Zeemans woordenboek Baai – Bijzetten

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Balkhaak, z. n. m. — Houvast, duivelsklaauw, kanthaak, trekhaak.

1o. Zware ijzeren staak, waarmede men balken toelegt.

2o. Groote ijzeren tang, waarmede men de stukken van een mast verplaatst of op de hoogte brengt, waar zij wezen moeten.

Balkschaal, z. n. v. — Zie Schaal.

Balkweger, z. n. m. — Weger, waar een dekbalk op rust.

Balkwegering, z. n. v. — Het inwendig langsscheeps verband tegen de boorden van het schip, en waarop de Balken komen te liggen.

Ballast, z. n. m. — Hierdoor verstaat men het zand, de steenen, of andere ruwe waren, die onder in het ruim gebracht worden, om het schip dieper in het [20]water te doen zinken, ten einde het niet te rank worde en geen nood hebbe van om te slaan. Met B— varen, op zijn B— vertrekken (zonder lading vertrekken.) IJzerenB—, SteenB—, Vliegende B— (vaten met B— gevuld, die men naar verkiezing naar deze of gene zijde van ’t schip, waar meerdere zwaarte vereischt wordt, kan vervoeren). Op zijn B— liggen (wordt van een schip gezegd, dat nog geen andere lading bekomen heeft. De B— schiet (valt van de eene plaats naar de andere.) B— verschieten (dien van plaats doen verwisselen.) B— is eigenlijk slechte, niets deugende last, gelijk baldadig, slecht-dadig, en balsturig, slecht van bestuur.

Spreekwijze: hij  is een onnutte B— (hy is een onnut meubel, een last voor de waereld.)

Die B— is uit de weg (dat bezwaar, dat verdriet, is opgeruimd.)

Ballasten, b. w. — Met Ballast laden, Ballast innemen. Dat schip is goed Geballast (De Ballast is genoegzaam voor de behoefte.) Onze voorouders plachten, wanneer zij in de Levant zijde hadden geladen, hun schepen met marmer te Ballasten, en van daar die ontzettende hoeveelheid marmer, welke men, tot zelfs in geringe woningen, te Amsterdam aantreft.

Spreekwijze; hij  is te zwaar Geballast (hy heeft te veel gegeten.)

Ballasting, z. n. v. — 1o. Bewerking van Ballast.

2o. De daad van Ballasten.

3o. Ongelden, op het Ballasten gevallen.

Ballastkist, z. n. v. — Afgescheiden schot of afgesloten vak in het ruim, waar Ballast in geladen wordt. Op een stoomboot staat een B— op ’t bovendek en op rollen om haar recht te houden.

Ballastkleed, z. n. o. — Geteerde stukken zeildoeks. Zie Presenning.

Ballastlichter, z. n. m. — Schuit, waarmede de Ballast gelost wordt.

Ballastpoort, z. n. v. — Poort of opening, waar de Ballast door geladen wordt.

Ballastschieters, z. n. m. mv. — Volk, dat zich met Ballasten bezig houdt.

Ballastschuitjens, z. n. o. mv. — Vierkante stukken ijzer, van 12,50, 25 of 50 Ned. Po. zwaarte, dienende tot het Ballasten van oorlogs- of andere schepen, waar de noodige ruimte in bewaard moet worden.

Ballon, z. n. m. — Pleizierboot te Siam, zeer verheven aan de beide uiteinden.

Band, z. n. m. — Hoepel, beugel. De B—en (de ijzeren hoepels om de masten.) Zie BorgB—, RaB—, B—en in het ruim (houten of ijzeren B—en, die over het zaadhout of over een oploop heen gezonken en verder op de inhouten liggen. B— in het voor- of achterschip. (Zie Dekbanden.)

Spreekwijze: Door de B—. (gewoonlijk, doorloopend.)

Banden, b. w. — Versterken. Een zeil B—, (er kruislingsche stootlappen op zetten.)

Bank, z. n. m. — Droogte, plaat, klip, blinde rots in zee. ZandB—, KoraalB—, SchelpB—, IJsB—, De groote B—, (onderzeesche berg ten O. van Nieuw-Foundland.) DoggersB—, (groote B— tusschen Engeland, Finland, en Jutland.)

Spreekwijze: Door de B—, moet zijn Door de Band. Zie Band.

Banken, o. w. — Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het op een Bank komt om te visschen. [21]

Barbier, z. n. m. — Naam, die vroeger aan de Scheeps-Chirurgijn gegeven werd.

Barge, z. n. v. — of Berge. Soort van trekschuit, dienende tot vervoer van personen en goederen en voor de binnenlandsche vaart bestemd. ’t Is oorspronkelijk hetzelfde als Bark. De B— van Alkmaar op de Helder, Kadetten B—, naam, dien het scheepsvolk wel eens geeft aan het logies der Adelborsten.

Barghout of barrighout, z. n. o. — Een gedeelte der buitenhuid tegen de kimmen van het schip, tevens dienende tot verband, als het schip, gelijk met een band of gordel, omringende. De rechte spelling van ’t woord schijnt te wezen Berghout, als dienende die houten om ’t schip te bergen of te bewaren. Linieschepen hebben een BovenB— ter hoogte van het kuildek, en een OnderB— ter hoogte van het tusschendek.

Bark, z. n. v. — Met deze benaming wordt in ’t byzonder zekere soort van lichte Grieksche en Spaansche vaartuigen, in de Middellandsche zee varende, bestempeld. De koopvaardyschepen, die de grooten- en fokkemast barksgewijs getuigd hebben, en daarenboven nog een achtermast met bezaan- en gaftopzeil zonder raas voeren, worden B—en genaamd. Ook wordt B— in poëzy veelal voor het min edele “schuit” gebezigd.

Een lichte Barck van barstigh Bocken-leder.
zegt Vondel in zijn Lofsangh op de Scheepsvaart.

Barkas, z. n. v. — De zwaarste sloep aan boord van een schip, tot alle zwaar werk bestemd, als het lichten en uitbrengen van ankers, enz. De B— wordt met draaibassen gewapend.

Barkoen, z. n. m. — Rondhout, windboom.

Barkschip, z. n. o. — Schip met twee overkant getuigde masten, terwijl de derde mast slechts een schoenerzeil voert.

Barlaventovloot, z. n. v. — Benaming van een Eskader kleine Spaansche vaartuigen.

Barnen, o. w. — Branden, koken (van de Zee.)

Barning, z. n. v. — Zie Branding.

Barometer, z. n. m. — Weerglas, werktuig, dat de drukking van de dampkring meet en waarop de aanwijzingen, overeenkomstig die drukking veranderende, in verband met de weersveranderingen worden waargenomen. Haarbuizige B—, (die minder dan een streep diameter van binnen heeft. (De B— staat op mooi weer, op regen.)

Barrighout, z. n. o. — Zie Barghouten.

Barring, z. n. v. — 1o. Waarloos rondhout. Verzameling van rondhouten, ingescheept om de bestaande in geval van nood te vervangen.

2o. De plaats van het bovendek, gemeenlijk tusschen de grooten en fokkemast, waar de waarlooze rondhouten geborgen worden.

Bas, z. n. v. — Soort van klein geschut, vroeger veel op de schepen in gebruik. Zie Draaibas.

Batarde, z. n. v. — (veroud.) 1o. Soort van galei, minder groot dan de koninklijke.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *