Zeemans woordenboek Baai – Bijzetten

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Bootsgezel, z. n. m. — ’t Zelfde als Varensgezel of Matroos: omdat die met het roeien in de Boot belast is.

Kees quam uyt zee en vocht in kerk en in kapel.
Kees was eerst bootsgezel, nu is ’t een boos gezel.
Jan Vos.

Bootsleper, z. n. m. of — Vanglijn. Het touw, waarmede de Boot aan het schip bevestigd is en achteraan gesleept wordt.

Bootsman, z. n. m. — Ook wel Hoogbootsman genoemd: toeziener en aanvoerder der Bootsmansgasten en wien het toezicht is opgedragen op zeil en treil van de grooten mast. bij  de manoeuvres blijft hij  op het dek en wordt alzoo onder de dek-officieren geteld. Op koopvaardyschepen is hij  de aanvoerder der bemanning en hoogste onderofficier.

Bootsmansgasten, z. n. m. mv. — De matrozen, die onder de Bootsman staan en met hem aan denzelfden bak eten.

Bootsmansmaat, z. n. m. — De onderofficier, die op de Bootsman in rang volgt, en met het toezicht over het achterschip is belast.

Bootsmansstoel, z. n. m. — Een plank, die tegen de mast hangt, en waarop een matroos zit, als hij  werk aldaar te verrichten heeft. [41]

Bootsvolk, z. n. o. — De Bootsgezellen in ’t algemeen: vroeger meer bepaaldelijk de bemanning van een Boot.

Bordig, b. n. — (veroud.) Plat, als een Bord. B—e zeilen (platstaande zeilen).

Bording, z. n. v. — Benaming van zeker Pruissisch vaartuig.

Bordgeld, z. n. o. — Soort van verval, dat uit de beschouwing (de opbrengst) der vischvangst voortspruit.

Boren. b. w. — Een gat, een opening maken door middel van een Boor.—’t Wordt echter ook gebruikt van openingen, door kogels gemaakt. Een schip in de grond B— (zoodanig beschieten dat het lek wordt en te gronde gaat).

Borg, b. n. — of Loos, wordt alles genoemd, wat niet dadelijk gebruikt wordt, maar, in geval van nood, dient om iets dat onklaar is te vervangen, en dan als ’t ware Borg blijft, dat er geen ongerief ontstaan zal. B—schoot, B—touwen (schoot, touwen, die, nevens de andere, die, gespannen staan of dienst doen, los hangen).

Borrel, z. n. m. — Letterlijk, een belletjen, dat uit de grond komt opborrelen; doch bij  toepassing, een glas geestrijk vocht.

Borst, z. n. v. — Wordt somtijds, bij  toepassing, voor het voorste gedeelte van het schip, of de boeg, genomen.

Bos, z. n. v. — Bus of Buis. Hout, waar op kleine vaartuigen het gat in komt tot waterloozing, of uitwatering op de overloop en verder.

Bosbank. — Zie Potdeksel, Schanddek, Dolboorden.

Bossenwerk, z. n. o. — Gepluisd touw, dat gepikt is, en waarmede een oud schip geblakerd wordt.

Bot, z. n. v. — Vooreind, ’t Fr. bout. Het touw heeft geen B—. Het touw heeft niet B—s genoeg. Men moet het touw B— geven. B— vieren, (laten schieten).

Ja, vier uw zeilen bot, bedien u van de winden.
zegt Bilderdijk, in zijn Ziekte der geleerden; doch min juist; want wanneer men de zeilen B— viert, gaat de wind er uit.

Spreekwijze: Zijn lusten B— vieren (er aan toegeven).

Bos, z. n. v. — Vierkant stuk metaal, in de schijf van een blok ingesloten, en waardoor de pen gaat waarop het draait.

Boterland, z. n. o. — Land, dat men waant te zien, doch ’t welk alleen uit een gezichtsbegoocheling ontstaat, en als wegsmelt bij  ’t naderen.

Botloef of Botteloef, z. n. m. — De balk, waar de fokkehals op vaart. Zie Loef.

Botstouwgat, z. n. o. — Oude benaming van het gat, waar het ankertouw doorloopt.

Bottelary, z. n. v. — Plaats of vertrek, waar de Bottelier zijn spijs bewaart en uitdeelt.

Bottelier, z. n. m. — Eigenlijk iemand, die gesteld is, om de bottels of flesschen te bewaren; doch, aan boord, de man, die in ’t algemeen het toevoorzicht heeft over de eetwaren, om ze aan de kok uit te leveren, en die ook het brood, boter, kaas enz., alsmede de drank aan de manschap ronddeelt. [42]

Spreekwijze: Als de kok en de B— kijven, dan weet men, waar de boter blijft, (als twee schelmen, die gewoonlijk het eens zijn, twist krijgen, dan komen hun boevestukken aan ’t licht).

Botteliersmaat, z. n. m. — of Onderbottelier. Behulp van de Bottelier.

Botteloef. Zie Botloef. B—krabbers, B—Schenkel of Strontstagen (touwen, die bestemd zijn om de B— te steunen).

Botter, z. n. m. — Een vaartuig met één mast en aan zijn ronden, Botten boeg, zijn naam ontleenende; doch van achteren als een schokker gebouwd.

Bout, z. n. m. — IJzeren of koperen staaf, tot verbindingsmiddel dienende. Stompe B—en (die geen punt hebben, als alle spantbouten.) Blinde B—en (die van welke, na het indrijven, alleen het einde, waartegen geslagen is, zichtbaar blijft. De B—en verschillen hierin van de spijkers, dat zij overal even dik zijn en niet verdunnend toeloopen. zij worden gewoonlijk van rood koper of ijzer gemaakt: de ijzeren van rood- of achtkant staafijzer. Zie SpantB—, NaaiB—, KoppelB— enz. enz.

Boutdrevel, z. n. m. — Bout, waarmede andere Bouten uit hun plaats gedreven worden.

Boutjens, z. n. o. mv. — (veroud.) Vierkante lappen zeil, die tegen de lijken aangezet worden, waar het zeil om de aangeslagen touwen sterkte noodig heeft.

Bouts, z. n. o. mv. — (veroud.) Touwen, gebruikt om het want te voorzien als ’t verbroken is. ’t Woord is ’t Fr. bouts (enden).

Boutkogels, z. n. m. mv. — of Kneppelkogel: twee kogels, door een Bout verbonden.

Bouw, z. n. m. — 1o. Maaksel. Dat schip is van zwaren B—.

2o. Konstruktie, scheepsbouw. Zie Scheepsbouw.

Bouwen, b. w. — 1o. Vervaardigen, timmeren. Een schip B—.

2o. Bebouwen, beploegen. Zoo, bij  toepassing, Zee B— (de zee bevaren, omdat men die als ’t ware met het schip beploegt). Antonides noemt in zijn Ystroom Amsterdam:

De grootste zeevorstin, die alle watren bout.
Hier bout de zeeraadt om de vrye zee te bouwen.
Jan Vos.

Bouwlood, z. n. o. — Zie Lood.

Boven, byw. — 1o. De masten met betrekking tot hen, die zich op het dek, en het dek met betrekking tot hen, die zich onder in ’t schip bevinden. Een jongen naar B— zenden (in de mast). Roep de Luitenant eens B— (op het dek).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *