Zeemans woordenboek Eb – Inzeilen

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Gespat, b. n. Of uitgespat, — wordt van de hoofdtouwen gezegd, wanneer zij met de mast een meer open hoek maken dan gewoonlijk.

Gespekt, b. n. — Wordt gezegd van een lap zeildoek, geheel doorregen met stukjens kabelgaren. Zoodanige heet men dan Spekwatten en zij dienen om daar gebonden te worden, waar schavieling of wrijving door aanstooten wordt veroorzaakt.

Gestopt, b. n. — 1o. Met Stoppers voorzien: Een G— touw, of tuig dat door middel van Stoppers wordt gespannen gehouden.

2o. Aangehouden. Dat schip is in Texel G—.

Gestrand, b. n. — Aan wal geslagen of gespoeld. Een G— schip (dat op ’t strand zit) G—e goederen. Zie Goederen.

Gestreken, b. n. — 1o. Met planken beschoten. Zie Dek.

2o. Neder gevierd. De zeilen G— (nedergehaald).

Gestropt, b. n. — Met een Strop belegd.

Getuigd, b. n. — Wordt een schip genoemd, dat al zijn Tuig heeft. Hoog G— schip (dat veel bovenzeilen heeft.) Laag G— schip, (dat zijn tuigaadje lager heeft). G— als een logger, brik, schoener.

Spreekwijze: hij  is G— als een Portugeesch schip (hy ziet er slordig uit).

Getij, z. n. o. — Zie Tij.

Spreekwijze: Ieder vischt op zijn G— (elk let op zijn byzonder voordeel).

Geul, z. n. v. — Naauwe vaart of waterloop.

Geus, z. n. m. of Geusjen. — Een vlag, die van de boegspriet waait, aldus genoemd naar de Watergeuzen, die namelijk aldaar hun standaart heschen met de kleuren des Prinsen van Oranje, en er alzoo hun verschijning mede aankondigden.

Geusjen, z. n. o. Zie Geus.

Geuzen, o. w. —- Men plach te zeggen: het begint te G— voor: “de wind begint voordeelig te worden.” Zoo zeiden de Spanjaarts ten tijde der omwenteling in de 16de eeuw: Onze Lieve Heer Geust; (is de Geuzen gunstig).

Geuzestok, z. n. m. — Stok op de boegspriet, waar de Geus van waait.

Gewaarborgd, b. n. — Klaar, gereed. Tegen het oploeven, tegen het afvallen G— zijn, (op het loeven, het vallen passen, op zijn hoede zijn).

Gezeegd, b. n. — Gebogen, krom. Te sterk G—e barghouten.

Gezicht (in ’t), bw. — Zichtbaar, dat men ’t zien kan. Een schip In ’t G-. wij leden schipbreuk in ’t G— van de haven.

Gezond, b. n. — Van een schip gezegd beteekent: gaaf, zonder letsel. Zie Ongezond. [74]

Geswindpijpjen, z. n. o. — Ontvlammingstoestel, in een penneschacht geplaatst, in het zundgat gezet en aangestoken, ontsteekt het de lading.

Giek, z. n. v. — Smal scheepsgebouw, roeivaartuig, waarvan de banken maar een persoon kunnen bevatten en dat voornamelijk bij  hardroeierijen gebezigd wordt. Vierriems G—, Zesriems G—.

Giek, (of liever Gijk, als de Fransche vertaling Gui aanduidt) z. n. v. — is de spriet, waarvan een Latijnzeil wordt uitgezet.

Spreekwijze: wacht u voor de G— (wacht u voor de weêrstuit.)

Gier, z. n. m. — Giering of Gierslag; draai, zwenking, uitwijking, welke een schip met goeden voor-de-wind maakt, ’t zij aan bak- of stuurboordzijde.—Een G— doen (een geänkerd schip met behulp van het roer doen Gieren.)

Gieren, o. w. — Gevolg van de werking van een sterken stroom op een Geänkerd schip, waardoor het voorschip meer of min merkbaar van de rechter- naar de linkerzijde, of omgekeerd, zwenkt. Op het G— passen (het G— voorkomen met behulp van het roer of van een opgezet zeil). Over bakboord, over stuurboord G—. Het schip Giert op zijn touw.

Giering, z. n. v. — De daad van Gieren. Zie Gier, Gieren.

Gieten, o. w. — Nat maken, hozen.

Gieter, z. n. m. — Hoosvat, waarmede de zeilen, voornamelijk op een klein vaartuig, worden nat gemaakt.

Spreekwijze: hij  ziet er uit alsof hij  uit een G— gedronken en de droppels op zijn gezicht gekregen had. (Hy is pokdalig).

Gig, z. n. v. — Licht Engelsch vaartuig.

Gillen, b. w. — Schuin afsnijden of afzagen.

Gilling, z. n. v. — Van Gillen, en dus oorspronkelijk een schuins afgezaagd stuk hout. Thands echter verstaat men onder G— de staanden kant van het houten boord, wanneer dit niet onder de geheele lengte van het schip doorgaat. Zoo gebeurt het b. v. dat het houten boord langs het opperdek zich van achteren af tot bij  de grooten mast uitstrekt. De plaats, waar het aan de voorkant afbreekt, is dan een G—.

Gissing, z. n. v. — Zie Bestek.

De Naelde wijckt noch wraeckt en alle Gissingh sluyt
Huygens, Hofwyck.

Glas, z. n. o. — Zandlooper, uur-, halfuur-, kwartier-, minuut G—. De tijd wordt aan boord berekend bij  Glazen van een half uur. Zoo is b. v. vier Glazen in de hondenwacht, twee uur na middernacht. Elke wacht heeft acht Glazen, dus vier uur.

Gods genade, (op) bw. — Zonder te weten waarheen. Op G— G— drijven.

Goederen, z. n. o. mv. — Alle voorwerpen van handel. bij  art. 3 der Algem. Wet van 26 Aug. 1822 worden daaronder begrepen alle waren en koopmanschappen, geene uitgezonderd, benevens paarden en allerhande vee. De bepalingen betreffende sommige verleende vrijdommen van rechten op goederen [75]vindt men in art. 5 dezer wet. Gestrande of geborgen G— (zie daaromtrent dez. wet, Vijfde Hoofdst. art. 30–36). Verboden G—. (zie het Twaalfde Hoofdst. art. 108–117).

Goerabe, z. n. v. — Indiaansch vaartuig.

Golf, z, n. v. — Golving. Zie Baar.

Golf, z. n. m. — Zeeboezem, inham. Zie Bild. Gesl. in V.

Golfslag, z. n. m. — De kracht, welke de golven op een schip, het strand, de oever of elk ander lichaam uitoefenen.

Gondel, z. n. v. — Venetiaansch vaartuig, tot overtocht en tot vermaak gebezigd, en ’t welk, in evenredigheid tot zijn breedte, langer is dan eenig ander vaartuig van gelijke bestemming.

Gorden, b. w. — Ophalen van het middelste der marszeils en fok.

Gording, z. n. v. — Opkorting, t. w. van een zeil. In de grond één woord met gordijn.

Gort, z. n. v. — Was van ouds de scheepskost en nog altijd een geliefkoosd ontbijt voor de matrozen.

Spreekwijze: Een G—etelder (een gierigaard, een vrek). ’t Is afkomstig uit de tijd, toen de scheepsbevelhebbers nog een hoofdgeld kregen om de manschap te voeden, en alles op ’t zeerst werd uitgezuinigd.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *