Zeemans woordenboek Lijken – Onderwant

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Spreekwijzen: hij  mag zien hoe hij  de M— ophaalt (hy mag zien hoe ver hij  ’t brengen kan, hoe hij  aan de kost zal komen. Dit ziet daarop, dat, op kleine vaartuigen, de M— niet vast staat, maar, als hij  neêrligt, moet worden opgehaald, wat soms een zwaar werk is.

Hy vaart waar de groote M— vaart (hy volgt waar zijn meerdere hem voorgaat, hij  doet wat zijn meester wil).

Geen twee (groote) M—en op één schip (maar één moet de baas zijn).

Hooge M—en vangen veel wind (groote, aanzienlijke personen staan het meest aan haat en laster bloot). Zoo zegt Pers:

Wat hoogh is lijdt te grooter last,
Waar ’t rijsken buyght, daar schudt de Mast.
Hy maakt van zijn M— een schoenpen (hy bederft iets goeds om een beuzeling).

Den bezem op de M— voeren (de zee schoon veegen van zeeroovers of vyandelijke troepen). Deze laatste spreekwijze vond haar oorsprong in een werkelijk gebruik, ook door onze Koopvaarders gevolgd na de oorlog tegen de Hanze-steden in 1433. Zoo zingt Vondel:

Dan voert hij  op de mast een bezem tot een wapen.
Zie voorts Bezem.

Mastband, z. n. m. — Yzeren band om de Mast.

Masteloos, b. n. — Zonder Mast, of: van Mast beroofd. Het schip dreef M— heen.

Mastemaker, z. n. m. — Die Masten vervaardigt.

Mastemakery, z. n. v. — Plaats, werf, waar Masten vervaardigd worden.

Masten, b. w. — Bemasten, van Mast of Masten voorzien.

Masthout, z. n. o. — Hout, geschikt of gebezigd om Masten samen te stellen of er aan gebezigd te worden.

Mastkoker, z. n. m. — Houtverzameling om de voet van de Mast, hem tot steun dienende.

Mastschaal, z. n. v. — Zekere maat van de mastemakers.

Mastschoor, z. n. m. — Zie Loefbalk.

Maststut, z. n. m. — Zie Loefbalk.

Mastwangen, z. n. v. mv. — Houten, tot versterking van de Mast aangebracht.

Mat, z. n. v. — Kleed of dekking van biezen, riet of bladeren gevlochten: aan [139]boord veelal gebezigd tot bekleeding der broodkamer of andere plaatsen, welke men van vochtigheid wil vrij houden. Ook M— van zeildoek met kabelgarens doorspekt, dienende om daar gelegd of vastgemaakt te worden, waar schavieling gevreesd wordt.

Matroos, z. n. m. — Zeeman, en meer bepaaldelijk een, die voor gaadje dient. Licht M— (die ’t gewone scheepswerk doet). Vol M— (bekwaam voor zijn werk, able seaman). Bevaren M— (die eenige reizen gedaan heeft en des noods de Bootsman, enz. in sommige zaken kan vervangen).—De oorsprong van het woord ligt nog in ’t duister. Volgends Bild. in v. is M— ’t zelfde als “matras” of “hangmat”, en overdrachtelijk op de bewoner der hangmat toegepast. Zeker wijst de uitspraak, welke men aan ’t woord geeft, een uitheemsche afkomst aan.

Mazuliet, z. n. v. — Zie Maskuliet.

Medegaan, o. w. — Wordt het anker gezegd te doen, wanneer het over de bodem sliert.

Meerboei, z. n. m. of Verhaalboei. — Groote, gedubbelde, geteerde en goed waterdichte houten kist, hoedanige men er onderscheidene in een haven aan ankers met kettingen vast legt en met ringen voorziet, om er schepen aan te beleggen.

Meeren, b. w. — Voor- en achter vastleggen in de haven, aan palen of dukdalven. Zie Maren.

Hoe bedrieght ghy dick uw weerd,
Als hij  aan uw vlotgras meert.
De Brune. Emblemeta.

Meerring, z. n. m. — Ring aan een kaai, dienende om er een kabel door te halen en daar een schip aan vast te leggen.

Meertouw, z. n. o., Ankertouw, Vanglijn. — Touw, waaraan een schip is vastgelegd.

Meesterrib, z. n. v. — Hoofdrib of zijstuk van een vaartuig.

Meetbrief, z. n. m. — Verklaring, door beëedigde scheepsmeters of andere bevoegde personen afgegeven, en inhoudende, behalve de handteekening van de scheepsmeter of ijkmeester, en de dag der meting of afgifte, een genoegzame omschrijving ter onderkenning van het schip, en wijders een opgave van lengte, wijdte en holte, tonnenlast, enz.—Zie verder de bepalingen omtrent de M— in Tabel XVI der Patentwet, gevoegd achter de Wet van 6 April 1823 (Staatsbl. no. 34), en meer bepaald in § 33 en volgg. dier Tabel.

Meeuw, z. n. m. — Zeevogel.

Spreekwyze:

Een meeuw over ’t land
Is een storm voor de hand.
Meir, z. n. v. en o. — Groote oppervlakte water, binnen ’t land besloten. bij  de dichters vindt men het ook voor “zee” genomen, welke beteekenis het ook in de samenstelling, gelijk als in ’t Fr. en H. D. heeft behouden.

Meirman, z. n. m. — In de diepte der zee levende man, half mensch half visch, [140]hoedanige men vroeger geloofde en sommige zeelieden wellicht nog gelooven dat daar werkelijk bestaan.

Meirmin, z. n. v. — Zeevrouw: ’t wijfjen van een Meirman. Bekend is het sprookjen van de M—, die door Hollandsche visschers in het Purmermeir gevangen, na gedoopt, en onderwezen te zijn, langen tijd nog te Haarlem geleefd zou hebben.

Melken, b. w. (veroud.) — Eigenaardige uitdrukking voor op- en neêrhalen van touwwerk.

Meridiaan, z. n. m. — 1o. Groote denkbeeldige cirkel, getrokken door de beide polen en door de plaats, waarvan hij  de M— genoemd wordt, en de Equator met de daaraan evenwijdige cirkels rechthoekig doorsnijdende. De Eerste M— (die, waarmede men, van ’t O. naar ’t W. gaande, begint te tellen). Algemeene M— (die, waarin men bij  ’t berekenen der Eklipsen, onderstelt, dat de zon vaststaat). Koperen M— (cirkel van koper, waarin een aardkloot hangt en ronddraait). Magnetische M— (groote cirkel, die door de polen van de zeilsteen heen loopt en waarin zich de magneetnaald beweegt).

2o. Gemeene doorsnede van de M— en van eenig opstaand, horizontaal of schuinsch vlak.

3o. Rechte lijn, van ’t N. naar ’t Z. getrokken in het vlak van de M—, de M— van Parijs (de lijn van het meest noordelijke tot het meest zuidelijke punt van Frankrijk getrokken).

4o. M— van de middelbaren tijd (lijn, die de middelbaren middag aanwijst op de boog, naar de tijdsequatie getrokken.)

Merk, z. n. o. — 1o. Herkenningsteeken, dat men aan alle voorwerpen geeft, die tot een bepaalde instelling, of die tot het vaartuig behooren.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *