Zeemans Woordenboek Koopvaardij – Lijk

2o. Verkenning van land. Op de hoogte van Mauritius gekomen, zond de Amiraal een brik uit op L—.

Spreekwijze: Op L— uitgaan (zich van een zaak vergewissen).

Landslot, z. n. o. (veroud.) — Haven, die door bergen of hoogten ingesloten, tegen alle winden beschut ligt.

Landstreek, z. n. v. — Gewest, landouw.

Landtong, z. n. v. — Strook Lands, die als een Tong in zee uitsteekt. wij liepen langs eene met boomen begroeide L— die ons in de rivier bracht.

Landvalling, z. n. v. (veroud.) — Ontdekking, opdoeming van eenig Land.

Landverkenning, z. n. v. — 1o. Het verkennen, onderzoeken van een landstreek. [123]

2o. Men noemt ook L—en zekere merken, als torens, molens, enz., van welker betrekkelijke plaatsing men de ingang van een stroom of van een haven enz. herkent.

Landwind, z. n. m. — Wind, die van het Land zeewaarts inwaait en op gezette tijden, gelijk zulks in bergachtige landen zeer gewoon is.

Landziekig, b. n. — Door Landziekte of heimwee aangetast; van hier: langzaam, traag, verveelend. wij hadden een L—e reis. (wy waren lang onderweg).

Spreekwijze: Een L—e redevoering (die te lang duurt, verveelt).

Landziekte, z. n. v. — 1o. Ziekte, aan welke men onderworpen is, wanneer men aan de luchtgesteldheid of leefregel van een vreemd land nog ongewoon is.

2o. Het heimwee aan boord van onbevaren matrozen, waardoor zij zich moedeloos, traag, verveeld gevoelen, en langzaam aan het werk worden.

Langeveld, z. n. o. of Mondstuk. — Het gedeelte van een mortier, van waar het topperstuk eindigt tot aan de monding.

Langs, bw. — Bezijden, voorby. L— een kust heenzeilen (een kust voorbygaan). Dicht L— de wal loopen. Een schip, een eiland L— zeilen.

Langsdennen, z. n. v. mv. of Langshouten. — Leggers van een helling.

Langshouten, z. n. v. mv. — Zie Langsdennen.

Langscheepsch, b. n. — Van voren naar achteren. Een L— verband (een verband, dat zich langs het schip uitstrekt).

Langszalings, z. n. m. mv. — Eikenhouten dwarsbalken, twee in getal, aan weêrskanten op de ooren der benedenmasten en op de hommers der topmasten geplaatst.

Langs zijde, voorz. voor langs de zijde van. L— de Argo.

Laning, z. n. v. — Planken brug, overloop.

Lanspassaat, z. n. m. (veroud.) — De laagste Onderofficier. ’t Woord is afgeleid van ’t Ital. lancia spezzata (gebroken of geknotte lans). In ’t Groot-Placaetboek, D. V. bl. 173, vinden wij in een opgave van krijgsonkosten de Landtspassaet tusschen de Korporaal en de Tamboer geplaatst. Zie De Vries op Hoofts Warenar, bl. 109.

Lantaarn, z. n. v. — Verschillend in grootte en gebruik. Zie DieveL—, GeschutL—, KruitL—, SeinL—. ’t Woord wordt ook meer bepaald genomen voor de met glazen voorziene kap, waardoor licht in de kajuit gegeven wordt.

Lantaarngat, z. n. o. — Hok achter de kruitkamer, waarin de kruitlantaarn wordt ontstoken.

Lantaarnvuur, z. n. o. — Vuurbaak, in een haven geplaatst om de binnenkomende schepen te lichten.

Lantaarnstander, z. n. m. — Stijl of Stander, waar de Lantaarn op rust.

Lantione, z. n. v. — Soort van Sineesche kustgalei, van een aantal riemen voorzien.

Lap, z. n. v. of Lap tegen de achtersteven. — 1o. Stuk hout, dat tegen de achterkant des achterstevens geplaatst is, en dienen moet om voor te komen dat dit deel te veel verzwakt worde door het inlaten der vingerlingen en het maken van de messing.

2o. Zeil; doch meest gebruikelijk in het m. v. of als diminutief. Zie Lapjen. [124]

Alle L—pen uithangen (alle zeilen byzetten). Voor de L—pen afloopen (voor-de-wind afloopen).

Spreekwijze: hij  laat het onder de L— hangen (hy verteert veel geld).

Lapjen, z. n. o. — Zeiltjen. De wind is vlak voor ’t L— (is voordeelig).

Spreekwijze: Het gaat hem voor ’t L— (het gaat hem voorspoedig).

Iemand voor ’t L— houden (iemand voor de mal houden: oorspronkelijk; iemand gebruiken, om er zijn doel mede te bereiken).

Lappen, b. w. — Tijdelijk herstellen.

Lapzalven, b. w. — Is eigenlijk: “Lappen met zalf bestrijken,” waarom ook een heelmeester spotswijze een Lapzalver genoemd wordt. Als scheepsterm neemt men het voor: “scheepstuig nazien en teeren”.

Lasch, z. n. m. — Vereeniging van twee of meer in dezelfde richting loopende stukken, zoo dat hun breedte en dikte onveranderd blijft. Platte L— (wanneer de enden der deelen schuins op elkander sluiten). Zie HaakL—, TandL—, enz.

Laschyzer, z. n. o. — Soort van dubbele spijker, voor de deksverbindingen in gebruik.

Laskaar, z. n. m. — Indiaansche matroos.

Last, z. n. o. — Gewicht van twee ton of 4000 Pond. Dat schip voert N. L—. Een vaartuig van 100 L—.

Last, z. n. m. — 1o. Vracht, lading. Het schip heeft zijn L— in. Het schip is wel bij  L— (is behoorlijk geladen). Zie Lastbreker.

2o. Bevel, kommando.

3o. In ’t mv. voor “belasting.” Zijn L—en opbrengen.

Lastaadje, z. n. v. (veroud.) — Scheepstimmerwerf of plaats, waar die gelegen is of kan worden opgericht. Een buurt aan de IJkant te Amsterdam plach er haar naam van te dragen. Bild. leidt de naam van ’t Deensch af: zie zijn Gesl. in v.

Lastbalken, z. n. m. mv. of Ruimbalken (veroud.) — Balken, die tot versterking dienen van het onderschip en waarvan het koebrugdek gevormd wordt.

Lastbreken, o. w. — Een gedeelte van de lading lossen.

Lastgeld, z. n. o. (veroud.) — Tonnegeld, geld, dat in evenredigheid der zwaarte van het schip geheven werd.

Lastlijn, z. n. v. of Eerste Waterlijn. — Denkbeeldige lijn, welke men zich voorstelt langs een schip gelijk met de waterspiegel getrokken te zijn, wanneer het zijn gewone lading in heeft en gezonken is op de diepte welke de bouwmeester gewild heeft.

Lat, z. n. v. — Dun, lang en plat stuk hout of yzer.

Laten, b. w. — 1o. Verlaten. Zijn ankers L— (voor achterlaten).

2o. Hulpwerkwoord. Een schip L— loopen (het zijn koers doen houden). Het anker L— vallen (het anker uitwerpen). Een onderzeil L— vallen (het byzetten). Een touw L— vliegen (het in eens losgooien).

Latijnzeil, z. n. o. of Emmerzeil. — Driehoekig zeil, aldus genoemd, omdat het bij  de Latijnsche volkeren in gebruik was.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *