. — Zoo noemt men in de scheepsjournalen het weer, als er Wolken door de lucht Drijven.

Wolkvanger, z. n. m. — Pij van prezenning, waarmede zich de zeelieden tegen boos weer beschutten. Zie Bolkvanger, Baaivanger.

Wolkveger, z. n. m. — Wind, die de lucht van Wolken schoon veegt.

Worm, z. n. v. — Ongedierte, dat het hout doorknaagt. HoutW—, PaalW—. Het hout is van de W— doorvreten.

Wormgaten, z. n. o. mv. — Gaten, door de Wormen uitgevreten.

Wormstekig, b. n. — Door de Worm bedorven of althands aangetast.

Wormvrij, b. n. — Tegen de Worm beveiligd.

Worpen, z. n. o. mv. — Zware balken, die de uiterste spanten van het achterschip van binnen krui-en.

Worst, z. n. v. — 1o. End oud touw om tot kabelgarens te worden uitgedraaid.

2o. Enden afgekapt zwaar touw, buiten boord gehangen om ’t schuren te beletten.

3o. Grof doek, met zand gevuld, en in ’t rond gevouwen, ’t welk men, bij  zware beweging van ’t schip, bezigt, om te beletten, dat de schotels van tafel rollen.

Woutermannetjens, z. n. o. mv. — 1o. Strookjens hout, waarvan er doorgaands vier op het zaadhout onder een stijl gezet worden om het uitglijden van dezen te beletten.

2o. Kleine blokjens zonder schijven, voor dunne lijnen.

Wouwestaart, z. n. m. — Oude benaming van het roer, om zijn vorm.

Die maeckt de Wouwe-steert, het roer, van achter vast.
Vondel, Lof der Zeevaart.

Wraak, z. n. v. — Drift, hoek van afdrijving. Dwarsgang van het schip, by-de-wind zeilende, waardoor men in de koers verliest en beneden het voorgestelde punt geraakt. Het is een gebrek van het schip, wanneer het veel W— heeft. Afdrijven is winnen, zegt men, wanneer het schip, bygedraaid liggende, van zelf drijft naar de kant waar men heen wil.

Wraaklijn, z. n. v. — De streep, welke het kielwater te loefwaart op beschrijft, en die de afdrijving van het zeilend schip aanwijst.

Wrak, b. n. — In slechten staat, beschadigd. Een W—ke lading, een W— tuig.

Wrak, z. n. o. — Stukken van een gestrand schip. ’t Woord heeft, met betrekking [268]tot een schip dezelfde beteekenis als dat van ruïne, met betrekking tot een gebouw.

Wraken, o. w. — Afdrijven, van streek gaan. Het schip Wraakt of heeft Wraak.

Wrakton, z. n. v. — Ton, die aanwijst, dat een schip gezonken is.

Wreed, b. n. (veroud.) — Werd een schip gezegd te zijn, wanneer het, zwaar op het water liggende, in een onweer te veel slingerde.

Wrikken, b. w. — Een Wrik- of stuurriem, aan het achtereind van een roeivaartuig uitgebracht, met beide handen rechts en links brengen, zoo dat hij  bij  elke slingering een halven cirkel beschrijft en zoo vooruit doet gaan.

Wrikriem, z. n. m. — Zie Stuurriem.

Wrijfhouten, z. n. o. mv. — Houten, op de buitenzijde van een schip gespijkerd om de wrijving en schokking van andere vaartuigen of voorwerpen te verminderen.

Wrijfworst, z. n. v. — Zie Poddingzak, Worst.

Wuit, z. n. v. — Soort van haspel, waarop men te scheep het schiemansgaren vervaardigt. LogW— (W—, waar men de loglijn van af windt).

Wuiten, z. n. o. mv. (veroud.) — Houten, met gaten doorboord, om de kabel van het spil af te houden, als hij  beslijkt is.

Wuiven, b. w. — Heen en weder zwaaien, toewenken. Met de hoed W—, Het afscheid W—. Begroeten, bij  het roepen van hou zee!

Spreekwijze: Ik weet uw W— wel, zoo als de vrouw zei, toen zij haar man aan de galg zag slingeren.

Wulf, z. n. o. — Boog, gewelfde zoldering. Het W— boven de watergang van een linieschip.

Wulfbalk. z. n. m. — Onderste balk tusschen de hekstukken.

Wulfhout, z. n. o. — Stut of oplanger van het Wulf.

Wurm, wurmgaten, enz. — Zie Worm, Wormgaten, enz.

Wy, p. voorn. — In ’t algemeen gebruikelijk voor “ons schip.” W— zijn aan lij. hij  is te loefwaart van Ons. wij moeten ten anker. wij loopen drie mylen.

Wijzen, o. w. — Zich vertoonen, zich voordoen. Het touw Wijst recht vooruit (staat recht vooruit). Het touw Wijst met een hoek naar het anker (staat in een hoek tusschen het schip en het anker). Het kompas Wijst. Zie Miswijzing.

Y, IJ.

IJs, z. n. o. — Bevroren water. De schepen raakten in ’t IJ— bezet. DrijfIJ—. GrondIJ—.

Spreekwijze: Op oud IJ— vriest het licht. (Een oude hebbelijkheid wordt spoedig tot een ondeugd).

IJsbank, z. n. m. — of IJsklip. Vaste IJsmassa. [269]

IJsbreker, z. n. m. — IJsbord, IJsplank: houten bekleedsel, dienende om een schip tegen de schuring van het IJs te beveiligen.

IJsbord, z. n. o. — Zie IJsbreker.

IJsgang, z. n. m. — Sterker drift van het IJs, dat door een stroom wordt voortgedreven. Daar gaat een zware IJ—. De dijk is voor de IJ— bezweken.

IJsklip, z. n. m. — Zie IJsbank.

IJsschol, z. n. v. — Los ijsveld, oppervlakte, drijfijs.

IJsveld, z. n. o. — Zee, die tot IJs gestold is.

IJszee, z. n. v. — Zee aan de Noord- en Zuidpool, met IJs bezet.

Yzer, z. n. o. — Voor: kogels en schroot.

Heemskerck, die dwars door ijs en yzer heen dorst streven.
Grafschrift op Heemskerk.

Yzers, z. n. o. mv. — Boeien. hij  werd tot de Y— veroordeeld. hij  zit in de Y—.

Yzeren knie, z. n. v. — Knie, uit Yzer vervaardigd.

Yzertros, z. n. m. — Tros van de beste hoedanigheid.

Yzervast, bw. — Een tros, looper, bras, Y— binden (voor goed beleggen, vastzetten).

Yzerziek, b. n. — Wordt een schip genoemd, waarvan het Yzerwerk oud is en los zit.

Z.

Zaadhout, z. n. o. — Benaming van een rij dikke balken, die, de een aan de anderen, in de richting der kiel en daarboven geplaatst, zich kruissen met al de spanten van een schip, door over ’t midden der vrangen heen te loopen. Het Z— dient tot versterking voor het raam en tot gelijker verdeeling van het gewicht des masten.

Zaag, z. n. m. — Lange platte yzeren strook, waarvan de eene zijde getand is, en dienende om voorwerpen van hout of steen zuiver te verdeelen. Zie HandZ—, SpanZ—, KraanZ—, RaamZ—, SchrobZ—, TrekZ—. Volgends het sprookjen hadden de schepen der kruisvaarders (waarvan de afbeeldsels nog in de groote kerk te Haarlem hangen) Z—en aan de boeg, waarmede zij de kettingen, bij  Damiate gespannen, afzaagden.

Zagen, b. w. — Door middel van een Zaag verdeelen.

Zagersbok, z. n. m. — Zie Bok.

Zakken, o. w. — 1o. Achteruitblijven. wij lieten ons Z— (wy bleven met ons schip achteruit).

2o. Nederdalen (Die bui is gezakt).

Dauw en donker zyn aan ’t zakken.
Huighens. [270]

Zaling, z. n. v. — Dwarshout aan de top van een mast, dienende om een mars te steunen. Zie BramZ—, LangsZ—, enz.

Zand, z. n. o. — Soort van lichte, fijne, geelachtige aarde, met keizels of schulpen vermengd. Grof Z—, Fijn Z—, ZeeZ—, RivierZ—, SchelpZ—, Modderig Z—, DriftZ—, WelZ—, DuinZ—. Zie Verzanden. In ’t Z— vastwoelen.

Bedolven in ’t Javaansche Zand.
O. Z. Van Haren.

Spreekwijze: Wacht u voor Z— en stranden.

Hy ligt in ’t Z— (hy is dood).

Zandbaai, z. n. v. — Verzande baai.

Zandgrond, z. n. m. — Zanderige bodem.

Zandlooper, z. n. m. — Werktuig, uit twee fleschjens bestaande, in een open buis gevat en met de halzen op elkander geplaatst. Het bovenste fleschjen is gevuld met Zand, ’twelk door een doorprikte kurk in het onderste nedervalt, zoo dat het bovenste fleschjen juist ledig is in een vooraf berekenden tijd, b. v. van een uur, een half uur, een minuut, al naar de hoeveelheid Zand en de snelheid, waarmede het valt. Men keert alsdan de Z— om en dezelfde operatie wordt herhaald. Zie Uurglas, Minuutglas.

Zandplaat, z. n. v. — Schor, drooge plaat in zee.

Zandstrook, z. n. v. — Breede gang, die in de sponning van de kiel schiet, en zich van de voor- naar de achtersteven uitstrekt.

Zee, z. n. v. — 1o. of Waereldzee. De uitgestrektheid zout water, die al de deelen des aardrijks bespoelt.

2o. Elk afzonderlijk uitgestrekt deel der Waereldzee, ’t welk dan wordt onderscheiden door een bepaalde benaming, aan de plaatselijke gesteldheid of kleur ontleend. Zoo: de Middellandsche Z—, De Atlantische Z—, de NoordZ—, de stille ZuidZ—, enz.

3o. Het water der Zee. Hooge, lage Z—, (hoog of laag water, ten gevolge van vloed of eb.) Wassende, opkomende Z— (gedurende de vloed.) Afloopende Z—, (gedurende de eb.) De Z— loopt hoog op, (de stroom is hoog.) In Z— loopen, Z— kiezen, (uitzeilen.) De Z— oversteken, (zich naar een kust over Z— begeven.) In Z—, op Z— zijn.—Een vloot op Z— brengen, (haar uit de haven of van de reede de volle Z— doen inzeilen.) De Z— houden, (in Z— blijven.) Een sloep in Z— zetten, (een sloep uitzetten.) Een zware Z—. (waarvan de golven hoog staan.) Een hoog aanschietende, hoog oploopende Z—, (als de golven zich bij  uitstek hoog verheffen). De Z— schuimt, krult om, (wanneer de golven zich al wentelende met schuim bedekken.) Er gaat veel Z—, (sterke stroom.) Lange Z—, korte Z—, (waarvan de golven lang of kort zijn.) De Z— kabbelt, (de golven zijn kort en tegen elkander invallend). De Z— breekt, (de golven storten kort neder, breken boven het boord.) Het schip krijgt de Z— voor in, op de kop, dwars in, achter in, (de golven stooten zich op de voor- of achtersteven, of tegen een der boorden.) De Z— is slecht, (is kalm, effen.) [271]Staande Z—, (waar weinig eb en vloed gaat.) De Z— loopt de wind op, (de wind blaast van de kant, waar de Z— heen stroomt.) Daar staat Z—, (de Z— is onstuimig.) Daar staat geen Z— meer, (zy is kalm). De ruime Z— kiezen, (zich in de ruimte begeven.) Het schip heeft de Z— op de kop, houdt de kop op de Z—, (de Z— komt vlak op de voorsteven aanzetten.) Z— en lucht zijn aan elkander, (het is boos weer.) Ter Z— varen. Zie Varen. Z— winnen, (zeewaarts in zeilen.) De zon duikt in Z—, (gaat onder.) De zon rijst uit Z—, (gaat op).

De gouden Titan rijst alree
Met blaeuwe paerden uyt de zee
Vondel. Palamedes.

4o. Golf, baar. Er kwam een Z— die het schip overdekte.—Er gaan korte Z—en.—De Z— loopt om de Zuid.

Spreekwijze: Zee voor Levenszee, waarvan van Alphen zingt:

De ontroerde zee, der golven hol geklots,
Stuurt ons van lieverlee ter haven in.
Z— voor menigte, overvloed. Een Z— van rampen, (een menigte rampen). Zoo zegt Badeloch:

Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oog de baren
Der zee kan overzien van al mijn wedervaren.
Hy heeft een Z— van geld, (overvloed van geld).

Het is koel op Z—, (het gaat er stil toe).

Water in Z— dragen, (iets geven aan iemand, die er reeds overvloedig mede bedeeld is).

In Z— gaan, (een onderneming wagen).

Recht door Z—, (zonder omwegen).

De Z— is zonder water, (rijke lieden klagen alsof zij gebrek hadden).

Wat zal de Z— al opwerpen? (wat zal er al voor de dag komen?)

Daar verdrinken er meer in een wijnglas dan in de Z—.

De Z— maakt gedwee (zeedienst temt de wilden bras).

Zeearm, z. n. m. — Die de Eilanden omvat.

Zee-atlas, z. n. m. — Verzameling van Zeekaarten.

Zeebedding, z. n. m. — Zandrug, door de Zee op ’t strand geworpen.

Zeebeer, z. n. m. — Muur bij  een haven, om de golfslag te breken.

Zeeberoering, z. n. v. — Door aardbeving veroorzaakt.

Zeebrak, z. n. o. — Zeewater aan de kust.

Zeeboezem, z. n. m. — of Zeebaai. Zie Golf, Baai.

Zeebocht, z. n. v. — Zie Zeeboezem. [272]

Zeebonk, z. n. m. — of Zeerob; bevaren zeeman, zeeman, die van niets dan van zijn beroep weet.

Zeebrief, z. n. m. — Paspoort, door het gouvernement aan de koopvaardyschippers afgegeven.

Zeedagen, z. n. m. mv. — Dagen op reis, buiten ’t verblijf in havens of op reede.

Zeedamp, z. n. v. — Die uit zee opkomt en zich over het land verspreidt.

Zeeduivel, z. n. m. — Groote visch met horens: bynaam, wel aan een galei gegeven.

Zeedijk, z. n. v. — Dijk, tegen de zee opgeworpen.

Zeedienst, z. n. v. — Dienst bij  het zeewezen. hij  is in ’s Lands Z—.

Zeeëngte, z. n. v. — of Zeestrand, of Straat. Zie Straat.

Zeefakkel, z. n. v. — Tytel van een verzameling van kaarten en landverkenningen met opgaven en opmerkingen verrijkt.

Zeegat, z. n. o. — Monding der stroomen, waar zij in Zee vallen, of plaatsen, waar de Zeeën gemeenschap hebben met elkander. Het Z— van Terschelling, van Texel. De Z—en behooren wel voorzien te zijn.

Spreekwijze: hij  moet het Z— uit, (hy moet ter zee varen).

Zeegast, z. n. m. — Zeevarende. Matroos.

Zeegevaar, z. n. o. — Zie Assurantie.

Zeegevecht, z. n. o. — Zeestrijd, Zeeslag. Gevecht op Zee.

Zeegewest, z. n. o. — Streek of gewest, aan Zee gelegen.

Zeegewas, z. n. o. — Gewassen, die in Zee groeien.

Zeegolf, z. n. m. — Golf, baai van de Zee.

Zeegt, z. n. v. — Rondte. De Z— van een schip, zijn bocht in ’t lang. De Z— des dekken, der barghouten;—opstaande Z— van een plank. Het schip een Z— geven.

Zeehaven, z. n. v. — Haven, die aan Zee ligt.

Zeehanden en -voeten hebben, o. w. — Op Zee t’huis zijn.

Zeehout, z. n. o. — of Hout voor scheen. Boord van het schip; hout boven de overloop aan de scheepszijde.

Zeekaart, z. n. v. — Kaart, waarop de Zeeën, windstreken, enz. zijn aangewezen. Het is noodzakelijk, goede Z—en aan boord te hebben.

Zeekasteel, z. n. o. — Dichterlijke benaming voor “schip.”

Die zeekasteelen en zeereuzen, die ontaert
De starren dreigen met hun steil en trots gevaert.
Vondel. Lof der Zeevaert.

Zeekraal, z. n. v. — Groente aan de Zeeuwsche kust gevischt. Zeer gezond voedsel.

Zeekust, z. n. v. — De kust, die zich langs de zee strekt.

Zeeland, z. n. o. — Land, aan of in Zee gelegen, en van daar ook synomien met “eiland”, voor welk laatste woord het in de gewone beteekenis heeft plaats gemaakt om alleen als eigen naam in gebruik te blijven voor twee gewesten, een in Denemarken en een in Nederland.

Zeelieden, Zeelui, z. n. m. mv. — Zeevolk, matrozen. [273]

Zeelingzaad, z. n. o. — (veroud.) Kuil, dien een schip in de weeken bodem waar het in gezeten heeft, achterlaat.

Zeelucht, z. n. v. — De lucht, die op of uit zee waait. Aan ’t strand een Z—jen scheppen. De Z— zal u goed doen.

Wonder is ’t dat sterfelijcke menschen
Noch smalen op de ploegh, en om een zeelucht wenschen.
Vondel. Lof der Zeevaert.

Zeemaat, z. n. m. — ’t zelfde als Jan-maat.

Ons Zeemaets vliegen met de vlagge op bij  de mast.
Vondel, Henriette Marie.

Zeemacht, z. n. v. — 1o. Het getal oorlogschepen, die een Staat in zee kan brengen. Engeland heeft er zich steeds op toegelegd zijn Z— te vergrooten.

2o. Vloot. Onze Z— wordt door een wakkeren vlootvoogd aangevoerd.

Zeeman, z. n. m. — Iemand, wiens beroep het is, ter Zee te varen. Varensgast, varensgezel. Een bevaren Z— (die op zee goed t’huis is).

Spreekwijze: Z— geen man, (klacht van een t’huis gebleven vrouw).

Een goed Z— wordt ook wel eens nat, (een sober mensch drinkt ook wel eens een glaasjen meer dan hem voegt).

Zeemanschap, z. n. o. — Eigenlijk: kennis van de Zeevaartkunde, met overleg gepaard. Z— gebruiken, (geven en nemen: bij  voorvallende gelegenheden, van weer, wind of vyandelijke ontmoeting, naar de omstandigheden handelen, en daarby, somtijds, tegen gewoonte, bericht of instruktiën te werk gaan).

Zeemanschap, z. n. v. — Zeevaartkunde; overleg aan kennis gepaard.

Spreekwijze: Men moet Z— gebruiken, (men moet met overleg handelen, geven en nemen).

Zeemanshuis: z. n. v. — 1o. Toevluchtsoord voor Zeelieden. Het Z— te Rotterdam.

2o. Zeemanswoning; welbezeild, dicht schip, zoo zegt het oude rijmpjen:

Koffen en smakken
Zijn waterbakken.
Hoeken en buizen
Zijn Zeemanshuizen.
Zeemanstaal, z. n. v. — bij  de Zeelieden in gebruik. Wie die niet verstaat, is een onbevarene (baar).

Zeemakelaar, z. n. m. — Makelaar in schepen en Zeezaken.

Zeemogendheid, z. n. v. — Mogendheid, die een vloot van de Staat bezit, Z— van de eersten, tweeden, derden rang.

Zeekoningen, z. n. m. mv. — Naam, die aan de aanvoerders der Noorsche en Deensche roofschepen in de negende en tiende eeuw gegeven werd.

Zeemijl, z. n. o. — Afstandsmaat. De Fransche Z— is het twintigste gedeelte van een graad des meridiaans. [274]

Zeenat, z. n. m. — Zeewater.

Zeenatie, z. n. v. — Natie, byzonder tot de Zeevaart geschikt.

Zeerafeling, z. n. v. — Kabbeling in Zee, door invallenden stroom, of langs de banken.

Zeeofficier, z. n. m. — Officier bij  ’s Lands Zeemacht.

Zeeoorlog, z. n. o. — Oorlog, die op Zee gevoerd wordt.

Zeeraad, z. n. m. — Raad, die over Zeezaken oordeelt.

Zeerecht, z. n. o. — 1o. Recht, waarby de Zeevaart en Zeehandel geregeld worden. Het Wisbysche Z—. Het Hanzesche Z—. Het Genueesche Z—.

2o. Rechten, die betaald worden wegens al wat tot de scheepvaart betrekking heeft. Kantoor van het Z—.

Zeeregister, z. n. o. — Dagboek, journaal.

Zeereis, z. n. v. — Reis over Zee.

Zeerob, z. n. m. — Zeeman: Dus genoemd, omdat hij  ruw als een rob is. Zie Zeebonk.

Zeeroof, z. n. m. — Roof, aan een schip op Zee gepleegd.

Zeerol, z. n. v. — Zie Rol.

Zeeroover, z. n. m. — Zeeschuimer, die op Zee met een vaartuig kruist, om andere vaartuigen te beRooven. Z— wordt genomen zoo voor de bevelvoerder, als voor elk, die tot de bemanning van het roofschip behoort; ook wel voor het roofschip zelf. Hariadan Barbarossa was een beroemd Z—. hij  is in de handen van Z—s gevallen. Dat vaartuig schijnt wel een Z—.

Zeeschade, z. n. v. — Zie Avary.

Zeeschender, z. n. m. — Iemand, die op Zee schade aanbrengt. Antonides bezigt in zijn IJstroom het woord Zeeschendenaer:

Zeeschendenaers ontzien in ’t blinkende geweer
Te vliegen.
Zeeschip, z. n. o. mv. — Zeebouwend schip. Zie de bepalingen, de Zeeschepen betreffende, in het Wetb. v. Kooph. Boek II, Tit. I, art. 309–319.

Spreekwijze, Een lastig, ongemakkelijk Z— (een lastig, ongemakkelijk mensch).

Zeeschuim, z. n. o. — Witte bellen en mosch, die zich boven de oppervlakte der zee vertoonen, wanneer de golven tegen eenig beletsel of tegen elkander aan klotsen.

Meldt vry van Cypris, hoe zij Cypers kon bekooren:
Ick weet, dat dees Godin uit Zeeschuim is geboren,
zegt Vondel van Venus.

Zeeschuimer, z. n. m. — Zie Zeeroover.

Zeeslag, z. n. o. — Gevecht op Zee. De Z— van Duins is het beroemdste feit, dat ooit op Zee bedreven is.

Zeeslot, z. n. o. — ’t Zelfde als Zeekasteel, doch min gebruikelijk.

Karel, die de trotse schepen
Zaeght verbranden in uw nest, [275]
En uw Zeeslot, ’s nabuurs pest,
Met een klaeu naar Tessel sleepen,
Zeg me, o scherpe waterroê
Hoe was toen uw hart te moe?
Vondel, De Zeeleeu op de Teems.

Zeesoldaat, z. n. m. — Zie Marinier.

Zeestad, z. n. v. — Stad, aan Zee gelegen.

Zeestoel, z. n. m. — (Veroud.) Stoel, die aan de tafel vast was, en even als deze, door zwaar er aangehangen lood, in balans werd gehouden tegen ’t slingeren van ’t schip.

Zeestrand, z. n. o. — Strand der Zee.

Zeestrijd, z. n. m. — Zie Zeegevecht.

Zeetaktiek, z. n. v. — Krijgskunst, toegepast op de oorlog ter Zee.

Zeetocht, z. n. m. — Tocht, op Zee ondernomen.

Zeeton, z. n. v. — Ton, die in de Zeegaten ligt, bij  de ondiepten.

Zeetriomf, z. n. m. — Zegepraal, op Zee behaald.

Zeevader, z. n. m. — De officier, die de adelborst in de manoeuvre, de stuurman, die de leerling in ’t cyferen, de onderofficier, die de jongen in ’t scheepswerk onderricht.

Zeevaarder, z. n. m. — Zeeman, doch meer bepaaldelijk een, die groote of hachelijke reizen ondernomen heeft. De latere zeelieden zijn grooter Z—s geweest dan die der ouden: Die zeeman is een bij  uitstek bekwaam Z—.

Zeevaardy, z. n. v. — ’t Zelfde als Zeevaart, doch minder in gebruik.

Op dezen voet beschermt de Zeevaerdy haer eer.
Antonides, IJstroom.

Zeevaart, z. n. v. — De Vaart op Zee. Handel en Z— waren van ouds de hoofdbronnen onzer welvaart.

Zeevaartkunde, z. n. v. — Kennis van al wat tot de Zeevaart behoort.

Zeevak, z. n. o. — ’t Zelfde als Zeevaartkunde. hij  is knap in het Z— (hy is in Zeevaartkunde ervaren).

Zeevast, b. n. — Wat zoodanig is Vastgesjord, dat het door de beweging der Zee niet kan heen en weêr gaan. Zet die koffers Z—.

Zeeverzekeraar, z. n. m. — Verzekeraar tegen schade op Zee.

Men hoeft geen Zeeverzekeraar
Nu alle watren rijn geveyligt voor gevaer.
Vondel, Zeemagazijn.

Zeevoeten, z. n. m. mv. — Voeten, die gewend zijn op het dek te loopen hij  heeft Z— (hy wandelt het dek op en neêr, zonder de slingeringen van het schip te tellen).

Zeevolk, z. n. o. — Matrozen, Zeelieden.

Zeevonden, z. n. m. mv. — Uit Zee gespoelde goederen. Zie de bepalingen [276]daaromtrent in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, art. 545–568.

Zeevrijbuiter, z. n. m. — Zie Vrijbuiter.

Zeewaardig, b. n. — Wordt een schip gezegd te zijn, als het in behoorlijken staat gebracht is om uit te zeilen, als het “van zessen klaar” is, gelijk men van harddravers zeggen zoû.

Zeewaart, bw. — Naar zee toe.

Stout verweerer, trots bevechter
Bey te zeewaart en te velt,
noemt Huyghens Prins Maurits.

Zeewater, z. n. o. — 1o. Water uit de zee. Goederen, door ’t Z— beschadigd.

Spreekwijze: Dat zal al het Z— niet afwisschen (iemands slechten naam).

2o. voor Golf, in de

Spreekwijze: Hem is al menig Z— over ’t hoofd gegaan.

Zeewacht, z. n. v. — Zie Kwartier, Wacht.

Zeeweering, z. n. v. — Dijkwerken tegen het inbreken van de Zee, langs de bedreigde kusten, b. v. aan de hoek van Holland.

Zeewetten, z. n. v. — Wetten op de Zeevaart.

Zeewier, z. n. o. — Zie Wier.

Zeewezen, z. n. o. — Al wat tot de Zeevaart en Zeedienst betrekking heeft. Tijdschrift voor het Z—. Jan de Witt heeft het Z— in een uitmuntenden staat gebracht. De verdiensten van Hiob De Wildt omtrent het Z— worden niet genoeg erkend.

Zeewind, z. n. m. — Zie Wind.

Zeezaken, z. n. v. mv. — Zaken, die tot het Zeewezen betrekking hebben. De Kamer van Z— (Amiraliteit).

Zeeziek, b. n. — Aangetast door Zeeziekte.

Zeeziekte, z. n. v. — Onaangename gewaarwording, met misselijkheid en veelal met braking vergezeld, die hen kwelt, die de Zee niet gewend zijn.

Zeil, z. n. o. — 1o. Vereeniging van een zeker getal linnen banen, wier randen naar vaste berekeningen op elkander genaaid zijn, zoo dat zij een min of meer groote oppervlakte vormen, bestemd om de wind op te vangen. Zie Vierkant Z—, LatijnZ—, GrootZ—, FokkeZ—, BezaanZ—, StagZ—, BovenZ—en, Groot StagZ—, Groot StengestagZ—, AchterZ—en, VoorZ—en, LijZ—en, MarsZ—en, enz. Storm— (dichtgereefde, gezwichte fok.) Waarlooze Z—en, Z— dat tegen, dat op de mast ligt (dat geen wind vangt.) Z— maken, Z— byzetten, Z— minderen, Z—en aanslaan (tuigen.) Onder Z— gaan (wegzeilen.) Vondel zegt in dezen zin: Te Z— gaan:

Triomftorts over de neêrlaegh des Koninklijke vlote.
’t Gewapend Schelt ging t’ Zeil.
De Z—en bepalen (hoeveel Z—en de schepen van een vloot moeten voeren om [277]haar byeen te houden.) Met klein Z— varen (weinig Z—en voeren). De Z—en liggen blind (worden door andere belet wind te vangen.) De Z—en scheppen (zy beginnen wind te vangen).

Spreekwijze: Het waait hem in zijn Z— (het gelukt hem).

Een oog in ’t Z— houden (toezien).

Met de Z—en tegen de mast liggen (in onmacht liggen).

Met een opgezet Z— komen (met een grammen moed).

Dat is geen Z— voor dat schip (die vrouw deugt voor dien man niet).

Als het Z— scheurt, dan heeft het een gat (die dan leeft, die dan zorgt).

Met de Z—en voor de mast liggen (met het beginnen gereed zijn).

Met een nat Z— loopen (beschonken zijn).

Ergens Z— op maken (iets bejagen).

Onder Z— gaan (inslapen).

Met de laatste schepen onder Z— gaan (laat heen gaan).

Het Z— inbinden (zijn staat verminderen).

Alle Z—en byzetten (alle moeite doen).

Stijf onder ’t Z— zijn (in staat, iets te kunnen verdragen).

Met een opgezet Z— aankomen (met drift of geweld aankomen).

Met een staand Z— is ’t goed roeien (als men een goede zaak heeft kan men er licht een nevenzaak bij  waarnemen).

Alle Z—en blank spelen (er alles op wagen).

Schippers pozen niet wanneer zij onder Z— zijn. (Zie Schipper). Zie verder Zeilen, Zeiltjen, enz.

2o. Het schip zelf. Een vloot van N. Z—en (van N. schepen). Een Z— ontdekken.

Zeilaadje, z. n. v. — Vaart, loop van een schip. Dit schip is op Z— gebouwd (is op snellen vaart gebouwd).

Zeilboom, z. n. o. — Lange spar, op binnenvaartuigen, om het Zeil bij  het voor-de-wind zeilen uit te houden.

Zeilbaar, b. n.—Geschikt om te Zeilen.

Zoo doet mijn Zeilbaar schip,
zegt Vondel, Lof der Zeevaart.

Zeildoek, z. n. o.—Grof en stevig doek, waar Zeilen van vervaardigd worden.

Zeilgaren, z. n. o. — Garen, tot het naaien van de zeilen.

Zeilemaker. z. n. m. — Die Zeilen vervaardigt of laat vervaardigen.

Zeilemakery, z. n. v. — Plaats, waar Zeilen vervaardigd worden.

Zeilen, o. w. — Met behulp van Zeilen over ’t water gaan. Het schip kan Z— noch drijven (het is loom, het wil niet voort.) Op zijn buik Z— (op zij liggende voortZ—.) Ruimschoots Z— (met goeden wind Z—.) Slag-over-slag Z— (met korte gangen laveeren.) De Z— op stootgaren zetten (die nog slechts door eenig kabelgaren aan de ra houden, zoo dat men ze op ’t spoedigst kan byzetten.) (Deze uitroep beduidt, dat de looper, waarmede geheschen werd, is vastgelegd). [278]

Spreekwijze: Men moet Z— terwijl de wind waait (men moet de gelegenheid waarnemen).

De kooi lek Z—. Zie Kooi.

Ruimschoots Z— (het zoo naauw niet nemen).

Hard achteruit Z— (arm worden).

Het walletjen langs Z—. Zie Wal.

Iemand in de zijde Z— (iemand benadeelen).

Z— of verzuipen (er alles op wagen).

Men moet Z— terwijl de wind dient (de gelegenheid waarnemen).

Als het maar met een halven wind wil Z— (als het maar half wil gelukken).

Zeilnaald, z. n. m. — Naald, waarmede de Zeilen genaaid worden.

Zeil-en-treil. — Zie Treil.

Zeiler, z. n. m. — Zeilend schip. Dat schip is een goede, is een slechte, is een luie Z—.

Zeilkooi, z. n. v. — Bergplaats voor de Zeilen.

Zeilorde, z. n. v. — Orde, waarin men Zeilt.

Zeilpunt. z. n. o. — Het Punt, waarop een loodrechte lijn, staande op het zwaartepunt der waterlijn van een schip, de richting der werking van het water op de voorsteven ontmoet. Het is op dit Punt dat zich de werking van de wind op de Zeilen richten moet, ten einde het schip noch naar boven, noch naar achteren overhelle: men noemt ook Z— het zwaartepunt der zeilen.

Zeilreê, b. n. of Zeilvaardig. — Klaar om uit te Zeilen. Dat schip ligt Z—.

Zeilsteen, z. n. m. — Noordsteen, Magneet: Steen, die de eigenschap heeft van het yzer aan te trekken. Zie Kompas.

Zeiltjen, z. n. o. — Klein Zeil.

Spreekwijze: Het Z— strijken (van zich zelven vallen).

Zeilvaardig, b. n. — Zie Zeilreê.

Zeilrol, z. n. m. — Rol, waarby de manschappen bij  de zeilen verdeeld zijn.

Zeilpriem, z. n. m. — Priem, waarmede de gaten voor de beslagbanden en rifseizing in de Zeilen worden geboord.

Zeinschip, z. n. o. (veroud.) — Soort van schepen, in oude tijden hier in gebruik, open, zonder vast roer of mast, welke beiden zij opzetteden als zij in zee gingen. Smal voor zoo wel als achter, en spits toegaande, waarvan zij wellicht hun naam van Zein (zen of seis)-schip ontleenden; voerden zij niet meer dan drie man en een jongen en zeilden wonder snel.

Zel, z. n. m. of Zelling. — Plaats in de engte, waar een anker heeft vast gezeten. Daar gaat een stroom als van een Z—.

Zelling, z. n. v. — Zie Zel.

Zeng, z. n. v. — Plotslinge en kortstondige vermeerdering van de heerschenden wind. Met Z—en waaien:—op de Z—en passen.

Zetborden, z. n. o. mv. — Klein schotwerk, dat in sleuven langs de boorden van een sloep gezet wordt, om die te verhoogen en het binnendringen van ’t water te beletten. [279]

Zetgang, z. n. m. — 1o. Losse plank, die men op lage vaartuigen boven langs ’t boord inzet.

2o. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte der inhouten wordt geplaatst.

Zet gang, komm. — Draai het spil harder om!

Zetschipper, z. n. m. — Persoon, die aangesteld wordt om een Schipper tijdelijk te vervangen.

Spreekwijze: hij  is Z— (hy is tijdelijk met de zaak belast).

Zetten, b. w. — B. v. op het droog, aan de grond. De kapitein verkoos zich liever op het strand te Z— dan zich over te geven.—De loods Zette het schip op het drooge.—Zet aan!—Zet vrij!—Zet af!—(komm. om het vaartuig te doen by-, vrij- of afhouden).

Zetjen, z. n. o. — Ruk. komm. nog een Z— (nog een ruk).

Spreekwijze: Een Z— helpt, en alle vrachtjens lichten, zei de schipper, zette zyn hond aan ’t roer, en smeet zijn vrouw over boord.

Zetweger, z. n. m. — Benaming van de zware beplankingen, die, op elk dek, de binnenhuid van het schip bekleeden van de watergang tot aan de onderkant der geschutponten.

Zeuntjen, z. n. o. — Zie Baksjongen.

Ziekeboeg, z. n. m. of Ziekegrens. — Plaats aan boord, waar de zieken worden nedergelegd.

Ziekegrens, z. n. v. — Zie Ziekeboeg.

Zieketrooster, z. n. m. — Of, als Vondel hem in ’t Lof der Zeevaart noemt,

Het statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost.
Soort van Kathecheseermeester, die aan boord van elk zeeschip plach te zijn om gebeden te lezen, de kranken te bezoeken en ander stichtelijk werk te doen.

Ziekevader, z. n. m. — Oppasser in de Ziekeboeg.

Zielverkooper, z. n. m. — Zie Werver.

Zilt, b. n. — Zie Zout. De Z—e stroomen. (De zee).

Zinken, o. w. — Te gronde gaan. Dat schip gaat Z—. Een schip doen Z—. Tot Z—s toe geladen zijn.

Zitten, o. w. — Gestrand zijn, onbewegelijk zijn. Het schip Zit op het droog. wij Zitten hier veilig.

Spreekwijze: Ergens mede aan de grond Z— (mede verlegen zijn).

Zitters, z. n. m. mv. (veroud.) — 1o. Balken, bezijden de buikstukken op de bodem van het schip gelegd.

2o. Benaming, op sommige plaatsen aan de buikstukken zelve gegeven.

Zoeken, b. w. — 1o. Naar iets Zoeken, Onderzoeken. Grond Z— (door het werpen van het lood). Het land Z— (wanneer men meent, het in de nabyheid te hebben, moeite doen om het te ontdekken).

2o. Zich Ergens heen begeven. Een haven Z—. Een opper, de luwte Z—: De naald Zoekt het Noorden. [280]

Zoeker, z. n. m. — Voorste gedeelte van een Z—bout, ’t welk eerst door het yzer gaat en na het indrijven van de bout wordt afgehakt.

Zoekerbouten, z. n. m. mv. — Bouten, die twee of meer palmen langer gekort worden dan zij varen moeten. Het overzijnde gedeelte van de lengte wordt dun uitgehaald en vormt de Zoeker.

Zoen, z. n. m. — Verbetering, (veroud.) Het biedt geen Z— (de onstuimigheid der lucht stilt niet: het weer wil niet bedaren).

Zoet, b. n. — Drinkbaar. Z— water. Er is gebrek aan Z— water.

Zog, z. n. o. — Spoor, dat het schip in het opborrelend water achterlaat.

Spreekwijze: In iemands Z— varen (hem volgen).

Daar is een kunst van voorbereiden,
Die tot des Dichters kunst behoort:
Men moet de ziel des hoorders leiden,
Of anders stuit hem ieder woord.
Men dient hem gants in ’t Zog te slepen,
En, deze kunstgreep wel begrepen,
Dan doet men met hem wat men wil:
Dan zal hy, bij  een matig roeien,
Gewillig met de vaerzen vloeien,
En zwijgen als een stokvisch stil.
Bilderdijk.

Zoggat, z. n. o. — Zie Vullingsgat: ook wel genomen voor een hok, achter de konstabelskamer, waar scherp in geborgen werd.

Zogstukken, z. n. o. mv. — Houten gaffels, die voor en achter tegen de steven aankomen, in stede van gescheiden inhouten.

Zogwater, z. n. o. — Het water, dat achter het schip opborrelt. Het is gevaarlijk in het Z— van een stoomboot te komen.

Zon, z. n. v. — Lichtgevende, vaste ster, om welke de aarde draait. De Z— rijst, daalt, gaat onder:—De Z— schieten (haar hoogte berekenen.) De Z— staat. De wind loopt voor de Z—.

Spreekwijze: De Zon tot God gaat (verouderde uitdrukking der visscherslieden, voor: “de Zon gaat onder”).

Zondag, z. n. m. — Scheur, vlek, plek in de kiel of in eenig ander gedeelte van het schip, die verweloos geworden is.

Zonsazimuth, z. n. o. — Rechte standplaats der Zon bij  haar ondergang.

Zonsdeclinatie, z. n. v. — Hare afwijking van de linie.

Zoneclips, z. n. v. — Hare verduistering door de doorgang van een planeet.

Zonshoogte, z. n. v. — Hare hoogte op de middag, waardoor de breedte wordt aangewezen.

Zonnetent, z. n. v. — Tent, over het dek gespannen.

Zoode, z. n. v. — Zie Pompzoode, Durk.

Zoomwerk, z. n. o. — Zie Klinkwerk.

Zorgband, z. n. m. — Strop, aan de achterkant met klinkbouten aan het roer [281]geslagen, ten einde zich tegen het verlies daarvan te verzekeren. Deze strop is aan de hoeken met oogen voorzien, aan elk waarvan een Zorgketting vaart.

Zorglijn, z. n. v. — Lijn, die de blokken van de noodtakels tegen de ra houdt.

Zorgketting, z. n. v. — Ketting, die door een oog van de Zorgband loopt, zich van het roer naar boord uitstrekt en buiten om tegen de huid wordt opgehangen.

Zout, b. n. of Zilt. — Verkrijgt, door zijn byvoeging aan sommige woorden, de beteekenis van “Zee,” of “Zeewater.” De Z—e baren, De Z—e plas, Het Zee-nat (de Zee).

En ghy . . . . . . die op de winden zwiert,
En vant lasurigh velt de Soute toomen stiert,
zegt Vondel in zijn Lofsangh op de Scheepvaart.

Zout, z. n. o. — Voor Zee genomen.

Zuchtjen, z. n. o. — Klein windtjen. wij moeten van het minste Z— gebruik maken.

Zuid, b. n. — Ten Zuiden, van de Zuidzij. De wind is Z— (waait van de Zuidzij.) wij hebben het land Z— van ons.

Zuid, (de) z. n. v. — Zuidwaart gelegen streek. zij voeren om de Z—.

Zuidelijk, b. n. en bw. — Wat zich ten Zuiden bevindt.

Zuidelijken, o. w. — Naar ’t Zuiden schieten. Het begint te Z— (de wind loopt Zuid).

Zuiden, (ten) b. w. — Aan de Zuidkant. Spanje ligt T— Z— van Frankrijk.

Zuiden, (het) z. n. o. — Het Zuidelijk gelegen land. Het onbekende Z—.

’k Heb zoo lang om Noord en Zuien
By de baas te roer gestaan
En voor niet, niet zooveel buien
Over deze muts zien gaan.
Huighens.

Zuidewind, z. n. m. — Zie Wind.

Kom zachte Zuidewindeken
Kom wieg het kleine kindeken!
Ons Rozalijntje is moé.
’t Verveelt haar, meer te luisteren:
De dag is aan ’t verduisteren:
Haar oogjens vallen toe,
luidde een oud liedtjen, waar ik als kind mede in slaap werd gezongen.

Zuid oost, bw. — Windstreek midden tusschen O. en Z.

Zuidwaart, bw. — Naar het Zuiden. zij zeilden Z—.

Zuidwest, bw. — Windstreek midden tusschen Z. en W.

Zuidwester, z. n. m. — Breedgerande hoed of kap met wasdoek of geölied linnen overtrokken, en de zeeman tot bescherming dienende tegen regen en wind. [282]

Zuidzeevaarders, z. n. m. — Schepen, die om de Zuid ter walvischvangst varen.

Zuiger, z. n. m. — 1o. Mastring, mastband, beugel. Yzeren ring, die, op een sloep of klein vaartuig, aan een zeil vastzittende, en om een mast of spriet geslagen, dient, om dat zeil langs dien mast of spier te doen rijzen of zakken.

2o. Van de Pomp. Zie Pompzuiger.

Zuiver, b. n. en bw. — Zonder gevaar. Een Z— alleen staande klip of rots (by welke men ten anker kan gaan liggen.) Een Z—e haven (die men gemakkelijk kan inzeilen.) De kust is Z— (er zijn klippen noch banken).

Zwaaien, b. w. — Voor anker liggende, van stelling veranderen door de werking van wind of stroom. Op de wind Z— (den voorsteven naar de wind keeren.) Op het tij Z— (den voorsteven naar het tij keeren.) Onder de wind met de stroom onder de lij Z— (wanneer de eene zijde aan de wind, de andere aan de stroom is blootgesteld.) hij  Zwaait klaar, hij  Zwaait voor klare kluizen (hy kruist zijn kabels niet bij  ’t omzwaaien.) In die haven is geen ruimte genoeg voor groote schepen om te Z—.

Zwaar, b. n. — Groot, plomp, wijd. Z— schip (wijd schip, schip van grooten omvang.) Z— weer (stormweer.) Z—e bui (hevige wind.) Z—e zee (hooge zee.) Dat schip rijst Z—, valt Z— in zee (verheft zich moeilijk uit de zee) Z—e battery (van Z— kaliber). Het Z— (anker)touw, Een Z— anker.

Zwaard, z. n. o. — Verzameling van planken, in de vorm van een schuinsch ovaal, die aan de zijde van een klein vaartuig ligt, en dient om het afdrijven te beletten.

Zwaartepunt, z. n. o. — Het punt, aan weerskanten van ’t welk de deelen van een lichaam gelijke zwaarte hebben. Het algemeen Z— van een schip bevindt zich gewoonlijk binnen de lijn, welke het in twee gelijke deelen scheidt. Het Z— der waterverplaatsing van het ondergedompeld gedeelte van het schip, of drukkingspunt, bevindt zich binnen de vertikale lijn, die de romp in twee gelijke deelen scheidt.

Zwabber, z. n. m. — Dweil, uit kabelgaren of lappen aan een steel gebonden en dienende om schepen en schuiten schoon te houden.

Zwabberen, o. w. — Met een Zwabber schoonmaken.

Zwabberhalen. — Spotroep der matrozen, wanneer een onbevarene door het slingeren van het schip omverre valt, om de plaats waar de baar (onbevarene) gelegen heeft, weder schoon te maken.

Zwabberpaai of Zwabberkaptein. — Een, die de Zwabber moet uitspoelen en droogwringen. Hier wordt doorgaands de minst bekwame matroos voor genomen.

Zwakke-hals, z. n. m. — Soort van stopper, dienende om bij  ruw weer de belegtouwen te stoppen.

Zwalpen, o. w. — Zich golvend verheffen. Woord, zelden anders dan in poëzy gebruikelijk.

Zwalpen, z. n. m. mv. — Stukken van greenen ribben, in de klamaaien rustende en dienende om de dekdeelen te steunen. [283]

Zwaluwstaart, z. n. — Stuik, die de vorm heeft van een Z—.

Zwanehals, z. n. m. (veroud.) — 1o. Drager van de roerpen. Zware gebogene yzeren dekplaat, waarvan de grootste arm op het end der roerpen sluit.

2o. of Ruggegraat (om dat het beeld er met zijn rug tegen aan staat). Vooruitspringend verbindingstuk van de scheg, door een haaklasch aan de woelingsknie verbonden en daarmede als ’t ware een geheel uitmakende.

3o. De gebogen yzeren stangen buiten boord, waar een sloep in hangt, worden ook Z—en genoemd.

Zweepstopper, z. n. m. — Stopper, waarvan het end in een gedraaid is en met een punt uitloopt.

Zweeten, o. w. — Wordt het eiken hout gezegd te doen, wanneer het vochtig wordt en uitslaat, als dikwijls het geval is op nieuwe schepen, bij  heet weer. Het Z— van het hout heeft al onze beschuit bedorven.

Zwei, z. n. v. — Beweegbare Winkelhaak.

Zwellen, o. w. — Vermeerderen, vol worden, zich uitbreiden. De wateren Z—. De wind doet de zeilen Z—.

Zwemmen, o. w. — Zich in ’t water bewegen zonder te zinken.

Zwengel, z. n. m. — Arm van de pomp.

Zwichten, b. w. — De hoofdtouwen van het onderwant van stuur- en bakboord door touwen onder de mars naar elkander halen. De fok Z— (die bij  stormweer inkorten, door servings).

Zwichtingbouten, z. n. m. mv. — Kleine ronde yzeren staven, met geteerde servings bekleed: zij kruisen het lage want aan bak- en stuurboord op de hoogte van de voet der klampen.

Zwichtserving, z. n. v. — Zwaar en breed gevlochten touw, waarmede de fok gezwicht wordt.

Zwiepend, b. n. — Los, veerkrachtig Korte masten en lange stangen maakt Z— tuig.

Zwieping, z. n. v.— Planken, die men op verschillende hoogten en op bepaalde punten der armen van een spant spijkert, ten einde die armen de richting te doen bewaren, waarin men die houden wil.

Zwin, z. n. o. — Wad, droogte tusschen het water.

Zijde, z. n. v. — Boord, rechter- of linkerkant van een schip. De vyand de breede Z— bieden (hem uit de bak- of stuurboords-battery beschieten.) Een schip op Z— leggen (om het te kalfaten.) Haal de sloep op Z— (langs boord.) “Kregen de viktualiekaag op Z—, met twee soldaten, vier varkens en vier schapen, heschen al het vee over” (oud Rapport).

Zijperken, z. n. mv. — De beide vakken van het Dek aan weerszijde van het middelpunt. Het eene Zijperk ligt tusschen de schaarstok en waterloopsklos aan stuurboord—het andere tusschen de genoemde deelen aan bakboordzijde.

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

Gerelateerde Library of Congress catalogus pagina: 06025005.

Gerelateerde Open Library catalogus pagina (voor bron): OL6972067M.

Gerelateerde Open Library catalogus pagina (voor werk): OL1273105W.

Gerelateerde WorldCat catalogus pagina: 7212813.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren (In het origineel. In de versie zoals opgenomen op www.VakantielandNederland.nl is hier wel aandacht aan besteed). Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Scans van dit boek zijn online beschikbaar via Google Boeken en The Internet Archive. Voor de in die scans ontbrekende of onleesbare bladzijden is gebruik gemaakt van een exemplaar aanwezig in de bibliotheek van de Universiteit Utrecht.

Een alternatieve tekstversie is beschikbaar in de DBNL. Die versie is iets verder genormaliseerd dan deze.

This and all associated files of various formats will be found in:
http://www.gutenberg.org/4/0/4/1/40417/

Produced bij  Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Print project.)

Updated editions will replace the previous one–the old editions
will be renamed.

Creating the works from public domain print editions means that no one owns a United States copyright in these works, so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United States without permission and without paying copyright royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you do not charge anything for copies of this eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, performances and research. They may be modified and printed and given away–you may do
practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is subject to the trademark license, especially commercial redistribution.

*** START: FULL LICENSE ***

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free distribution of electronic works, bij  using or distributing this work (or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project Gutenberg-tm License (available with this file or online at http://gutenberg.org/license).

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm electronic works

1.A. bij  reading or using any part of this Project Gutenberg-tm electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept all the terms of this license and intellectual property (trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide bij  all the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound bij  the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be used on or associated in any way with an electronic work bij  people who agree to be bound bij  the terms of this agreement. There are a few things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works even without complying with the full terms of this agreement. See paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the collection are in the public domain in the United States. If an individual work is in the public domain in the United States and you are located in the United States, we do not claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, displaying or creating derivative works based on the work as long as all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily comply with the terms of this agreement by keeping this work in the same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in a constant state of change. If you are outside the United States, check the laws of your country in addition to the terms of this agreement before downloading, copying, displaying, performing, distributing or creating derivative works based on this work or any other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning the copyright status of any work in any country outside the United
States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase “Project
Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, copied or distributed:

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org/license

1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
posted with permission of the copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United States without paying any fees or charges. If you are redistributing or providing access to a work
with the phrase “Project Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted with the permission of the copyright holder, your use and distribution must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional terms imposed bij  the copyright holder. Additional terms will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the permission of the copyright holder found at the beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm License terms from this work, or any files containing a part of this work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this electronic work, or any part of this electronic work, without prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links or immediate access to the full terms of the Project Gutenberg-tm License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any word processing or hypertext form. However, if you provide access to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official version posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
that
– You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has agreed to donate royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days following each date on which you prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”

– You provide a full refund of any money paid bij  a user who notifies you in writing (or bij  e-mail) within 30 days of receipt that s/he does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm License. You must require such a user to return or destroy all copies of the works possessed in a physical medium and discontinue all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm works.

– You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the electronic work is discovered and reported to you within 90 days of receipt of the work. – You comply with all other terms of this agreement for free distribution of Project Gutenberg-tm works.

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread public domain works in creating the Project Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic works, and the medium on which they may be stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES – Except for the “Right of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. 1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND – If you discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can receive a refund of the money (if any) you paid for it bij  sending a written explanation to the person you received the work from. If you received the work on a physical medium, you must return the medium with your written explanation. The person or entity that provided you with the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a refund. If you received the work electronically, the person or entity providing it to you may choose to give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a refund in writing without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’ WITH NO OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. 1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any provision of this agreement shall not void the remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY – You agree to indemnify and hold the Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance with this agreement, and any volunteers associated with the production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly from any of the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of electronic works in formats readable bij  the widest variety of computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from people in all walks of life. Volunteers and financial support to provide volunteers with the assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm’s goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will remain freely available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit 501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state of Mississippi and granted tax exempt status bij  the Internal Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at http://pglaf.org/fundraising.

Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted bij  U.S. federal laws and your state’s laws. The Foundation’s principal office is located at 4557 Melan Dr. S. Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered throughout numerous locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact information can be found at the Foundation’s web site and official page at http://pglaf.org

For additional contact information: Dr. Gregory B. Newby Chief Executive and Director gbnewby@pglaf.org

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide spread public support and donations to carry out its mission of increasing the number of public domain and licensed works that can be freely distributed in machine readable form accessible bij  the widest array of equipment including outdated equipment. Many small donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt status with the IRS. The Foundation is committed to complying with the laws regulating charities and charitable donations in all 50 states of the United States. Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these requirements. We do not solicit donations in locations where we have not received written confirmation of compliance. To SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state visit http://pglaf.org

While we cannot and do not solicit contributions from states where we have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition against accepting unsolicited donations from donors in such states who approach us with offers to donate. International donations are gratefully accepted, but we cannot make any statements concerning tax treatment of donations received from outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation methods and addresses. Donations are accepted in a number of other ways including checks, online payments and credit card donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate

Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be freely shared with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.

Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper edition

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *