Zeemans woordenboek Jaaghout – Koopvaarder

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Koelzwabber, z. n. m. — Zwabber, waarmede men bij  groote hitte de planken vochtig houdt.

Koeralijn, z. n. m. — Soort van platboomde West-Indische praauw.

Koers, z. n. m. — Richting, weg, loop. Het schip is uit zijn K— geraakt (uit zijn weg). wij moeten dien K— houden. zij hebben K— naar Engeland gezet (zy zijn naar Engeland gezeild).

Hy wist van koers noch streek te houden
Noch ’t reven van ’t gespannen doek
Maar zeilde met een blind vertrouwen.
Onwetend naar wat wareldhoek.
Bilderdijk, Zeevaart.

Spreekwijze: hij  is van de K— of hij  is de K— kwijt (hy is in de war). Welken K— zullen de zaken nemen? (hoe zullen zij afloopen?)

Koevoet, z. n. v. — Yzeren handspaak, waarvan de voet gespleten is als de klaauw van een Koe. De K— wordt aan boord gebruikt om zware lasten en voornamelijk kanonnen te lichten.

Kof, z. n. v. — Kustvaartuig met twee masten, en somtijds met een druil (tapecul) voorzien, getuigd met sprietzeil, mast en kluiver.

Kogel, z. n. m. — Gegoten yzeren bal van verschillende grootte, waarmede een stuk geschut geladen wordt. Losse K— (die zonder klos in het stuk geladen wordt). Opgekloste K— (die met een klos er in gaat). Holle K— (granaat, lange yzeren K—, met schroot gevuld). Gloeiende K— (die in ’t vuur wordt heet gemaakt, voor dat men hem afschiet. K— in! (komm.).

Kogelbakken, z. n. m. mv. — Uitgeholde randen tegen boord tusschen de kanonstukken, en waarin men kogels voor de hand heeft liggen.

Kogeltang, z. n. m. — Yzeren tang, dienende om gloeiende kogels mede te dragen: kleine yzeren tang om geweerkogels af te gieten.

Kogge, z. n. v. — Naam van een vaartuig, bij  onze voorouders zeer in gebruik, met 30 tot 32 riemen voorzien, en, wanneer het tot de krijg gebezigd werd, ook met tinnen of houten getande beschutsels tegen ’t enteren beveiligd. ’t Woord is kennelijk niets anders dan een dialekt-verschil met kof, ofschoon dit laatste thands alleen voor koopvaardy- en kustvaartuigen gebruikt wordt; terwijl de K—n meest ten strijde waren uitgerust; gelijk blijkt uit de naam der vier-noorder-koggen, die nog door een der vijf Ambachten in West-Friesland gedragen wordt, omdat het vroeger gehouden was, vier uitgeruste K—n aan de Graaflijkheid te leveren.

Kognossement, z. n. o. — Vrachtbrief, die in moet houden:

1o. de naam van de bevrachter of inlader.

2o. De opgaaf van hem, aan wien de goederen verzonden worden.

3o. de naam en de woonplaats van de schipper. [110]

4o. de naam en de soort van het schip en de plaats waar dit t’huis behoort.

5o. de aart, de hoeveelheid, de merken en getallen der te vervoeren goederen.

6o. De plaats van afvaart en die der bestemming.

7o. Hetgeen nopens de vracht bepaald is.

8o. De onderteekening van schipper of inlader of van hem, die voor de expeditie zorgt.

Zie verder WB. van Kooph., art. 507–520.

Koinen, z. n. m. mv. (veroud.) — Driehoekige houtjens, die onder tegen het vaatwerk worden aangelegd, ’t Is ’t fr. coin (hoek). Zie Kortjens.

Kok, z. n. m. — Hy, die in een schip voor de manschaps kookt.

Spreekwijze: Die de K— bedilt moet het rookgat uit (die ’t werk bedilt van zijn meerderen, krijgt slechten dank).

Als K— en bottelier saem kijft,
Weet Janmaat waar de boter blijft.
Koker, z. n. m. — Buis, waar de mast in kleine vaartuigen in vast staat. Zie Mastkoker, Kardoesekoker.

Koksmaat, z. n. m. — Knaap, die de Kok tot behulp strekt.

Kokspomp, z. n. v. — Pomp van het vaatwerk.

Koldergat, z. n. o. — Verouderde benaming van het Gat, waardoor de kap van het roer gaat.

Kolderstok, z. n. m. of Kalderstok. (veroud.) — Greep van de roerpen.

Kolk, z. n. v. — Letterlijk “kuil, diepte,” van hier: vergaderplaats, ’t zij van asch, als de K— onder de haard, ’t zij van water, als de BrouwersK— te Haarlem, ’t zij van goederen, als K— (Tjalkschip, in Friesland gebruikelijk) ’t zij voor wieling, draaijing.

Kolsem, z. n. m. Kolzwijn of Zaadhout. — Tegenkiel, die binnen in ’t schip komt.

Kom, z. n. v. — Water, en in ’t byzonder stilstaand water, dat rondom door land is ingesloten, ’t zij door de natuur, ’t zij door menschenarbeid. Men zegt echter ook: De rivier vormt te dier plaats een K— (neemt de gedaante van een K— aan), zoodat men geen afstroomend water, maar een afgesloten vijver meent te zien: als de Rijn bij  St. Goar, de Vecht bij  Nieuwersluis.

Kombaars, z. n. v. — Zoo noemt men aan boord de grove wollen dekens, ook in ’t algemeen de dekens, waarin de visschers onzer zeedorpen aan boord slapen. Ook wordt het wel eens voor hangmat gebezigd, als b. v. in de volgende

Spreekwijze: hij  is al lang in een K— genaaid (hy is al lang dood), (omdat wie op ’t schip sterft, in zijn hangmat genaaid en over boord gezet wordt).

Kombof, z. n. n. — Vuurhaard, van ’t Ital. combachio, en dus ’t zelfde als kajuit, welk laatste woord echter een meer edele beteekenis heeft verkregen.

Spreekwijze: ’t Rookt als in een K— (omdat in een stookplaats op een klein vaartuig de rook meermalen naar beneden slaat). [111]

Kombuis, z. n. v. van ’t Lat. Combustio. — Op groote schepen is die onder de bak, op kleinere op het dek. ’t Woord wordt dikwijls met Kombof verwisseld.

Spreekwijze: Als ’t waait kruipt hij  in de K— (hy is een zoetwaterzeeman, een bloodaart).

Komen, o. w. — Boven de wind, by-de-wind K—, aan-de-wind K—. de wind te boven K—.

Kommaliebehoeften, z. n. v. mv. of Kommaliewant.—Al wat tot schaftgerij aan boord behoort, als vorken, lepels, potten, pannen, enz.

Kommaliewant, z. n. o. — is ’t meer gebruikelijke woord. Zie Kommaliebehoefte.

Kommandant, z. n. m. — Gezachvoerder, ’t zij over een smaldeel, ’t zij over een haven of inrichting.

Kommandeur, z. n. m. — Kapitein van de breeden wimpel, ook Standerkapitein, volgt in rang op de Schout-by-nacht en voert een stander in top.

Kommando, z. n. o. — Bevel, orde.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *