Zeemans woordenboek Lijken – Onderwant

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

2o. Teeken op de steven, van afstand tot afstand geplaatst, om de diepgang aan te duiden.

Merkels, z. n. m. mv. — 1o. Hoepels, dienende om een boven een sloep of schuit gespannen zeil te droogen.

2o. Staven vierkant yzer, waarop de roosters, die tot dekking van de kuil dienen, rusten.

3o. of Scheerstokken: houten, waar de luiken der luikgaten op rusten.

Mes, z. n. o. — 1o. Snijdend werktuig, ’t welk de matrozen steeds op zak hebben, en ’t welk in de strijd hun geliefkoosd wapen plach te zijn. Zie Kortjan, Opsteker.

2o. of Messing. Benaming, somtijds aan de scherpe sneden van de lap op de achtersteven gegeven.

Messing, z. n. v. — Zie Mes.

Meten, b. w. — Opnemen, nagaan, onderzoeken. De hoogte van de zon of van een ander hemellichaam M—. De ruimte van een schip M—.

Meter of Scheepsmeter. — Beëedigde ambtenaar, met het meten der schepen belast. Zie de Wet van 6 April 1823, Tab. XVI, § 33 en volgg.

Middag, z. n. m. — Middel van de dag: tijdstip, waarop zich de zon in de meridiaan bevindt. Ware M— (de tijd, waarop hij  zich werkelijk aldaar bevindt). [141]Middelbare M— (de tijd, waarop het M— zijn zoude, indien de zon zich regelmatig in de ekliptika bewoog, en deze met de equator samenliep).

Middagkring, z. n. m. — Zie Meridiaan.

Middaglijn, z. n. v. — ’t Zelfde als Meridiaan.

Middelbaar, b. n. — Zie Tijd.

Middellijn, z. n. v. — Lijn, die door het midden loopt.

Middelperk, z. n. o. — Het middelste der drie vakken waarin het Dek in de breedte is afgedeeld en ’t welk door de schaarstokken begrensd wordt.

Middelpunt, z. n. o. of Midden. — Punt in een cirkel, van hetwelk al de punten van de omtrek even ver verwijderd zijn.

Middeltocht, z. n. m. of Centrum. — Het gedeelte van de vloot, dat zich bij  een zeeslag of bij  een onderneming, tusschen de voor- en achterhoede bevindt en onder bevel van de Vlootvoogd staat.

Middenboords, bw. — Naar het midden van het boord of schip.

Het Roer light midden-boords, de Vlagghe wijst voor uyt.
Huyghens, Hofwijck.

Midscheeps, bw. — In of naar het midden van het schip. M— het roer (zoodat de roerpen en de steven in ééne lijn staan. Zie Middenboords.

Mik, z. n. m. — Staander, steunsel. ’t Woord duidt oorspronkelijk de kruk aan, waarop men de schietroers lei om te mikken, en van daar alle dwarshout dat tot steunsel dient, alsmede dat steunsel zelf. M— van de zeilboom. M— van de pomp, enz.

Minderen, b. w. — Verminderen. Zeil M— (door het wegnemen of inbinden van sommige zeilen, de vaart van het schip doen verminderen).

Minuutglas, z. n. o. — Zandglas, dat eene minuut loopt. Sedert lang gebruikt men, om de snelheid van een vaartuig te meten, bij  de loglijn, alleen het half en kwart Minuutglas.

Minuutlijn, z. n. v. (veroud.) — Benaming van de Loglijn.

Misgissing, z. n. v. — Verschil tusschen het waar en het gegist bestek.

Mist, z. n. v. — Dikke damp, doorgaands koud, en waardoor de lucht verduisterd wordt.

Ik zal u met een mist en dicken nevel decken;
zegt Rafaël tegen Gijsbreght in Vondels treurspel.

Mistiek, z. n. v. — Driemastschip, op de Middellandsche Zee in gebruik.

Miswijzer, z. n. m. of Miswijzend Kompas. — Kompas, waarvan de naald ten Oosten of ten Westen afwijkt van het ware Noord.

Miswijzing, z. n. v. — Hoek die de afwijking van de Magneetnaald, ’t zij ten Oosten, ’t zij ten Westen van ’t Noorden bepaalt.

Mitis, z. n. v. (veroud.) — Touwwerk aan de Mast.

Modder, z. n. m. — Aarde met water vermengd, en een kleevende zelfstandigheid vormende, die zeer belemmerend is voor alle soorten van vaartuigen. [142]

Modderen, o. w. — Zich in de Modder bewegen, in de Modder, en in ’t algemeen over de grond, voortgaan. Het schip Moddert (het schuift over de grond).

Te vaak bedriegt men zich in ’t kiezen van zijn streek,
Verzaakt de ankergrond en moddert in een kreek.
Bilderdijk, Ziekte der gel.

Moelje, z. n. v. — Steenen hoofd, dat de kracht der golven breken en aan de schepen een landingsplaats verschaffen moet. De M— van Genua, van Napels.

Moerzee, z. n. v. — Onstuimige zee, die tot voorbode strekt van zwaar weer.

Moesson, z. n. m. — Passaatwind, die, na gedurende een bepaalden tijd van het jaar uit denzelfden hoek gewaaid te hebben, de tegenovergestelde zijde opwaait. OostM—, WestM—.

Spreekwijze: Ik ben in een slechten M— (het loopt my tegen, ik doe niet als verliezen).

Moer, z. n. v. — Stuk metaal, spiraalswijze doorgestoken om er een bout in te wringen.

Moeren, b. w. — ’t Zelfde als Meeren, doch min gebruikelijk. Zie Meeren.

Moertouw, z. n. o. — ’t Zelfde als Meertouw. Zie ald.

Moerzee, z. n. v. — Geweldig onstuimige zee. Zie Hoofdzee.

Moet, z. n. o. — Rand, overblijvend merk, en wel bepaaldelijk het slijmachtige vuil, dat het zeeschuim op het strand achterlaat: ’t wordt ook genomen voor de Waterlijn. Zie ald.

Moeten, b. w. (veroud.) — Een schuit M— (een schuit zachtjens voortduwen). Het roer M— (het zachtjens schuiven). Waarschijnlijk is ’t woord van ’t Fr. mou (week).

Moker, z. n. m. — Zware yzeren hamer. Zie Hooft, Geer. v. Velz. III.

Naeckt armde reusen
Op aenbeeld souden ’t met geen logge mookers kneusen.
Molenaar, z. n. m. — Yzeren bout, om wier midden men een touw bevestigt, en die men dwars in de band van een ledig stuk plaatst, om dit in ’t ruim te hijschen.

Mond, z. n. m. — Opening. De M— van een rivier. De M— van een baai. De M— van een stuk geschut. Onnutte M—en (overtollige personen aan boord, die mede eten).

Monding, z. n. v. — Zie Mond.

Mondkost, z. n. v. — Eetwaren, voorraad.

Monnik, z. n. m. of Sissen. — 1o. Benaming van kleine kogeltjens buspoeder met azijn gemengd, welke men tusschendeks brandt om de lucht te zuiveren.

2o. (veroud.) Betingbalk.

Monsteren, b. w. — Het volk in oogenschouw nemen. Revue houden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *