Zeemans woordenboek Ruggepaarden – Schrapper

Spreekwijze: hij  is S— te voet geraakt (hy is afgezet, van zijn bediening ontslagen).

Hy is S— en stuurman tevens. (Hy neemt de besluiten en voert ze uit. Zoo zegt Hooft van Prins Willem I “dat Godt hem wijsheid en wakkerheid verleende, om als Schipper en stuurman tevens, in d’ uiterste raet, zoowel heilsame order te geven, als gedurighlijck aen ’t roer te staen.”)

S—s pozen niet wanneer zij onder zeil zijn. (Knappe lieden laten een zaak niet varen die zij begonnen hebben.)

Schipperen, b. w. — Uitvoeren, verrichten: alleen gebruikelijk in de

Spreekwijzen: Iets S— (iets klaren, beredderen.) [191]

Ik zal dat wel S— (wel zorgen, dat de zaak te recht kome).

Schippersboek, z. n. o. — Inventaris van aan boord zijnde scheepsbehoeften.

Schippershut, z. n. v. — Hut op de koebrug, tot logies voor de Schipper.

Schoen, z. n. m. — Zie Smeerhouten.

Schoener, z. n. m. — Zie Schooner.

Schoffels, z. n. m. mv. (veroud.) — Golven, baren, als over elkander Schoffelende of schuivende.

Schoft, z. n. v. — Werktijd. Hoeveel S— heeft dat werk geduurd?

Schok, z. n. o. — Een twintig- of zestig tal. Een S— bloks. Een S— klaphout.

Schokken, o. w. — Stooten, aanstooten. De ra Schokt tegen de mast.

Schol, z. n. m. — Zekere zeevisch.

Spreekwijze: hij  droomt van S— en hij  eet platvisch (hy stelt zich vrij wat voor; maar het komt sober uit.)

“Wat breeder dingen zijn dat?” vroeg Jan Oom, en hij  zag drie S—len in een schotel liggen (ziet op de dwaze verwondering, die sommigen over de meest gewone zaken aan de dag leggen).

Schol, z. n. v. — ’t Zelfde als Schor, maar meer bepaaldelijk voor ijsklomp genomen.

Scholen, o. w. — Zich in groote menigte verzamelen: wordt van visschen gezegd. De haringen S— omtrent die kust.

Scholken, o.w. (veroud.) — Hol gaan. De baren beginnen te S— (onstuimig te worden).

Schommel, z. n. m. of Wipper. — Hangend touw, waar een matroos in zit of hangt als hij  aan ’t werk is.

Schommelen, o. w. — Heen en weder slingeren. Het S— van een schip.

Schoof, z. n. v. — 1o. Verzameling van al de deelen, waaruit een sloep is samengesteld, en welke men somtijds in een schip brengt, om ze, wanneer het noodig is, weder in elkander te zetten.

2o. Duigen tot vaatwerk.

School, z. n. v. — Verzameling. Een S— visschen. De haringen zwemmen bij  S—en.

Schoon, b. n. — Fraai, rein, helder. Van de zee gezegd, beduidt het: zonder klippen. De zeestraat is vrij breed en volmaakt S—.

Spreekwijze: S— schip maken. Zie Schip.

Schooner, z. n. m. — Klein tweemastvaartuig. KoopvaardyS—, OorlogsS—; S—brik (brik van zes tot acht stukken).

Schoor, z. n. m. — Stijl, stut: meer bepaaldelijk stuk houts, dienende 1o. tot ondersteuning of stut van een schip, dat in aanbouw is of hersteld wordt.

2o. Tot vorming van kruisverbanden.

Schooren, b. w. — Stutten, onderschragen.

Schoot, z. n. m. — Touw, aan de benedenhoek van ieder zeil vastgemaakt en dienende om het te spannen. De S—en zijn van elkander onderscheiden door de namen der zeilen, waar zij aan vast zitten. Groote S— (van het grootzeil.) Bezaan-, marszeil-, bramzeil-, kluiverS—. Aangehaalde S— (die zoo strak mogelijk staat.) Tusschen twee S—en zeilen (voor de wind zeilen.) [192]Op de S— halen, de S—en voorhalen (ze stijf halen.) de S— geheel op zijn gat aanhalen (dien geheel toehalen.) Zie Ruimschoots.

Spreekwijze: Met vaste S— in zeilen (volharden in vooruitstreving). De S— in tijds los gooien (zich tijdig voor gevaar hoeden). hij  is S— gegaan (hy is weggeloopen).

Schootblok, z. n. o. — Het Blok van de Schoot.

Schoothoorn, z. n. m. — Onderste hoek van een zeil, waar de Schoot aan vast zit.

Schootknechten, z. n. m. mv. — Het hout, waar de Schoten aan verbonden worden.

Schor, z. n. v. — Droogte, zandbank, buitendijks gelegen strand.

Schorten, b. w. — Ophouden, in elkander sluiten. Dat schip is wel Geschort (het zit van achteren goed in een).

Schot, z. n. o. of Beschot. — Planken afsluiting in een schip, waardoor de bestaande ruimte wordt afgedeeld. Los S—, loos S— (dat weggenomen kan worden.) Vast S— (dat niet te bewegen is). Men begint de S—en van dat schip te zetten.

Spreekwijze: Ik zal daar wel een S—jen voor zetten (ik zal dat wel beletten).

Schot, z. n. o. — Voortgang. S— geven (bot geven, laten schieten).

Schot, z. n. o. — De daad van schieten, de ontploffing, de lading, en het gevolg van het schieten. Daar valt een S— (daar wordt geschoten). Het eerste S— trof de mast van het vyandelijk schip. hij  kreeg het geheele schot in zijn borst. hij  is aan dat S— bezweken. Zie voorts DagS—, AvondS—, NachtS—, SaluutS—, SeinS—, NoodS—.

Schot, z. n. m. — Voortgang. wij raakten door dien S— vrij van het havenhoofd.

Spreekwijze: Er is geen S— in ’t werk (het gaat niet vooruit).

Schotbout, z. n. v. — Gekromd yzeren werktuig, dienende om planken te buigen en te voegen. Een plank door middel van S—n aanbrengen.

Schots, z. n. v. — Drijvende ijsklomp.

Schotsch, bw. — Scheef, verkeerd.

En hoe het S— of scheef moog gaan,
zegt Bild. ergends.

Schotspijker, z. n. m. — Soort van Spijker met een ronden kop, 00,54 el lang.

Spreekwijze: Er een handvol S—s onder smijten (beuzelingen in ’t gesprek mengen.)

Schout bij  nacht, z. n. m. — Hoofdofficier bij  de Marine, in rang volgende op de Vice-Amiraal. Schout komt van schouwen, toezien, in ’t oog houden, en zoo was de S— vroeger de bevelhebber, wiens plicht het was, bij  nacht toe te zien;—gelijk de Vlootvoogd zulks bij  dag deed. De S—b—N— beveelt de voorhoede en geleidt de vloot in de opgegeven koers. hij  voert bij  nacht een lantaarnlicht onder de kruismars. Het oude scheepsrijmpjen zegt, van de S—b—N— sprekende: [193]

Om bij  nacht goed vloot te houen.
Moet ge ’t licht vooruit beschouwen.
De naam van S—b—N— werd vroeger schertsender wijze ook wel aan vroedvrouwen gegeven.

Schout bij  nachtschip, z. n. o. — Schip, dat de Schout bij  Nacht aan boord heeft. hij  diende op het S—.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *