Zeemans Woordenboek Koopvaardij – Lijk

Koopvaardy (ter), bw. — Tot de Koopvaart. T— K— uitgerust—wordt van een schip gezegd, om het van een oorlogsvaartuig te onderscheiden.

Koopvaardyschip, z. n. o. — Zie Koopvaarder.

Koopvaardyvloot, z. n. m. — Verzameling van Koopvaarders.

Koord, z. n. v. en o. — Lijn, touw.

Koordaadje, z. n. v. (veroud.) — Alle soort van touwwerk.

Koot, z. n. v. — Kooi of kot van de stuurman van een haringbuis.

Kop, z. n. m. — Het bovenste of voorste. De K— van de spil. De K— van het roer. Met de K— op de zee zeilen (den voorsteven aan de golven bieden). wij liepen hem met de K— in de zijde (ons schip voer met zijn voorsteven het andere dwars in het boord).

Kopbout, z. n. — 1o. Zware ring, boven elke geschutpoort der onderbattery geplaatst.

2o. Spant- of NaaiB—. Bout, dienende om de deelen van een affuit aan elkander te verbinden. Platte, ronde, vierkante K—en.

Koperen, b. w. — Met koperen platen beleggen, ’t geen ten opzichte van [114]schepen geschiedt om de aangroeijing van schelpen en weekdieren af te weeren. Een Gekoperd fregatschip.

Kophoutjen, z. n. o. — Houtjen, dat de lijken van een kluiver tegenhoudt.

Koppelblad, z. n. o. — Rechthoekige parallelogram op een blad papier afgeteekend en afgedeeld in kleine gelijke vierkanten, door middel van evenwijdige lijnen, die noord en zuid of oost en west loopen. Op dit Blad vindt men onderscheiden bogen, die hun gemeenschappelijk middelpunt hebben in de top van een der hoeken. Een en ander strekt tot bepaling zoo na mogelijk van de afgelegden weg in lengte en breedte, wanneer men bevorens weet hoe veel weegs men heeft afgelegd en in welke richting.

Koppelen, o. w. — Koppelkoers berekenen; d.i., uit de gedurende het etmaal gezeilde koersen en snelheid van vaart, de gegeven breedte verkrijgen.

Koppelbouten, z. n. m. mv., Naai- of SpantB—en. — Bouten, die, van achtkante staven afgehakt, aan het eene einde een geringe ronding verkrijgen, en dienen om de twee rijen inhouten van hetzelfde spant te verbinden.

Koppelkompas, z. n. o. of Uurbord. — Houten schijf, van een handvatsel voorzien, en waarop de 32 windstreken zijn afgebeeld. Boven elke windstreek zijn 8 gaatjens geboord om de 8 halve uren van een wacht te verbeelden. Elk half uur slaat de voorganger een pen in boven de windstreek, waaronder hij  gestuurd heeft. Het uurbord, alzoo met de afloop der wacht van 8 pennen voorzien, dient de roerganger om de weg op te teekenen, dien het vaartuig gehouden heeft.

Koppelstuk, z. n. o. — Derde Stuk of laatste schaal, die op een balk wordt ingelaten om dien volledig te maken.

Koppen, z. n. m. — 1o. Verhevenheden, gevormd door ’t zeeschuim, die zich boven de baren vertoonen, waar sterke branding gaat.

2o. Uitspringende gedeelten van zware of donderwolken.

3o. Mannen, personen. Dat vaartuig was met vijftig K— bemand (had vijftig man aan boord).

Koprand, z. n. m. — Deel van de galery.

Kopstuk, z. n. o. — Deel van de galery of buiten-betimmering.

Koptouw, z. n. o. — Touw, waarmede het hoofd van een kanon aan het scheepsboord wordt vastgesjord.

Korten, b. w. — In de zin van “inhalen, verminderen”. Een touw K—.

Kort-jan, z. n. o. — Zakmes. zij haalden K— voor de dag (zy trokken hun mes). Daar Jan of Janmaat de algemeene benaming is voor “matroos”, zoo is door K— het korte zijdgeweer, dat de matroos draagt, aangeduid geworden. Zie echter Bild. Gesl. in v.

Kortouw. — Zie Kartouw.

Korvet, z. n. v. — Lands oorlogsvaartuig, dat in rang volgt op een fregat. StoomK—, KuilK— (die een bak en halfdek heeft). GladdeksK— (die geen halfdek heeft).

Kot, z. n. v. — Hut of slaapplaats onder de bak.

Kou, z. n. v. — (voor koude) Wind. Het waait een stijve K— (een frissche wind). [115]

Koubeitel, z. n. m. — Beitel; bekwaam om gaten te maken in yzer dat koud is.

Kous, z. n. v. — 1o. Koperen of yzeren ring, die de lus of het oog, die in ’t touw zijn gesplitst, open houden. De K— van ’t touw (de binnenste, eerste bocht van het opgeschoten ankertouw).

Spreekwijze: In de K— van ’t touw kruipen (omlaag, wegloopen, zijn post verlaten, zich lafhartig gedragen).

2o. (Veroud.) Zeeuwsche uitdrukking, voor: Mislukte reis. Een K— varen (een reis doen met verlies). Hiermede staat wellicht in verband de

Spreekwijze: Met de K— op het hoofd terugkeeren (met schade en schande terugkeeren).

Kouswachter, z. n. m. — Zie Kondwachter.

Kraag, z. n. v. — Omwindsel van geteerd prezenning doek, zoo gelijk met het dek als aan de top, om de mast geslagen.

Kraai, z. n. m. — Soort van Noorsch vaartuig.

Kraaienest, z. n. o. — Ton, vat of ander voorwerp van dien aart, dat, aan de masttop van een Poolzeevaarder bevestigd, tot beschutting van de uitkijk dient.

Kraaier, z. n. m. — Vaartuig, bij  onze voorouders in gebruik, en de Oostzee bevarende.

Kraak, z. n. v. — Van ’t Spaansch caraca. Spaansch of Portugeesch lastschip, dat zeer zwaar en hoog uit het water plach gebouwd te wezen. Van deze schepen werden gedurende de tachtigjarigen oorlog vele door de onzen veroverd, en daar zij dikwijls Oost-Indische waren en, onder anderen, uitmuntend porcelein vervoerden, verkreeg dit buitgemaakte porcelein de naam van K—porcelein. Tegenwoordig zijn de K—en kleiner dan voorheen en alleen op de binnenwateren in gebruik. Vondel in zijn Lof der Zeevaart, neemt K— eenvoudig voor “schip”, waar hij  zegt:

Dit alles aengemerckt staet ’t evenaren of
Mijn kraeck niet evenaert met eenigh keizershof.
Kraallijn, z. n. v. — Lijn, waaraan houten kralen geregen zijn en die, om de mast aan de klaauw van de gaffel vastgemaakt, dient om deze bij  het ophijschen of strijken tegen de mast te houden.

Kraalrand, z. n. m., Schrikrollen of rolrand — Rollen, in de klampen van de kaapstander geplaatst, om de werking te bevorderen.

Kraalschaaf, z. n. m. — Soort van holle schaaf, dienende om voorwerpen een afgeronden rand te geven.

Kraan, z. n. v. — Groot schuins oploopend werktuig, naar zijn vorm aldus genoemd en dienende om zware lasten op te hijschen.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *