Zeemans woordenboek Ruggepaarden – Schrapper

Schiemannen, b. w. — Opredderen, bepaaldelijk: het tuig.

Schiemansgaren, z. n. o. — Zie Garen.

Schiemansgasten, z. n. m. mv. — Matrozen van het voorschip.

Schiemansmaat, z. n. m. — Hulp, adjunkt van de Schieman.

Schieschuit, z. n. v. — Soort van trekschuit. Zie Schieman.

Schietbout, z. n. m. — Yzeren Bout, dienende om het kanon te laden.

Schieten, o. w. — 1o. Geschut of vuurwapenen lossen. Met gloeiende kogels, met los kruit, met scherp, met kogels, met een blikken doos S—. In het volle hout, in de romp van een schip S—. Met opene geschutpoorten S—.

Spreekwijze: Met spek S—. (Dit werd vroeger gedaan om schepen in brand te schieten: bij  goede voorzorgen deed het echter weinig uitwerking, maar gaf des te meer stank. Hiervan werd aan de uitdrukking langzamerhand de beteekenis gehecht van: “iets zeggen, dat heel wat klinkt (riekt) maar in de grond weinig te beduiden heeft.”

2o. Zich met snelheid bewegen. De visch Schoot als een pijl door de baren. Een schip voorby S—.

3o. Zich vrij bewegen. Laat dat touw wat S—. (Laat het wat minder gespannen staan).

4o. Van zijn plaats gaan. De ballast Schiet. Zie Ballast.

Schieten, b. w. — 1o. Uitwerpen, omwerpen, byvieren, losgaan. Een touw rondS— (een touw in de rondte op de grond oprollen). De netten S— (uitwerpen). Een steng S— (laten zakken). Ballast S— (verwerken).

2o. Treffen. Een walvisch S— (hem met een harpoen treffen). Een schip reddeloos S—.

3o. Waarnemen. De zon S—, een ster S—.

Gelijk mijn zanggodin, hier eindlijk meê gelant
Geen maghtiger gestarnt kan met haar graadboog schieten
Als ’t geen de heirbaan wijst aan alle zeen en vlieten.
Antonides, IJstroom. [189]

Schietgat, z. n. o. — Opening, waardoor geschoten wordt; min gebruikelijk dan Geschutpoort.

Schietgeweer, z. n. o. of Vuurwapen. — Geweer, waarmede geschoten wordt.

Schietschuit, z. n. v. of beter nog Schieschuit. — Soort van markt- of trekschuit, wellicht dus genoemd, omdat zij door de vaart Schiet.

Schild, z. n. o. — Wapenbord, dat op de spiegel van jachten en andere schepen prijkt.

Schildbank, z. n. m. — Zware plank, tot steun dienende aan de enden van het braadspit.

Schildhoofd, z. n. o. — Hout, dat de gedaante van een Hoofd heeft, dienende eensdeels tot cieraad, anderdeels om touwen aan te beleggen.

Schildknoop, z. n. m. — Knoop, in een touw, die als een Schild dient om het doorschieten van het touw tegen te gaan.

Schildpad, z. n. v. of Schootbos. — Plat blok, langer dan de gewone, en voorzien met een yzeren hoekstrop, ten einde er een touw in te doen keeren. De strop kan met een scharnier geöpend en gesloten worden.

Schinkel, z. n. m. of Schenkel. Zie Draairing. — Kort en dik touw om een mastkop en waarvan de enden op het want hangen. S— van het sloeptakel. S— van een bras, brasS—. S—s voor de onderlijzeilsvallen. RiftalieS—. PoortS—. (Touw waarvan de beide enden door ’t scheepsboord heenloopen en vast gemaakt zijn aan de ringen van de geschutpoortluiken, welke daarmede kunnen worden opengehaald en opengehouden).

Schinkelhaken, z. n. v. mv. — Strop of leng, met een Haak aan ieder end voorzien en dienende om vaten mede op te hijschen.

Schip, z. n. o. — Algemeene benaming van alle groote vaartuigen, die in zee gaan. OorlogS—. LinieS— (die ten oorloge uitgerust zijn). AmiraalS— (dat de Amiraalvlag voert). VlaggeS— (dat een kommandant aan boord heeft.) S— van de eersten rang (dat 120 stukken voert.) S— van de tweeden rang (van 100 stukken.) S— van de derden rang (van 90 stukken.) S— van de vierden rang (van 80 stukken.) VrachtS—, BeurtS—, VeerS—, StoomS— enz. S— dat in lading ligt. S— dat voor anker, dat op de reede ligt. S— dat onder zeil is. Opgelegd S—. Gehavend, ontredderd S—. Gerazeerd S— (linieschip, waarvan het bovenste is afgezaagd.) Blank S—, (dat schoon gespoeld is.) Het S— Argo, Pallas. De zee maakte schoon S— (spoelde alles van het dek af.) Het gaat over S— en goed. (De schade raakt niet alleen de reeders, maar ook de eigenaars der ingeladen goederen.) Vrij S— vrij goed.

Spreekwijze: Dure Schepen blijven aan wal. (Juffers, die haar waar te veel op prijs houden, komen niet aan de man).

Hy reedt mede aan dat S— (hy is mede in de zaak betrokken).

Het is een diepgaand S— (hy heeft veel noodig om zijn uitgaven te dekken).

Groot S— groot Water (hoe meer uitgaven men doet, hoe meer men noodig heeft).

Het S— aan de zee overgeven (iemand aan zijn lot overlaten, de handen van hem aftrekken). [190]

Het is een S— daar men de hand aan moet houden (het is iemand, dien men niet veronachtzamen moet).

Het is tusschen Kaai en S— gevallen (het is weggeraakt).

Het S— moet op de helling. Zie Helling.

Een S— op strand, een baken in zee. Zie Baken.

Daar komen zoo groote Schepen aan als er afvaren (er zal zich nog wel een gelegenheid opdoen—meestal tot vertroosting aangewend, als een huwelijk afraakt).

Oude Schepen blijven aan land (oude vrijsters vinden geen man).

Schoon S— maken (zijn maag van het overtollige ontlasten).

Klein S—, klein zeil (kleine huishouding, kleine zorgen).

Het kan beter van een S— dan van een schuit (rijken kunnen het beter missen dan behoeftigen).

Het S— dragende houden (zich in denzelfde staat houden).

Zie verder Scheep, Scheepsch, Scheepjen, Zeeschip, enz.

Schipbreuk, z. n. v. — Verlies van een Schip dat strandt of vergaat. Het woord wordt zelden anders gebezigd dan als onderwerp van het w. w. lijden of ondergaan. zij hebben op een bank S— geleden. De bepalingen van hetgeen bij  S— in acht genomen moet worden zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, Art. 545–568.

Spreekwijze: S— lijden. (Missen, of verliezen wat men beöogd of gewenscht had). Zoo: S— lijden in zijn verwachting.—Zijn uitzichten leden S— op de tegenzin des mans, van wien de vervulling daarvan afhing.

Schipbrug, z. n. v. — Brug, over een rivier, uit nevens elkander liggende platboomsschuiten met planken belegd samengesteld.

Schipper, z. n. v. — Gezachvoerder op een koopvaardy- of ander schip, dat niet ten oorloge is uitgerust. Ook aan hem, die een schuit voert, wordt de naam van S— toegekend. BeurtS—, VeerS—, TurfS—, S— op een trekschuit. Aan boord van een oorlogschip, is de S—, de hoogste dekofficier, belast met het bestier van alle scheepswerk, en het beheer der scheepsbehoeften. Zie Ouwe (de). De rechten en verplichtingen van de S— zijn aangewezen in het Wetb. van Kooph. Boek I, Tit. V., Afd. III, Art. 91–98, en Boek II, Tit. III, IV Art. 341–452 en in Art. 8, 9, 10, 12, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 37, 38, 54, 55, 59, 60, 61, 62, 69, 153, 205, 209, 210, 211, 212, 221 en 231 der Alg. Wet van 26 Aug. 1802.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *