Zeemans woordenboek Jaaghout – Koopvaarder

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Kaagschipper, z. n. m. — Zie Kaagman.

Kaai of Kade, z. n. v. — Dijk, dam: oorspronkelijk een zoodanige, die alleen gelegd werd om het zomerwater te keeren: thands meer bepaaldelijk een steenen wal, waar schepen aanleggen. Zoo is te Amsterdam de Geldersche K— die, waar de schepen, uit Gelderland komende, plachten aan te leggen. Van K— dat “keer” beteekent, komt bekaaid, d. i. verkeerd.

Kaaiboef, Kaailooper, z. n. m. — Kruier of kraankind, die aan de Kaai zijn kost zoekt te verdienen.

Kaaidraaien, o. w. — Met een klein vaartuig bij  de schepen rond gaan om eetwaren te verkoopen.

Kaaidraaier, z. n. m. — Het vaartuig, waarmede Gekaaidraaid wordt, of de man, die het voert.

Kaaien, b. w. — Strijken. De raas K— (de raas schuins overeinde toppen, om daardoor bij  het verhalen in een haven niet aan scheepstuig van een ander schip onklaar te raken).

Hoe grote een vlote leght daar met zijn zees Gekaait.
Antonides, Ystroom.

K— wordt ook in ’t algemeen gebruikt, voor: “van richting doen veranderen”. [93]Wanneer de bramraas opgebracht worden, staan zij overend: op ’t komm. K—! worden zij horizontaal (vierkant) gehaald. De onderraas Gekaaid, d. i. langs scheeps liggende.

Kaaigeld, z. n. o. — Geld, dat betaald wordt om aan de kaai te mogen liggen.

Kaailooper, z. n. m. — Zie Kaaiboef.

Kaaimeester, z. n. m. — Beämbte, die voor het onderhoud der Kaaien, voor het innen van het Kaaigeld en de legplaats der schepen zorgt.

Kaairing, z. n. m. — Ring, aan de Kaai bevestigd, en waar de schepen aan worden vastgesnoerd.

Kaak, z. n. v. — 1o. Ton; 2o. Harde wind;—doch in beide beteekenissen verouderd.

Kaal, b. n. — Ontbloot. Een K—le ra (een ra zonder zeilen). Een K—le boeg (een boeg zonder ankers), enz.

Kaan, z. n. v. (veroud.) — Licht vaartuig.

Kaap, z. n. m. of Voorgebergte. — Van ’t Spaansch Cabi en dit van ’t Lat. Caput, d. i. hoofd, als zijnde een stuk lands of hoofd, dat in zee uitsteekt. de K— te boven komen (hem omzeilen).

Spreekwijze: hij  zal de K— niet halen (hy zal van zijn ziekte niet opkomen). Door de K— wordt hier verstaan de K— de Goede Hoop, waar de schepen die naar O. Indiën varen, zich plachten te ververschen.

Kaap, z. n. m. — Houten gevaarte op het land, dienende tot baken bij  peilingen.

Kaap, z. n. v. — Roof, alleen gebruikelijk in de uitdrukking ter K— varen (ter roof, om buit varen).

Kaapstander, z. n. m. — Zie Spil, gangspil, aardewind.

Kaapvaarder, z. n. m. — 1o. Een vaartuig dat op de Kaap de Goede Hoop vaart.

2o. Een vaartuig, of

3o. De Kapitein van zoodanig vaartuig, die voor eigen rekening ter Kaap vaart en buit gaat halen op de vyanden van de Staat.

Kaapvaart, z. n. v. — Koopvaardersbedrijf. Een schip ter K— uitrusten. De K— drijven.

Kaart, z. n. v. — Van ’t Ital. carta (blad) en daarom bij  uitnemendheid een blad, een bord of rol papier of andere zelfstandigheid, waarop de ligging van eenig land, zee, plaats of hemelstreek is uitgedrukt. Zie Paskaart, Waereldkaart, Zeekaart, Platte K— (waarop alleen breedte is afgeteekend en die dus alleen voor de Noord-, Oostzee, enz. dient). Ronde K— (waarop ook lengte is afgeteekend).

Spreekwijze: hij  heeft de K— niet (hy mist de noodigen leiddraad of de inlichtingen, hoe zich in die zaak te gedragen).

Hy vaart maar op een platte K— (zijn begrip reikt niet ver).

Kaaskamer, z. n. v. — Plaats, waar de kaas bewaard wordt.

Kabas, z. n. v. (veroud.) — Fuik.

Kabbeljaauw, z. n. m. — Bekende zeevisch.

Spreekwijze: Een spiering uitwerpen, om een K— te vangen (een klein geschenk geven om er een grooter te bekomen: een kleinigheid wagen om een belangrijke winst te doen, enz.). [94]

De spiering doet de K— afslaan (de hoeveelheid van slechte waar is somtijds oorzaak, dat de goede voor een spotprijs moet verkocht worden).

Er kan nog een K— onderdoor (er is nog genoeg water onder de kiel; er is nog geld, wijn enz. genoeg).

Kabel, z. n. m. of Kabeltouw. — Zwaar touw, uit drie ineengedraaide touwen samengesteld, en voornamelijk strekkende om het schip aan een uitgeworpen anker bevestigd te houden. K— insteken (het K— in de ankerring vastmaken). K— korten (het inhalen of inwinden om het spil). K— uitsteken (het uitvieren, bot geven). K— om (wind het anker!). Aan boord is echter over ’t algemeen het woord zwaar Touw meer in gebruik dan dat van K—. Volgends Bild. zou K— van Oostersche afkomst zijn en “Verdubbeling” beteekenen. Zie zijn Gesl. in v.

Spreekwijzen: Zoo grof als een K— (ruw, onbehabbeld).

De derde streng maakt de K— (de derde man brengt de praat aan).

Hy heeft een K— maar die ligt op zolder (hetgeen men noodig heeft is niet bij  de hand).

Daar is een kink in de K— (er is een zwarigheid in de weg gekomen). Zie Kink.

Zich in een K— laten beschieten (zich buiten schoots houden).

Kabelaring, z. n. o. of Kabellarga. — Een, van kabelslag gedraaid, van afstand tot afstand van muizings, en aan de beide enden van oogen voorzien touw, waarvan het middel voor tusschen de kluizen en de enden langs stuur- en bakboordsbattery tot aan het achterspil gebracht met drie slagen om dat spil gelegd, en dus de beide enden door die oogen aan elkander gebonden worden; voorts met seisings op het ankertouw vastgemaakt en dienende om het anker te lichten. Kommando: Maakt klaar de K—! Smijt de K— op het spil! K— naaien! Spiltuigen. d. i. K— op het spil te doen.

Kabelen, b. w. — Aan kabels vastmaken.

De minder Booten
Gekabelt aen de rugh van die haer vorens gaen.
Huyghens, Spiegel.

Kabelgaauw, b. n. — Die vlug met de kabels kan omgaan. Aardig is de woordspeling van Huygens, die in zijn Zedeprinten een matroos noemt

Een Kabeljauws genand, van wegen ’t Kabel-gauw.
waaruit op nieuw bewezen wordt, wat ik elders herhaaldelijk heb aangevoerd omtrent de immer zachte uitspraak der g bij onze vroegere schrijvers.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *