Zeemans woordenboek Sluithout – Staat

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Springstopper, z. n. m. — Zie Breekstopper.

Springton, z. n. v. — Ton, hoedanige (naar sommigen beweeren) op de kampanjes en hoofddekken der schepen, waar men een entering op vreesde, plachten geplaatst te worden, en welke men in de lucht kon doen springen.

Springtij, z. n. o. — De hoogste Tijen bij  nieuwe en volle maan. wij hebben de S—en, wij zijn in de S—en.

Vloed en Springty moog wat rijzen
Boven zijn gewonen peil,
Boom en heide en veld vergrijzen
En het noord zijn kracht bewijzen
Aan het uitgespannen zeil.
Bilderdijk.

Springvloed, z. n. m. — Hooge vloed.

Gelijck een waterstroom geweld baert op een sluys
En elx gehoor verdooft door ’t vreesselijck gedruysch.
De deuren kanten sich geweldigh tegen ’t wringen
Des springhvloets, voor een wijl, tot dat sy openspringhen,
En geven ’t water ruymt’, de springhvloet vrijen toom.
Die wint dan velt en ruckt de wortels met de boom
En huys en hof omveer en zet de laege landen
In eene baere zee met groene en nieuwe stranden.
Vondel, Gysbr. v. Aemstel. [210]

Sprong, z. n. m. — Zeegt, rondte: Dat schip heeft te veel S—.

Spruit, z. n. o. — Uitschietend touw. Zie BoelijnS—.

Spruitblok, z. n. o. — Blok, waar een Spruit doorloopt.

Spui of Spei, z. n. o. — Kolk, watervloeing, verlaat.

Spuien, b. w. — 1o. Doortocht geven, ’t zij aan ’t water, ’t zij aan de lucht. Het overtollige water S— (het weg laten loopen). wij mochten wel eens S— (lucht maken).

2o. Het uitdiepen van een haven, door middel van sluizen.

Spuidok, z. n. o. — Kom, die bij  hoog tij vol loopt en, bij  laag tij met kracht ledig loopende, het zand, dat voor een haven ligt, medevoert.

Spuigat, z. n. o. — Zie Spijgat.

Spij, Spei of Spie. — Yzeren werktuig, dat in de enden van een bout gestoken wordt.

Spijbout, z. n. m. — Bout, die in de lengte doorboord is om een pen te ontfangen.

Spijgat, Spiegat of Spuigat, z. n. o. — Van Spyen (spouwen) of wel van Spuien, (loozen). Looden of houten buis, boven de waaiers in het scheepsboord aangebracht en dienende om het water, waarmede de schepen worden schoongemaakt, of dat door een regenvlaag of door de golven op het dek komt, weder weg te laten loopen.

Spreekwijze: Het loopt de S—en uit (het gaat al te grof:—om dat het bij  een scheepsgevecht al zeer hevig moet toegaan als het bloed der gekwetsten langs het dek stroomt en de S—en uitloopt).

Spijgatklep, z. n. v. — Sterk stuk leder, dat op de Spijgaten van de eerste battery wordt gespijkerd.

Spijker, z. n. m. — Stuk gepunt yzer, doorgaands van boven met een kop voorzien, en dienende om voorwerpen op elkander te bevestigen. SchotS— (met een langen kop, die in het hout wegzinkt.) BoutS— (die in stede van met een kop, met een bout is voorzien.) IJsS— (die een speervormigen kop heeft.) Platkop, MamieringS— (die een platten kop en 2½ duim lengte heeft.) PompS— (die een vierkanten kop en 2 duim lengte heeft.) ZestigpondsS— (die 6 duim lengte heeft.) SchietS— (die een vierkanten kop en 4 duim lengte heeft.) SchotS— (die een ronden kop en 54 streep lengte heeft.) DuimS—, TimmerS—, KlampS—, KnaapS—; DiamantS— (die een pyramidaalvormigen kop heeft.) RoerS—, BoersS— (korte en dikke S—.) SchroefS— (die van onderen kan ingeschroefd worden.) DubbelingS—s, dubbelS—s (die voor de dubbeling gebruikt worden.) Een S— indrijven, inslaan. Een S— uithalen, klinken. Een S— omslaan (zoo dat die zich in ’t hout verliest.) Zie verder Timmerspijkers, Nagel, Duiker.

Spreekwijze: de S— op zijn kop slaan (de zaak recht beoordeelen).

Hy (Justinianus), koning met of zonder kop
Hy sloeg de spijker op zijn kop.
Bilderdijk. [211]

Weet ik een S—, hij  weet een gat (hy heeft altijd een uitvlucht; ik kan hem niet pal zetten).

S—s op laag water zoeken (met nietige vitteryen voor de dag komen, onbeduidende gronden voorbrengen; ook: iets voorwenden om een kwade zaak te verheelen). Bilderdijk in zijn Gesl. op ’t woord Spei geeft van dit spreekwoord, een verklaring, welke ik twijfel dat aan eenig zeeman voldoen zal en die bovendien niet met de beteekenis van ’t spreekwoord rijmt. hij  wil namelijk een schip, dat aan de grond zit, weder vlot maken, door ’t water, dat zich in ’t scheepsruim bevindt, door de spijgaten weg te laten loopen—!—en beweert, dat men, op laag water zittende, zijn toevlucht dus neemt tot de spijen,—welk woord wederom in spijkers zoû zijn veranderd.—!—Ik waag het, een andere verklaring voor te stellen. Het is alleen als ’t water laag is, dat men de gezonken waren en kostbaarheden, die uit een gestrand schip te gronde zijn gegaan, op de bodem gaat zoeken. Maar wie daarvoor duikt en zijn leven waagt, brengt gaarne iets boven, dat waarde heeft, en laat de gezonken spijkers liggen. Die dus, op laag water, beweert, S—s te zoeken, is of een dwaas, of iemand, die zijn wezenlijk doel verbergen wil.

Spijkeren, b. w. — Met Spijkers beslaan.

Spijkerhuid, z. n. v. — Buitenhuid van het schip, die, zoo ver zij in ’t water komt, geheel met breedkoppige Spijkers beslagen is, om haar tegen de worm vrij te waren.

Spijkyzer, z. n. v. — Yzer, dienende om Spijkers om te klinken.

Spijl, z. n. m. — Pen, spie.

Spijlbouten, z. n. m. mv. — Bouten met een gat aan ’t vooreinde, waardoor een spijl gestoken wordt.

Staaf, z. n. m. — Baar, metalen strook.

Staal, o. w. of Staalgrond (veroud.) — Plaats, die met bagger of modder is opgehoogd.

Spreekwijze: Noch Grond noch S— (noch vleesch, noch visch).

Staan, o. w. — Zich bevinden, in een bepaalden toestand zijn. De golven S— hoog:—Aan het roer S—:—De zeilen S— goed:—Het glas laten S— (zonder het te ledigen).

Staand, deelw. — Wat vast staat. S— en loopend want:—Een S—e wind (die uit een vasten hoek blijft waaien.

Staander, z. n. m. — Koning, as, stijl. S— van een kraan, van een spil.

Staart, z n. m. — Achterste gedeelte. S— van een kraanbalk (het gedeelte, waarmede die in het schip is vastgemaakt).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *