Zeemans woordenboek Willen – Zijperken

Willen, z. n. m. mv. — 1o. Enden dik touw, die, in de plaats van een wrijfhout, voor de boeg van een klein vaartuig gehangen worden.

2o. Platte schijven van platting gemaakt, die over het buitenboord van de sloepen gehangen worden tegen het stooten. [264]

Wimpel, z. n. m. — Lange, smalle strook vlaggendoek, meestal in twee punten uitlopende. Koninklijke W— (die alleen van de grote mast der oorlogsvaartuigen geheschen wordt en de kleur der vlag heeft.) De W—, boven de vlag van top gevoerd, dient tot teeken, dat de hoogste macht, de Koning of diens vertegenwoordiger, aan boord is. Kommandeur van de breeden W— (tytel van een Hoofdofficier in rang volgende op de Schout-by-Nacht). Met Vlaggen en W—s liep het schip de haven binnen.

Een gloeiend paviljoen
Van Wimpels, geschakeert tot een triomffestoen,
Verlicht door duizenden van vieren, langs de stangen
En marssen vastgehecht, terwijl kortouw en slangen
Matroos verquikten met hun dreunende muzijk.
Antonides, IJstroom.

Spreekwijze: hij  wint het met Vlaggen en W—s. Zie Vlag.

Wimpelman, z. n. m. — Scheepsjongen, die op de Wimpel moet toezien.

Wimpelstok, z. n. m. — Stok of standert van de Wimpel.

Wind, z. n. m. — Beweging van de dampkringslucht. Sterke W—, Scherpe W—, Koude W—, Harde W—,

Boghtig yzer kan men rechten;
Maar geen harden Wint bevechten.
Cats.

ZeeW— (die uit zee waait.) LandW— (die van de landzijde komt.) By-de-W— (als de W— voorlijker dan dwars inkomt.) Voor-de-W— (van achteren inkomende W—.) Bezeilde W— (dien men voor zijn koers behoeft.) De W— op het zeil (tegen-W—.) De W— in het zeil (voordeelige W—.) Onder de W— van iemand zijn (te lijwaart van hem zijn.) Slecht by-de-W— zeilen (lafwindig zijn.) W— en stroom mede hebben. Naar de W— zeilen. Door de W— gaan (wenden.) De W— is Wieuw: De W— is Waauw. Zie Wieuw, Waauw. Boven de W— zijn, beneden de W— zijn (te loef of te lijwaart zijn.) De W— is op en neêr (er is geen W—.) Geen W— overgeven (van elk zuchtjen gebruik maken).

Spreekwijzen: Het gaat hem voor-de-W— (het gaat hem voorspoedig).

Er waait geen W— of hij  is iemand dienstig (elke zaak heeft hare goede zijde).

Hy ziet in de W— (hy geeft acht op hetgeen gebeuren kan). Zoo schrijft Hooft: “Hoewel de ontsteltenissen, die ’t genaaken onzer ellenden beteekenen, van heeden nocht gisteren begost zijn, zoo hebben wij ’t al een wyle laaten heenen gaan op toeverlaat, dat de Mooghenste Heeren en Staaten der Gewesten in de wind zouden zien, en uwe Hoogheit het opsteekend en nu over ’t hooft hangend onweeder aanwijzen.” [265]

Iemand de W— afnemen (hem van zijn voordeel berooven). Zoo zegt Hooft: “Dit was de wegh, om dien van Guise, die door de twist in ’t geloove hunnen aanhang stijfden, t’onderscheppen ende de windt af te neemen.”

Wind breken, Wind maken (snoeven, pochen, onnoodige drukte maken). “d’onzekerheid van de oirsprong des Nyls, daer d’Egyptische neuswijzen zoo veel wints om breecken,” zegt Vondel in de Opdraght van zijn Sofompaneas.

Door-de-W—gaan (met een nat zeil loopen, beschonken zijnde, om verre vallen).

In-de- W— gaan (gaan zwieren).

Tegen W— en stroom is ’t kwaad zeilen. Zie Stroom.

Er is een rakjen in de W—. Zie Rakjen.

Hy waait met alle W—en (hy praat ieder naar de mond).

Alle havens schutten geen W—. Zie Haven.

Iets in de W— slaan (zich er niet aan stooren).

De booswicht slaet haer klaght en woorden in de wint.
Vondel.

Die zeilt boven wint,
Die zie wat hij  vindt.
Cats.

(te hoog zeilen baart ongemak).

Hy heeft de W— in ’t hoofd (hy is wild en woest).

Daar is W— aan de lucht (men is braaf aan ’t pochen).

Men kan van de W— niet leven.

Een schipper mag geen W— verleggen (men moet geen gelegenheid verzuimen).

In die Waters heeft men veel Noorde-W—. Zie Water.

Windas, z. n. v. — Verzetbaar draaispil, waar iets aan wordt opgewonden.

Windboom, z. n. m. — Vierkante boom, dien men in ’t spil steekt om het rond te draaien.

Windbui, z. n. v. of Windvlaag. — Gewaai uit dezelfde streek, dat korter of langer duurt.

Winden, b. w. — de kaapstander, het spil draaien, om het anker te lichten, in het spil loopen. Op en neder W— (het spil W—, tot dat het touw reeds op en neder boven het gezonken anker staat).

Windgeld, z. n. o. (veroud.) — Geld, dat de schipper werd toegelegd voor het slijten van takels, enz. bij  ’t lossen en laden.

Windhoek, z. n. m. — Hoek, streek, van waar de Wind komt.

Windhoos, z. n. v. Zie Hoos.

Windmeter, z. n. m. — Werktuig, waarmede de kracht van de wind aangetoond en gemeten wordt.

Windreep, z. n. v. — Touw, looper, dienende om de stengen te hijschen of de bovenste masten op te strijken.

Windroos, z. n. v. — Benaming van de lelie op ’t kompas.

Windspaak, z. n. m. — ’t Zelfde als Windboom. Zie ald.

Windstreken, z. n. v. — Deze zijn 32 in getal, te weten: [266]

Noord. Zuid.
Noord ten Oosten. Zuid ten Westen.
Noord Noord Oost. Zuid Zuid West.
Noord Oost ten Noorden. Zuid West ten Zuiden.
Noord Oost. Zuid West.
Noord Oost ten Oosten. Zuid West ten Westen.
Oost Noord Oost. West Zuid West.
Oost ten Noorden. West ten Zuiden.
Oost. West.
Oost ten Zuiden. West ten Noorden.
Oost Zuid Oost. West Noord West.
Zuid Oost ten Oosten. Noord West ten Westen.
Zuid Oost. Noord West.
Zuid Oost ten Zuiden. Noord West ten Noorden.
Zuid Zuid Oost. Noord Noord West.
Zuid ten Oosten. Noord ten Westen.
Windvang, z. n. v. — Het opvangen van de Wind. Een zeil ter W— stellen (het aan de Wind bloot stellen).

Windveër, z. n. m. — Streep in de lucht, wind voorspellende.

Windvieren, z. n. v. mv. — Verlenging van de rantsoenhouten.

Windwijzer, z. n. m. — Lap of strook, aan een stok gehecht, en op ’t boord gezet, dienende om de richting van de wind aan te toonen bij  flaauwe koelte.

Windzak, z. n. m. — Bynaam van het koelzeil.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *