Zeemans woordenboek Schrikken – Sluiten

Schrikken, b. w. — Byvieren, een gespannen touw voorzichtig vieren. De kabelaring S— (haar ophouden, ten einde die los te krijgen wanneer een bocht daarvan om het spil onder de andere bocht is vastgemaakt). Vier een el of wat by! S—! steek een el of vier! S—! laat gaan en stop! (kommandoos).

Schrikrollen, z. n. v. mv. — Rollen, in de klampen van de kaapstander geplaatst.

Schrobben, b. w. — Van vuiligheid bevrijden. Een schip S— (de buitenkant ontlasten van het vuil, dat er is aangegroeid).

Schrobber, z. n. m. — Werktuig, waarmede geschrobd wordt.

Schrobnet, z. n. o. — Soort van vischnet, waarmede de zee als geschrobd wordt.

Schrobtijd, z. n. m. — De tijd van February tot September, wanneer de tarbot en schol gevangen wordt, waartoe men zich van Schrobnetten bediende. Zie Overloopen.

Schrobvisschery, z. n. v. of Korde-Visschery. — Visschery, die met Schrobnetten geschiedt, en uithoofde zij het voortteelen van de visch belemmert, bij  herhaalde plakkaten verboden is. [194]

Schrobzaag, z. n. m. — Soort van handzaag met een recht handvatsel, bij  de scheepstimmerlieden en kuipers in gebruik om ronden te zagen.

Schroef, z. n. m. — Houten of metalen staafjen, spiraalswijze gesleufd en dienende om in een op gelijke wijze gesleufd gat of moer te worden ingelaten.

Schroefbouten, z. n. v. mv. — Bouten, aan het vooreind met een schroefdraad voorzien, waarop een moer geschroefd wordt.

Schrooien, b. w. — Slieren, Ergens over heen halen. Weinig meer gebezigd dan in

Schrooitouw, z. n. o. — Touw, gebezigd om een vat of ander cylindrisch gevormd lichaam over een helling te doen rollen.

Schroot, z. n. o. — Allerlei brokken oud yzer, dat in blikken bussen in ’t kanon geladen wordt. Met S— laden.

Schrijver, z. n. m. — Beämbte aan boord, die met het houden der registers, enz. belast is.

Schuifblinde, z. n. o. — Byzonder soort van zeil, dat op de kluiffok gezet en binnen het vaartuig geborgen wordt.

Schuifknoop, z. n. m. — Zie Slipsteek.

Schuim, z. n. o. — Zie Zeeschuim. bij  de dichters ook wel voor de zee zelve genomen.

Schuimen, z. n. o. — Schuim opwerpen. De zee is hevig aan ’t S—.

Schuinsch, b. n. — ’t Zelfde als Dwarsch. Zie ald. S—e linie: (wanneer ieder schip van een eskader gelijk met de loefbil van het voorschip zeilt).

Schuit, z. n. v. — Algemeene benaming van alle kleine vaartuigen. Zie BunS—, VischS—, TrekS—, enz. Een open S—. Een lekke S. De Leydsche S— (de veerS—, die op Leyden vaart).

Spreekwijze: Het kan beter van een Schip dan van een S—. Zie Schip.

Ga uit mijn S— gy bederft de vracht (verlaat mijn gezelschap; want gy bederft mijn genoegen, of mijn voordeel).

Ontzeg geen vracht, eer de S— vol is (sla geen voordeelige kansen af, zoo lang gy niet van uw fortuin verzekerd zijt).

De S— lek varen. Zie Kooi.

Als de bruid is in de S— dan zijn de mooie praatjes uit (als de bruid getrouwd [in de huwelijksS—] is, dan houden de komplimenten op: of, overdrachtelijk: als men eens zijn zin heeft verkregen, steurt men zich aan geen beloften meer).

Van de boot komt men in de S—. Zie Boot.

Hy komt in mijn S— (hy wordt mijn meening, mijn stelsel toegedaan).

Geen S— zoo dicht, of er komt wel een lek in (het is moeilijk een geheim te bewaren).

Schuitevoerder, z. n. m. — Schipper, bestuurder van een Schuit.

Schuitjen, z. n. o. — Kleine Schuit.

Spreekwijze: wij zijn in het S— en moeten meêvaren (wy hebben de zaak eens begonnen, en kunnen nu niet terug).

Hy vaart met my in eene S— (hy is met my van ’t zelfde gevoelen). [195]

Hy houdt zich of hij  gek was en laat zijn S— vol loopen (hy slaat als zonder erg de drank naar binnen).

Schuiven, o. w. — Als met moeite over iets heen gaan. Met het schip over de grond S—.

Schulpen, z. n. v. mv. of Schelpen. — Schaaldieren, die zich aan de buitenhuid der schepen vasthechten.

Spreekwijze: De S— wassen op zijn neus (hy heeft lang ter zee gevaren).

Schulpzaag, z. n. v. — Soort van Zaag, dienende om balken in ’t lang te zagen.

Schuren, b. w. — Wordt het stroomend water gezegd de oever te doen, als het daar met kracht langs gedreven wordt.

D’Eufrates zeker, schoon hij  sneller voort komt breken
Uit Nisus bergspelonk en schuurt de vruchtbre streken
Van ’t rijke Armenië.
Antonides, IJstroom.

Schuring, z. n. v. — De daad, of de uitwerking van het Schuren.

De vogelwijk, de schrik der schelmen, recht in d’ oogen
Der stad gelegen, heeft op ’t water meê vermogen,
Dat hier in naauwer kreek geschoten en geparst,
Met grooter schuuring weêr in ruimen boezem barst.
Antonides, IJstroom.

Schut, z. n. o. — voor Geschut. Zoo zingt Huyghens:

Kijck, de takels en de touwen
En de vlaggen en het Schutt
Staan en pruylen in de rouwen.
Schutschepen, z. n. o. mv. — Schepen, die Geschut waren (veroud.). wij vinden die gesteld tegen over “ongemonteerde” in de “ordonnantie der Staten van Holland en Westfriesland, dienende tot versekering van de schepen uyt dese landen de do 6 Maart 1602?”

Schutsluis, z. n. v. — Sluis, waardoor het water Geschut wordt.

Schutten, b. w. — Afweeren, stuiten: het water beletten verder te gaan.

Spreekwijze: Dat Schut ik (dat zal ik tegenhouden, zoo lang ik kan).

Dutten; sprak mooi Heintje, dutten!
Stilte maats, een poosje min.
Dutten! neen, dat moet ik schutten,
Bin ik anders die ik bin.
Huyghens.

Schijf, z. n. v. of Blokschijf. — Houten of yzeren ronde en cylindrische plaat, met een sleuf in haar omtrek, dienende om er een touw in te bergen, wanneer zij binnen een blok vast zit of los draait om een spil, die door haar middelpunt loopt. Pokhouten S—, metalen S—, gegoten yzeren S—.

Spreekwijze: Het loopt over veel Schijven (het is onverschillig wat het kost, [196]dewijl zoo velen er aan betalen:—om dat een touw, dat door veel bloks, en dus over vele Schijven loopt, gemakkelijker te hanteeren is.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *