Zeemans woordenboek Eb – Inzeilen

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

G.

Gaande houden, b. w. — 1o. Op denzelfden boeg, als men tot nog toe gezeild heeft, voortgaan.

2o. Aan wind of stroom een wederstand bieden, die met hun kracht gelijk staat: wij Hielden het beter tegen de stroom Gaande dan de Adraste.

3o. Gelijk, even hard zeilen. wij Hielden het met alle schepen van ons eskader Gaande, onder onze beide marszeilen.

4o. Niet van plaats veranderen, b. v. om een schip in te wachten.

Spreekwijze, ’t G— H—: het zooveel mogelijk uithouden.

Gaande raken; gaande zijn, o. w. — Wordt van een schip gezegd, als zijn anker aan ’t glijden raakt. Ook van de goederen, die in een storm komen overhoop te rollen, als b. v. De ballast Raakt Gaande.

Gaande weg, bw. — Langzamerhand. G— W— afhouden. (Zie Afhouden.)

Gaandery, z. n. v. — Zie Westergang.

Gaarboord, z. n. o. — De naaste plank aan de kiel, met het aanzetten waarvan men een aanvang maakt bij  de bouw van het boord, zoodat men de deelen als ’t ware samen gaêrt.

Gaard, — Zie Geerd.

Gaffel, z. n. m. — Spriet, aan welken, op boeiers en smakken, het smakzeil wordt vastgemaakt. Op de grootere schepen is het de spriet, die met een klaauw door de kraallijn aan de bezaansmast vast is, en waaraan het bezaanzeil [69]is uitgehaald en opgeheschen wordt. Het draagt de naam van G—, omdat het aan het eene einde in een G—, vork of klaauw, uitloopt, waarmede het om de mast sluit.

Gaffelval, — Talie, waarmede de Gaffel geheschen wordt.

Gaffelzeil, — De langsscheepsche zeilen, aan Gaffels geheschen heeten, G—en: zoo zijn b. v. de bezaan-, de bark- en schooner zeilen, G—en.

Galeas, z. n. m. — Groot Venetiaansch vaartuig, dat met behulp van zeilen en riemen bestuurd werd.

Veneedje, laat uw Galeassen
Tot roem en eer, eeuw uit eeuw in,
De Turxsche heêrschappy verrassen.
Antonides, Zeetriomf.

Galei, z. n. v. — Lang, smal vaartuig, op de Middellandsche zee in gebruik, zeilende met latijnzeilen, of wel door G— slaven of boeven geroeid. Lichte G— (die naar de antieken vorm met een scherpen voorsteven gebouwd is: Bastert- of gewone G—) die van middelbare grootte is: HoofdG— (de voornaamste G— van een Vorstendom). PatroonG— (de tweede G— van Frankrijk, Toskane en Maltha en de derde G— van die Zeestaten, welke nog bovendien een Koninklijke en HoofdG— bezitten. Koninklijke G— (de voornaamste G— van een onafhankelijke Mogendheid en de voornaamste G— van de Paus.

Doorluchte Waterkoningin
Venetië, die uw Galeien
Tot roem en eer eeu uit eeu in
Haer vlugge wieken uit laet spreien.
Antonides, Ystroom.

Galeiroeiers, z. n. m. mv. — Roeiers van een Galei, gewoonlijk slaven.

Galoëtte, z. n. v. — Klein Malabaarsch vaartuig.

Galeiwolf, z. n. m. — Zie Aletta.

Galery, z. n. v. — Buitenbetimmering tegen de achtereinden der zijden van het schip gemaakt en een afgesloten ruimte vormende. De G—en dienen tot het bevatten van gemakken en tot cieraad van de spiegel, dien zij verbreeden. bij  linieschepen heeft men soms twee G—en boven elkander, bij  gewone schepen maar eene of geene.

Galg z. n. v. — Houten stellingen, voor en achter in de kuil staande, en dienende om waarlooze rondhouten op te bergen.

Galjas, z. n. m. — Zie Galeas.

Galjoen, z. n. o. — 1o. Naam, aan een soort van vrachtschepen gegeven, die in de handel van Spanje op de West-Indiën en andere volksplantingen gebezigd worden.

2o. Stelling met roosterwerk, geplaatst tusschen het voorschip en het bovenste gedeelte van de scheg, en met leuningen voorzien.

3o. Oude benaming van de snuit of de snebbe der fregatten, pinassen en [70]andere zware schepen; het plach onder de straffen, op de schepen gebruikelijk, te behooren, dat iemand op water en brood in ’t G— werd gesloten.

4o. Geheim gemak voor de matrozen.

Galjoot, z. n. v. — Soort van vrachtschip van de grootte van een hoeker. Barbarijsche G—: kleine galei, op de Barbarijsche kust in gebruik. BombardeerG—, stevig gebouwd vaartuig, van een of twee mortieren voorzien en zonder fokkemast, ten einde de boeg tot bombardeeren vrij te houden.

Gallen, z. n. v. mv. — Kleine holten, welke men somtijds in de vuurmonden en in de kogels aantreft, en die, wanneer zij een bepaalde maat te boven gaan, tot afkeuring daarvan leiden kunnen.

Gang, z. n. v. of Vaart. — Snelheid, waarmede een schip kan vooruit komen in evenredigheid met de kracht van de wind en de uitgezette zeilen. Zoo zegt men: een goede G— hebben, weinig G— maken (goed, weinig vooruitkomen).

Gang, z. n. v. of Slag. — De weg dien een schip aflegt over denzelfden kant, wanneer het laveert. Verscheiden G—en doen. Nog een G—etjen en wij zijn er. G— of slag maken, enz.

Gang, z. n. m. 1o. — Voortloopende beplanking langs het boord. De G— en de buitenhuid.—Zie Brug, Zetg— en Geschutg—.

2o. Plank, waarmede men uit- en in het schip gaat.

Gang (gebroken). Zie Vertuining.

Gangboord, z. n. o. of Gangwaring. — Het boord, daar men op koffen, smakken en andere kleine vaartuigen langs gaat. Zie Waring.

Spreekwijze: Wat doe je in ’t G—? (Hoe staat ge in de weg?)

Gangmeter, z. n. m. — Werktuig of toestel, met behulp waarvan men de vaart van een schip kan berekenen. Zie Log.

Gangspil, z. n. o. — Kaapstander, aardewind, spil, windas. — Geknotte min of meer dikke kegel, waarvan de evenwijdige grondslagen in diameter weinig verschillen in grootte, en die vervaardigd is om op zijn diametrale en vertikale as rond te draaien. Windboomen of spaken, waarvan de enden gestoken worden in gaten, welke in de kop van het G— zijn uitgehold, en dienen om het in de rondte te doen draaien, en de touwen, welke men om zijn schacht slaat, aan te halen. Zie Spil.

Ganzevleugel, z. n. m. — Soort van schippersboom, dienende tot het uitzetten van de schoothoorn van het zeil.

Garen, z. n. o. — Zie Draad. Men onderscheidt kabelG—, schiemansG—, touwslagersG—, (met al hetwelk een zware soort van G— bedoeld wordt); wit, ongeteerd G— (zoo als het van de spinner komt); bruin of geteerd G— (dat met teer doortrokken is); merkG—, (waar een draad van een andere kleur doorheen loopt); zeilG— (dat tot het naaien der zeilen dient); lijkG—, wantG—, (dat van de dikste soort is) trosG— (van een mindere) en kardoesG— (om kardoezen mede vast te maken).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *