Zeemans woordenboek Baai – Bijzetten

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

2o. of Bezaanzeil. Het achterste gaffelzeil aan boord van een driemastschip.

3o. Groote B— die met schoon weer gebruikt wordt en van licht zeildoek vervaardigd is.

Bezaanmast, z. n. m. — De achterste Mast op een driemastschip.

Bezaansmars, z. n. v. — Zie Mars.

Bezaansdempgordingen, z. n. v. mv. — Touwen, waarmede de Bezaan wordt weggenomen en de kracht van de wind uit het zeil genomen.

Bezaanspispotten, z n. v. mv. — De brassen van de bezaansra, nu door een gaffel vervangen. [29]

Bezaansroede, z. n. v. — of Gaffel. (veroud.) Ra van de Bezaansmast, die thands niet meer in gebruik is.

Bezaansrusten, z. n. v. — Zie Rusten.

Bezeild, b. n. w. — Wordt van de wind gezegd, wanneer deze voordeelig is voor de koers. Zie Wind.

Bezeildheid, z. n. v. — Vaart, gang, in goeden zin genomen. Dit schip wint in het in B— van de meeste anderen (zet meer vaart). Het heeft zijn B— verloren of terug bekomen.

Bezeilen, b. w. — Bevaren, koershouden zonder te wenden. wij moeten die haven zien te B— (al zeilende bereiken).

Spreekwijze. hij  heeft het Bezeild (hy is de zwarigheid te boven).

Men kan geen haven met hem B— (men kan met hem niet te recht komen).

Men kan niet altijd zijn koers B— (het loopt wel eens tegen).

Bezem, z. n. m. — gebruikelijk in de

Spreekwijze: de B— in de mast voeren (de zee schoon vegen).

Toen ’t Oosten, ziende allengs de schat van Hollant groeien,
Verraderlijk bestont haar scheepvaart te besnoeien,
Beslaet in Pomeren en Pruissen, Zont en Belt,
De korenvloot van ’t Y, en rooft ze met gewelt,
Dorst Amsterdam (hoe klein ’t zich toonde voor twee eeuwen)
Zich met meer koggen, dan gantsch Hollant met de Zeeuwen
Te samen rukte, in zee begeven, en het strant
Des roovers plonderen, hun vlotten in de brant
Vernielen, en gekeert met zege, en trots gewroken,
Heeft op het hoog toppet de bezem uitgestoken
Als die de ruime zee, van schuimers lang geplaeght,
Nu zagh door haren moet geveiligt en gevaegt.
Antonides Ystroom.

Bezet, bw. — Vast, ingewikkeld, verhinderd. De vloot zat in ’t ijs B—: op de kust B— zijn: op lager wal B— zijn.

Bezuiden, bw. — ’t Zelfde als zuidwaarts, ten zuiden. Dat schip lag B— het eiland.

Bieden, b. w. — Vertoonen, toekeeren. wij oordeelden gepast, de vyand de breedzijde te B— (om hem te beschieten namelijk). De kapitein deed het fregat de breede zijde B— aan het fort.

Biezetouw, z. n. o. — Touw van biezen gemaakt, en in de Middellandsche zee wel gebruikelijk.

Bil, z. n. v. — Ronding van het achterschip.

Billen, z. n. v. mv. — De uitpuilende deelen van het achterschip.

Binden, b. w. — Vastmaken met touw of andere wringbare zelfstandigheid.

Spreekwijze: Aan een plaats Gebonden zijn (er niet vandaan kunnen).

Bindgaren, z. n. o. — Bindtouw. Zie Garen, Touw.

Bindsel, z. n. o. — De uitkomst van het Binden. Een B— leggen. Zijn voor B—. Plat B—. B— van een ankersteel. KruisB—. NokB— enz.

Binnen, vz. — 1o. wordt dikwijls als bw. gebruikt, en de plaats, waar iets binnengekomen [30]is, daarby stilzwijgend verstaan. De schepen zijn B— (zy zijn de haven binnengekomen). Haal de Loods B— (binnen scheepsboord).

Spreekwijze: hij  is B— (hy is uit de brand, hij  heeft zich gedekt). De uitdrukking wordt meest gebezigd van een speler of spekulant, die, hoe de kans ook loope, de door hem uitgezette gelden terug heeft en nooit meer verliezen kan.

2o. Voor “B— bereik van”: de schepen zijn B— Schot.

Binnenachtersteven, z. n. m. — Beplanking, die van Binnen aangebracht is en tot steun dient van de achtersteven.

Binnengaets, bw. — Binnen de monding van een zeegat of stroom.

Die wel ervaren maets
En Tritons van het meir ons sturen binnen gaets.
Vondel.

Binnengeschutgang, z. n. v. — Naam, op geschutdekken, aan de tusschenwegers gegeven.

Binnenhaven, z. n. v. — Haven in een meir, baai of rivier. Rotterdam en Dordrecht zijn B—s.

Binnenkiel, z. n. v. — of Plaat op de kiel: het deel, dat, tot versterking der lasschen van de kiel enz. op de kiel komt te liggen en zich voor en achter onder de slemphouten verliest.

Binnenkomen, b. w. — Uit zee in de haven komen. Binnengekomen: de vrouw Maria, uit Riga.

Binnenlandsch, b. n. w. — Wat zich binnen de grenzen van het Rijk bepaalt. hij  drijft alleen B—en handel. Dit schip is alleen voor de B—e vaart gebouwd.

Binnenlek, z. n. v. — Naam, door de visschers gegeven aan het gedeelte der zee tusschen het strand en de Breêveertien.

Binnenloods, z. n. m. — Loods, die zijn ambacht uitoefent op de binnenwateren.

Binnenloodsen, b. w. — of Inloodsen. Zie Loodsen.

Binnenloopen, b. w. — Inzeilen. B— wordt meestal gezegd, wanneer het uit nood geschied.

Binnenrahout, z. n. o. — of Striem. Gang, wegers, langs de bovenkant der poorten tegen het potdeksel van het opperdek gelegd, en over de geheele lengte van het schip doorgaande.

Binnensteven, z. n. m. — De binnenkant van de Steven. Zie Steven.

Binnenvaart, z. n. m. — De vaart op de stroomen en wateren van het Rijk.

Binnenvoorsteven, z. n. m. — Het verlengde van de binnenkiel, loopende van het slemphout tegen de voorsteven op.

Binnenwegering, z. n. v. — Een langsscheeps-verband, loopende tegen de spanten van de voor- naar de achtersteven.

Binnenzeilen, b. w. — Uit zee binnenkomen.

Bit, z. n. o. — Vooreinde. De scherpte van het schip, ook snit of snede genaamd. Zie ald.

Bitstuk, z. n. o. — Zie Loefhouder. [31]

Bitterenden of Hondenenden, z. n. o. mv. — Enden van kabels. Deze, als niet vast ineen gedraaid, worden afgekapt en tot schiemansgaren gebezigd.

Blaasbalg, z. n. m. — Vulling van hout, die onder de slooiknieën wordt aangebracht om de ruimte aan te vullen tusschen de benedenste dikte dier slooiknieën en de buitenhuid, en daardoor te beletten, dat de zee er te veel kracht op oefene.

Blaauw inzetten, b. w. — (veroud). IJzer in het schip zetten of slaan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *