Zeemans woordenboek Eb – Inzeilen

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Haken, b. w. — Met een Haak tot zich trekken.

Spreekwijzen: Ergens naar H— (naar verlangen). Het moet vroeg krommen, dat H— zal. Zie Krommen.

Haken, z n. m. mv. — Schuine endjens van planken, waar kepen in gemaakt worden om in elkander te sluiten.

Hakgeld, z. n. o. — Kosten voor het vellen, door omhakken te weeg gebracht.

Hakkebord, z. n. o. — Letterlijk een Bord, waarop iets gehakt of uitgehouwen staat: en in het bijzonder het bovendeel van de spiegel, dat uitgehakt werd in verschillenden vorm, ten einde het schip te onderkennen.

Halen, b. w. — 1o. Hijschen, trekken: Haal (d. i. trek harder). Haal beter, al stijver! (komm.) De bocht uit een zwaar touw H—. Stijf H—. Aan een touw H—. Op een talie H—. Aan boord H—. Haal wat aan!

2o. Roeien. Haal op! (roei op). Haal uit! (doe je best).

Spreekwijze: Haal je niet, zoo heb je niet (verzuim de gelegenheid niet).

Halfdek, z. n. o. — Zie Dek.

Halfsleten, b. n. — Voor Half versleten. Een H— zeil.

Halfwind, z. n. w. of Dwarswind. — Wind, die van terzijde, die dwars komt. Met H— zeilen.

Hals, z. n. m. — 1o. Een touw, dienende om, by-de-wind zeilende, de loef-, fokke- en groote schoot, voor uit te halen. De H— van de bezaan en van de slagzeilen dient om het staande lijk er van naar beneden te halen. Zwakke H— (zie Zweeptopper). Looze H— (die alleen dient om een gewonen te vervangen). Tusschen twee Halzen varen (voor-de-wind varen! omdat de H—zen of H—taliën gemeenlijk los of open zijn.) Overdrachtelijk: de keus tusschen twee zaken, die op ’t zelfde neêrkomen.

2o. Hoek, vereenigingsplaats. De H— van een anker, de H— van een kanon. H— van een knie.

Halsklamp, z. n. v. — Soort van groote klamp met een schijfrad voorzien, die aan stuur- en aan bakboord op de buitenhuid wordt aangelegd om er de Hals van ’t groote zeil door aan te halen.

Halvermast, Halversteng. — Zie Mast, Steng.

Halzen, o. w. — Het schip bij  stormweer doen wenden; ook algemeen in gebruik voor: voor-de-wind omwenden.

Hamer, z. n. m. — Timmermansgereedschap, waarmede geklopt wordt. Yzeren H—. Houten H—. Kalfaat H—.

Hamerslag, z. n. o. — Gruizeltjens, die van het yzer afspringen terwijl het gesmeed wordt, en die geschikt zijn om op scheepsdekken gestrooid te worden ten einde men niet aan het pek kleve en het houtwerk duurzamer blijve.

Hand, z. n. v. — Het gedeelte van het anker, dat de grond als met een H— vat. Zie Ankerhand. [79]

Handdag, z. n. m. in ’t mv. handdagen. — End touw, dat men in de Hand houdt om er strafoefening mede te verrichten.

Hand over hand, bw. — Beurtlings, zonder rukken. H— O— H— halen, H— O— H— inpalmen.

Handgeld, z. n. o. — Som, die aan de zeelieden op Hand gegeven wordt en waarvoor zij zich verbinden, mede te varen.

Handgift, z. n. v. — Het eerste geld, dat men op een dag ontfangt. Ik heb nog geen H— van u gehad, is de gewone begroeting, waarmede een kroeghoudster een binnenkomenden matroos toespreekt.

Handtjen leenen, (een) o. w. — Helpen, byspringen.

Handplaat, z. n. v. — Soort van vingerhoed, dien de zeilemakers met een lederen riem aan de hand vastbinden.

Handspaak, z. n. v. — Spaak, die met de hand bewogen wordt, in ’t byzonder die, waarmede het braadspit wordt opgewonden. Daar de H—en altijd voor-de-hand liggen, worden zij ook in een gevecht gereedelijk als wapentuig gebezigd—ook om ’t kanon te richten.

Handzaam, b. n. — Wordt de weersgesteldheid genoemd, wanneer zij alle soort van verrichtingen toelaat. ’t Is H— weer. Een H—e wind.

Hanepoot, z. n. v. — Touw, waarvan men de beide enden op eenigen afstand van elkander op of aan iets vastmaakt, b. v. aan de staande lijnen van de marszeils. (zie Spruit) In het midden dier touwen is een ring, waarin de boelijn gesplitst is. De H— op de bezaansgestel dient om dien op te hijschen: de zonnetent hangt aan een H— onder ’t bezaansstag.

Hang, z. n. o. — Plaats, waar haring of bokking opgehangen en gerookt wordt.

Hangen, o. w. — Nederwaarts gebogen zijn. De kiel Hangt. Het H— der masten, van de voorsteven, enz.

Hanger, z. n. m. — Oplanger, stut. Stuk hout, dat tot verlenging dient van de spanten van het inhout.

Hanggat, z. n. o. — Bynaam voor een schip dat van achteren zwaar is uitgebouwd.

Hangkompas, z. n. o. — Kompas, dat aan de zoldering, en dus omgekeerd, hangt.

Hangmat, z. n. v. — Stuk zeildoek van ongeveer twee el lengte en anderhalve baan breed, en hetwelk, aan beide einden door vele touwtjens (scheerlijnen) in een ring of oog vereenigd een eivormige gedaante krijgt. Door die ringen of oogen zijn de vierlijnen, waarmede de H— ’t hoofdeind aan de klabaai en het voeteneinde aan een ring, die in ’t boord zit, wordt opgehangen aan de tusschendeksbalken, en de slaapstede vormt van de matroos. Oorspronkelijk was zoodanige slaapstede van eenvoudig Matwerk en van daar de benaming. Met de H—ten wordt het schip verschanst.

Hangstelling, z. n. v. — Twee of drie planken op twee dwarsbalken gespijkerd, en die langs de buitenzijde van het schip worden uitgehangen om te breeuwen, te teeren, enz.

Hardzeiler, z. n. m. — Zie Snelzeiler.

Hardzeilery, z. n. v. — Watervermaak, waarby eenige vaartuigen met elkander [80]wedyveren, wie ’t spoedigst door behulp van zeilen een gegeven afstand zal afleggen.

Haring, z. n. m. — Kleine visch, die zich, in tallooze menigte, bij  scholen in de omstreken van Schotland onthoudt, en waarvan de vangst en het kaken onderhoud aan menig huisgezin verschaft. GrasH— (die dicht onder de wal, als ’t ware in ’t gras gevangen wordt en daarom niet van de beste hoedanigheid is.) Volle H— (die volwassen en vol kuit en hom is). KruisH— (die na Kruisverheffing gevangen en met de drie Amsterdamsche kruisen op de ton gemerkt wordt). BuisH— (die met buizen gevangen wordt). PekelH— (die gezouten is). ZeeH— (die gezoden of gekookt wordt). BraadH— (die geweekt zijnde op de rooster gebraden wordt).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *