Sagen en legenden

Thema’s > Sagen en Legenden

Tijdens uw vakantie in Nederland krijgt u regelmatig te maken met oude sagen of legenden welke worden aangevoerd als de bron van een gebruik of beeld. Hieronder treft u een uitgebreide beschrijving van veel Nederlandse Sagen en Legenden zoals verteld en vastgelegd in het boek “Nederlandsche Sagen en Legenden” van de schrijver Josef Cohen.

Figuur 1.

“Wie durft mij te vloeken—”

Inhoud

Hoofdstuk. Bladz.

Bladzijde VII

Lijst van Illustraties

Bladz.

Bladzijde IX

Voorrede

Het is niet de eerste maal, dat de Nederlandsche Sagen en Legenden in een bundel worden vereenigd. Maar wel is het de eerste maal, dat iemand in Nederland zich ten doel stelt, ook de ziel der folklore te ontdekken. Wetenschappelijk is ‘t hart van ons volk genoeg beschreven; deze arbeid echter wil meer.

Dikwijls heb ik menschen hooren vertellen, en dan dacht ik: het zijn niet alleen de woorden, die het verhaal vormen, maar het is ook de stem, en voor alles het gebaar. Weet gij, wat een gebaar kan doen? Poover is dikwijls de woordkeus van den verteller, schriel zijn stem … maar het gebaar! Wist ge, dat er zoovele kunstenaars onder het volk zijn?

Sommigen dezer sagen en legenden zijn verdroomd in ‘t groote hart van Nederland. Velen leven nog onder de “denkers,” zooals iemand ze mij noemde. Smartelijk schrijf ik, dat soms de sage vergaat, wanneer ze gedrukt is. Ik ben niet de eerste, die dit constateer.

En toch—niet op mij zal deze schuld rusten. Ik wil vertellen, zooals ik het zelve heb gehoord, grappig, sentimenteel, rhetorisch, weemoedig, zenuwachtig, angstig, geheimzinnig, met stil of met druk gebaar, al naar den aard. Geheimzinnig steeds, zooals ‘t haardvuur vlamt en de vlammen hoog op spelen bij den rood-koperen ketel. Ook ik zal deze sagen lezen in de eenzaamheid met slechts enkele oude menschen—uit het volk, zooals men zegt—bij mij, en waar ik hun gebaar mis, zal ik misschien den klank mijner woorden hebben, zoodat zij naar mij luisteren, als ik naar hen geluisterd heb.

Er zijn vele mysteriën in de menschelijke ziel, waarvan gij in de groote steden geen besef hebt. Gij leeft uw dagen, zonder de eenzaamheid te kennen—de strijd om het bestaan vreet uw geheimen op—en de verrassende dood doet u hulpeloos zijn. Ge weet niet, hoe angstig ik ben, dit volkshart te krenken. Ge weet niet, hoe ik mijn vrienden Bladzijde Xzal moeten vragen, of ik hen niet beleedigd heb, al besef ik, dat zij mij zullen vrijspreken.

In mijn ooren hoor ik uw spottenden lach. Ja, ik ben ook bang voor u, de massa in de groote steden. Ge spreekt wellicht van dom bijgeloof, en ge zegt, dat dit werk uit den tijd is. Heksen en reuzen—voorspoken en naspoken—kabouters en zeemeerminnen—duivels en witte wijven—menschen met den helm geboren en weerwolven—al deze in bonte mengeling door elkander—wat raken zij u? Ik vrees hen, die verstandig zijn. O! ik haat hun logica.

Toch zal er weder een tijd komen, dat men de schouders ophaalt over deze dagen van nauwkeurig realisme. Dan zal men verwonderd zijn over al mijn vrees, want in die toekomst zal men niet begrijpen, hoe geloof en angst tezamen kunnen zijn in een menschelijke ziel.

Eigenlijk behoort men te glimlachen over het woord “bijgeloof.” Een mensch, die vreugde of smart of huivering voor verleden of toekomst gevoelt, moet zich zijn sentiment voorstellen, en buiten hem om wordt de gedaante geschapen. Het kan een kabouter zijn, vol list en bedrijvigheid, doch ook de weerwolf met den rammelenden ketting. Het zijn de gevaren van natuur of maatschappij, ook wel het gevaar in zijn eigen gemoed, die den mensch bedreigen. Zóó ontstaat de sage.

Overblijfselen uit den heidenschen tijd?

Woorden zijn dat, die ik niet begrijp.

Wanneer een man een witten nevel zag stijgen, welke hem dreigend nazette tot zijn huis, of de nachtmerrie op een zijner paarden kroop, of hij een kaboutertje zag, dat in zijn schuur werkte of hem plaagde—dacht hij dan zelf aan den heidenschen tijd? Waarom steeds de anatomie van het uiterlijke—waarom nooit ‘t gevoel voor het innerlijk wezen? Waarom altijd ‘t ontleedmes en nooit de eerbiedige schroom?

Nergens bestaat er zulk een tegenstelling tusschen den geleerde en den kunstenaar als in ons Holland. Ik zal in Bladzijde XIdeze voorrede er niet verder over spreken. Na dit boek zal waarschijnlijk de sage méér den dichter, minder den wetenschappelijken man als zijn eigendom toebehooren. Laat de volkskunde—de wetenschap—dan in handen van den geleerde …. Zóó zullen wij immers voortaan als collega’s naast elkander staan?

Twee dooden heb ik nog te herdenken: Gust. van de Wall Perné en Waling Dijkstra. Zij ook hadden het volk lief en hebben er niet mede gespot. Zij hebben ieder van hun streek gehouden, en waar lieden der Vale Ouwe, waar zij van Friesland tezamen komen, klinke hun naam!

Nu wijkt alle vrees van mij. Er is een groot geluk, dat dit boek wordt uitgegeven. Er bestaat geen blijder vreugde. Dezelfde liefde als Van de Wall Perné en Waling Dijkstra heb ook ik. Ja, misschien is ‘t mogelijk, dat eens de gansche rijkdom aan sagen, die Nederland heeft, blinkt als een opgedolven schat. Friesland, het geheimzinnige land, Groningen het zinnebeeld-zoekende, Drenthe, het onschuldige en geestige, Overijsel, stil! ‘t is mijn droomende geboortegrond, Gelderland, het sprookjes-vertellende, Utrecht, het oude, Holland het werkelijke, Zeeland, het wijsgeerige en liefdevolle, Brabant, het fantaseerende, en Limburg … er is maar één Limburg: welke sagen! Ik ken ‘t machtig Limburgsche volk uit zijn verhalen. Het moet een volk zijn met vele kunstenaars.

Alle vrees is mij verre. Duizelend van geluk geef ik u ‘t beste bloed van uw volk en ‘t beste bloed van mijzelven.

Bladzijde 1

Hoofdstuk I

Het Vrouwtje van Stavoren

Het was in den zomer, en alles was rijk aan kleur en vreugde. Er was zonnelicht over de zee, zoover men zien kon. Golven van zonnelicht dansten met elkander, en ze zetten haar spel voort tot ver in de haven van Stavoren: wie kon denken, dat het dezelfde golven waren, die boosaardig in den winter, tuk op buit, de vlakke streek bedreigden? De schepen dodeinden mede in de blijde wiegeling der zee, en ook hun wimpels, ze wapperden op dezelfde maat. Waren het de durvende, grimmige schepen, die tot verre voeren, naar de landen der Denen, der Noren, naar de steden der Hanze, diep in het Duitsche land, onvervaard tegen storm en roover? Ernstig was immers hun taak, ze brachten den rijkdom aan hun aller meesteres, de vrouwe van Stavoren. Háár behoorde de zee. ‘t Was echter niet háár wil, dat de wereld op dezen zomerdag een feest was en niet háár ter eere dansten de statige schepen.

De kinderen stoeiden in de straten. Ze speelden haasje-over, en ze sprongen in rijen, lieten elkaar nu eens los, voegden zich dan aaneen, drongen naar een onbekend doel, en verspreidden zich ineens lachend van elkander. Het geleek, of aldus de golven der zee haar spel binnen de stad voortzetten.

De zomerdag was zelfs in de huizen. Het zonnelicht liet zich niet buitensluiten, het sloop langs reet en spleet, over riet en hout, tot het zich spreidde in ‘t binnenst der woning. Wat wist het van beletselen? Waar het bijkans nog nooit was geweest—in de kameren der vrouwe van Stavoren—was het met fleemend geweld gedrongen.

Hoog en eenzaam zat zij op haar stoel, de vrouwe van Stavoren. Ze lette niet op de geluiden buiten, noch op het zonnelicht, dat blank aan haar voeten lag. Ze staarde voor zich uit, en leefde in haar eigen gedachten:

Morgen zouden hare schepen uit-varen, alle vijf. Het zou maanden duren tot zij zouden wederkeeren; doch ook Bladzijde 2die tijd moest komen. Dan zou ze haar goudgeld niet meer kunnen tellen. Ze zou het bergen op verscholen plaatsen, opdat begeerige oogen het niet konden vinden. Wie zou dan rijker zijn dan zij?

Hierover dacht de vrouwe van Stavoren op dezen dag, terwijl haar schepen wiegelden in het zonnelicht. Ze haatte de vreugde, die alomme was, het spel, dat ze niet verhinderen kon. Hoog en eenzaam zat ze. Doch plotseling geschiedde er iets buiten op straat. Er was kinderlachen geweest van den vroegen morgen en ‘t hield eensklaps op. Het vervloeide niet, het stierf niet weg … het stiet aan tegen de stilte. Ja, inééns was het doodsstil, terwijl het zonnelicht bleef. Het was niet de stilte vóór naderend onweer, of vóór den storm, die zijn zwarte, zware wolken aan den glanzenden horizon doet rijzen. Niets van schaduw was er en de vrouwe van Stavoren hief verwonderd ‘t hoofd.

Toen klopte ze op de tafel, en nòg eens, ongeduldig.

De dienstmaagd stond voor haar.

“Ga zien, wat op straat is, Margriet, en breng me de tijding.”

Weder zette ze zich recht, en ze wilde haar gedachten in den vroegeren gang doen keeren. Eens zouden haar schepen terugkomen, alle vijf …. En ‘t goud …. Haar blik wendde zich naar een andere richting. Was daar niet zooeven zonnelicht aan den wand geweest? Zou toch onweer dreigen? Hoe stil was de stad. Margriet zou dadelijk wel terug zijn …. Misschien was er een nieuw schip in de haven! Een zeil was in de verte gezien, dat men niet kende? Gingen vreemde zeevaarders aan land? Of zou er iets met haar eigen schepen …?

Ze klemde haar hand vast om ‘t hout.

Neen, dat zou niet mogelijk zijn. En toch ….

Neen, op dezen stillen zomerdag kon in de haven van Stavoren geen schip vergaan!

En toch …?

Wanneer de vijf vaartuigen weder … zou zij de rijkste ….

Bladzijde 3Waar bleef Margriet?

‘t Zonlicht was zooeven niet op den wand geweest, wel aan haar voeten, waar ‘t nu ook lag.

Waarom wilden haar gedachten niet terugkeeren?

Angstig zag zij om zich heen. Ze stond op van haar stoel, en ging uit de kamer. Ze werd naar de stille straat gedreven.

Niemand zag ze. Geen geluid hoorde ze. Onbewegelijk was ‘t felle zonlicht.

Haar bloed woog zwaar in haar willoos lichaam, en als een sterke band voelde ze den angst om haar brein. Stap voor stap naderde ze de haven …. Wanneer haar schepen?

Niets was geschied. De schepen wiegelden in het zonnelicht, zacht speelden de golfjes, het zonlicht was over de zee, en niet één klein, wit wolke-lijntje beefde aan de star-blauwe lucht.

Ze bemerkte, dat allen uit de stad zich tezamen ver, drongen, en trotsch liep ze naar het volk, de vrouwe van Stavoren, die geen vrees behoefde te kennen. Ze sprak slechts enkele woorden: “Gaat op zijde,” en allen maakten voor haar plaats.

Een in lompen gehulden man zag zij. Hij lag neder op den grond, van honger en uitputting bijkans bewusteloos. Zijn voeten waren bloot, en straaltjes bloed liepen uit ‘t gepijnigde vleesch. Om zijn magere, doodswitte beenen was ternauwernood nog een rafel goed. Doch ‘t vreeselijkst om te aanschouwen waren zijn handen, die lang gestrekt waren. ‘t Geraamte schemerde er als een schaduw doorheen. Zijn mond was iets geopend: de tanden stonden los in ‘t bleeke vleesch. Kin en wangen waren diepe kuilen, hoog waren de beenderen geschoten.

Er was geen vreeswekkender armoede dan de zijne.

Wat dacht de vrouwe van Stavoren?

Natuurlijk wilde ze eenige lieden roepen, die den man naar haar huis moesten dragen. En zelf zou ze hem verkwikken, en hem reisgeld geven, wanneer hij verder trekken Bladzijde 4wilde. Zijn gekneusde voeten zou ze met kuisch linnen omzwachtelen, zijn verteerde leden bekleeden, en gelukkig zou ze zijn, dat zij den armen man had gered.

Waarom bleef haar trotsche mond gesloten?

De man richtte zich iets op, en zag naar haar. Zijn oogen …. Hoe ze staarden naar de rijke vrouwe, die slechts één woord had te spreken, en de Dood was verjaagd! Nimmer voor dien tijd had men geweten, dat ze zóó machtig was. Ze kon den Dood verdrijven, wanneer ze dit verlangde.

Men wachtte op haar milden troost.

En toen begon de man te spreken.

“Help mij,” zoo smeekte hij. Met moeite wendde hij zich, hij knielde, en strekte zijn magere armen naar haar uit. Meer nog dan zijn woorden, was dit zwijgend gebaar een bede.

En geen gestalte in de drom van menschen, welke in zijn beidende onbewegelijkheid niet mèt hem smeekte.

Want zij allen gevoelden het, dat alleen de vrouwe van Stavoren redden kon. Wat was de Dood tegen haar? Met het uitstrekken van éénen vinger dreef ze den honger ver buiten de stad! Wanneer zij even glimlachte, was de armoede in een land verdwenen. En men wachtte—Men wachtte bang. De vrouwe van Stavoren lette niet meer op den armen man.

Ze staarde naar de zee—Haar schepen waren nog in de haven. Morgen al zouden zij zee kiezen. In haar ooren klonk het tinken van het geld, dat ze winnen zou. Zij gevoelde haar trots als een bedwelming, een roes van blijden angst; en ze sidderde in haar kleed van goudbrocaat, vol eerbied voor haar eigen rijkdom. Van de schepen gleed haar blik naar haarzelve, en ze bezag zich, zooals zij stond temidden van het nederige volk, voor den man, die zijn handen naar haar uitstrekte. Van verre schenen zijn woorden te komen, zoo zwak was zijn stem:

“Help mij.”

Bladzijde 5En van alle zijden druischten de stemmen op haar in: “Help hem.”

Vleiend bewonderden haar oogen de granaatappelen, de bloemen, de ranken, rijk geweven in haar statig gewaad. Elke figuur zag zij aan: als in een wonderschoonen droom glimlachte ze.

Allen meenden, dat haar milde daad volgen zou. Ze glimlachte zeker om de goede gedachten, en het geluk van ‘t medelijden was in heur hart. Hoe zalig zijn zij, die geven mogen. Welk een gave is de rijkdom voor hen, die milddadig zijn.

De arme man deed zijn handen zinken.

Het verlossend woord zou nu worden gesproken.

Ach! niemand wist, dat ze slechts gelukkig was om haar kleed, en dat zij niet had geluisterd naar den kreet van den arme. Niemand wist, dat ze maar droomde van een weefsel van granaatappelen, bloemen en ranken, en dat ze niet begreep, hoe men op haar goede gaven wachtte.

Daar zij bleef zwijgen, hief de man met meer moeite zijn armen op. Nog zachter, nog verder klonk zijn stem:

“Help mij.”

Het volk zweeg. Wie was het, die beter nog vragen kon? Vast-geklemd was aller verwachting aan het gelaat der trotsche vrouwe.

Toen zag ze naar den smeekeling. Ze strekte haar hand uit, niet om te geven. Met schrik luisterde men naar haar woorden.

“In Stavoren is geen plaats voor zwervers en bedelaars. Wij hebben geen lieden noodig, die niet werken willen. Maak, dat ge heen-gaat. En gij allen! is er geen arbeid te over in deze stede, dat ge uit uw werkplaatsen rent?”

Geen kracht had de arme, zijn handen te doen zinken. Zijn hoofd bleef naar haar gericht, en ‘t geleek, of hij haar bleef smeeken. Roerloos was het volk, de mannen zelfs van haar schepen.

“Niemand behoeft te helpen, want het kwade voorbeeld Bladzijde 6zal niet gegeven worden in Stavoren. Het kwade voorbeeld is de pest, gaande van huis tot huis. Schaamt u, gij allen, die het kwade voorbeeld niet verjaagt.”

Was er iemand, die iets mompelde? Er was een stem geweest, die verklonk.

Iemand had gedreigd.

Hooger richtte zich de vrouwe van Stavoren, en haar oogen, machtiger dan de Dood, zagen van den een naar den ander. Zoo vorschte ze uit, wie zou hebben gemompeld. Het was slechts een rimpeling van wrok geweest, en in de roerloosheid was deze al opgelost.

“Ga weg uit Stavoren,” zeide eindelijk de vrouwe weder tot den bedelaar, “en weet, dat ge hier niet wederkeeren zult.”

“Ik ben stervende—een bete broods!”

Er was een man in de menigte, die naar zijn huis wilde gaan, om ‘t voedsel te halen. De stem der vrouwe riep hem.

“Blijf hier! Zoo hij sterven wil, is dit zijn plaats.”

Toen stond de arme man op. Het mirakel geschiedde. Als een jongeling was hij, rank en recht, en zijn stem was als van een ridder, die uitdaagt ten strijd. Er was een vlam in zijn oogen, die fel uitschoot naar de trotsche vrouwe.

“Vloek over u.”

Ze deinsde niet terug. Schamper lachte ze.

“Wie durft mij te vloeken—” en ze strekte haar hand uit, en wees naar de vijf schepen, wiegelend in de haven.

“Ziet gij ze daar—Mijn zijn ze.”

De bedelaar liep krachtig op haar toe, tot hij vlak voor haar stond. Bijna raakte zijn gelaat ‘t hare. Fluisterend hernam hij ‘t, zoodat zij alleen het hoorde.

“Ze zijn van de zee, vrouwe van Stavoren. Ge zult sterven … armer en ellendiger dan ik—”

Zwijgende nam zij den ring van haren vinger, en ze wierp het kleinood in de golven.

“Eerder komt die ring terug—ellendige bedelaar voor uw woorden waar zijn. Ik ben de vrouwe van Stavoren!”

Bladzijde 7“Veracht en niet beklaagd,” fluisterde hij. “Hoe vreeselijk zal uw lot zijn. Bedenk u nog éénmaal.”

“Ik heb mij niet meer te bedenken.”

“Bij Christus-bloed! de ring zal wederkeeren.”

Ruggelings viel hij neder, nadat hij dit nog had gezegd. Zijn magere leden strekten zich recht. De oogen werden gebroken. De mond sloot zich. Zijn kleederen waren losse stukken dek, neergesmeten over een naakt en schamel lijk.

“Keert naar uw woningen!” gebood de vrouwe van Stavoren tot het volk. “Mijn mannen zullen den doode in zee werpen. En weet het allen, dat dit een voorbeeld is voor de luiaards. Wie niet werken wil, heeft geen brood, en sterft des hongers.”

Het zonnelicht was over het bruisende, wijde water. Het zonnelicht was in de straten. Doch niet meer speelden de kinderen dezen dag, en de stad was dood. In de stille huizen zaten de menschen, vloek en wrok in de lijdende harten.

In hare eenzame woning zat de vrouwe van Stavoren.

De dag ging voorbij, en de avond kwam.

In het duister wierp een man, in dienst der vrouwe, het lijk in zee. En den volgenden dag voeren alle vijf de schepen af. Het volk van Stavoren staarde ze na, en niemand sprak een woord.

Toen kwamen nieuwe dagen, de tijd werd volbracht. ‘t Verleden was vergaan—’t heden vervloeide in de eeuwigheid. Vergeten was de vrouwe van Stavoren den zomertijd, en ze dacht aan de uren, dat haar schepen wederkeeren zouden.—Wat was de vloek van den bedelaar voor háár?

De herfst ging immers voorbij, zonder een kwaad teeken? De winter volgde de herfst, en ziet, daar kwam een koerier uit Hamburg, die vertelde van de goede dingen, welke een der schepen in Hamburg had geladen. Fel klopte ‘t hart der vrouwe, en ze gaf den koerier vriendelijke woorden. Toen kwam de blijde lente, en de uitbundige zomer trad aan in den dans der getijden.

Het was op een dag, gelijk van kleur en vreugde als Bladzijde 8een jaar geleden, dat de kinderen weder speelden in de straten der stede, en er liederen schalden van wijd en zijd. Het zonnelicht was tot diep gezonken in de zee, en drong verre in de huizen.

Niemand lette op den eenzamen man, die op zijn schouders een grooten mand droeg, en langzaam, schijnbaar doelloos, zijn weg ging. Hij liep langs de spelende kinderen, en hij stond stil voor ‘t huis der vrouwe van Stavoren. Hij klopte aan haar deur. Zij-zelve deed hem open, en vroeg zijn begeeren:

“Eenen visch heb ik gevangen, zoo groot, als nog nooit een mensch heeft gezien. En ik dacht—dat is spijs voor de rijke vrouwe.”

Zij zeide:

“Toon mij den visch, dat ik oordeelen kan.”

Hij sloeg ‘t deksel van, de mand op en hoog sprong het levende dier, en viel, den wijden bek in ademsnood open, tegen den grond. Zich wringende in bochten hersprong en herviel hij. Hij mat meer dan de lengte van de uitgestrekte armen eens mans, gemeten van de uiterste top van middelvinger tot middelvinger, en zijn kop was bijkans zoo groot als de breedte van een mannenborst van schouder tot schouder. Als een maliënkolder was zijn sterk, geschubd lijf, en zijn steert beukte tegen den vloer met het geweld van eenen hamer.

“Al sinds den morgen worstelt hij zoo met den dood,” sprak de visscher, “en ge moogt wel een zwaard gebruiken, zoo ge hem wilt doen sterven. Dat is voedsel voor u, bijlo! gij kunt er u aan vergasten.”

Ze wendde haar trotsch gelaat naar hem, en sprak:

“Mijn is deze visch. Wat de prijs zij, ik zal er u voor betalen. Of beter—” en ze opende haar beurs—’t. Goud viel op de straat. “Dat is voor u.”

Zij kende zichzelve niet weder. Zij gevoelde het, dat zij dezen visch moest bezitten. Niet dong ze af, gelijk het hare gewoonte was. Het geleek, of een stem in hare Bladzijde 9ziel haar dwong, zich van de koninklijke spijs meester te maken; en zij zelve besloot het wilde dier te dooden.

De koopman droeg den visch binnen haar keuken, en liet haar alleen. Niemand in de stad had bemerkt, welk een kostbaarheid ze had gekocht.

De vrouwe van Stavoren nam een mes en knielde neder. Ze wachtte niet, en sneed met forsche rukken den kop af, en opende het lijf terzijde. Toen tastte ze diep in ‘t smeuïg vleesch—haar vingers stieten tegen iets hards—ze greep—In haar hand hield ze een ring—Ze duizelde.

Het was de ring, dien ze in zee had geworpen…

Ze staarde ernaar in waanzinnigen angst. Ze wilde iets roepen … ze wilde zich verbergen—ze wilde den ring van zich werpen, doch deze vrees was nog machtiger dan de vreeze des doods, en ze moest zien naar het goud in hare hand. Ze had den drang te vluchten, en huilende liep ze naar buiten, op straat, waar de kinderen speelden.

Het volk stroomde toe en omringde haar. Geen mensch naderde.—Ze stond alleen in den wijden kring, met haar waanzin alleen.

“Help mij,” kreet ze eindelijk in vertwijfeling. “Al mijn rijkdom voor wie me den ring ontneemt.”

Niemand had ontferming. Toen wilde ze den ring van zich werpen. Het gelukte haar niet. Machteloos was ze gelijk een bedelaar, want haar rijkdom had geene waarde meer. Niemand wilde haar bijstaan. Zij was vervloekt door haar slechte daad.

Want van haar vijf schepen keerde er geen weder in Stavoren. Ze wachtte in haar eenzaam huis op hunne tijding. Ze zag het licht rijzen, het duister dalen, vele keeren. Als ze van straat hoorde, dat er een zeil was, aan den horizon der zee, liep ze naar de haven, en alleen stond ze. Maar nimmer was het een schip van háár.

Men vertelt van de vrouwe van Stavoren, dat haar geld slonk. Iederen dag kromde zich haar rug méér. Een oud, hulpeloos vrouwtje werd ze, met geel gerimpeld vel en Bladzijde 10met bevende handen. Ze leunde op haar stok, als ze naar zee zag. En dit was misschien wel haar vreeselijkste straf: dat ze hoopte op de terugkomst der schepen.

Haar oude, moede oogen tuurden naar de eindelooze verte en de angst der verwachting omknelde haar keel als een strop. Iederen dag strompelde ze naar naar huis, denkend: “Morgen zullen ze komen”—

En zoo gingen de dagen voorbij, tot er niets meer was in haar woning. Ze verkocht haar huis, en leefde voortaan in een krot. En toen kwam het uur, dat haar laatste duit voor brood was betaald.

Steunend op haar stok, en tastend—want bijkans blind was ze—ging ze van huis tot huis, bedelende om der barmhartigheid wille. Ze klopte aan de huizen, het vrouwtje van Stavoren. De deuren bleven voor haar gesloten, en ze betwistte met hare zwakke, bevende vingers den honden hun voedsel.

Bladzijde 11

Hoofdstuk II

Straffe Gods

Dit is de legende der rijke vrouw van Leiden, die door God werd gestraft, daar zij haar zuster geen barmhartigheid bewees.

In het jaar 1315 was er groote hongersnood over het land, en Willem van Holland en Henegouwen, van Zeeland en Friesland, door het volk de goede Willem genaamd, wist niet, hoe hij de zorg uit zijn rijk moest wenden, doch toen men hem vertelde van zijn stad Leiden, weende hij.

Gelijk vergift doodde er de honger. De burgers stierven op straat. De kinderen aan de borst hunner moeders. De Dood bleef in Leiden, niemand sparend. ‘t Gras van de straat was reeds gegeten. De wachters aan de poorten stonden met knikkende knieën.

Er woonden in de stad twee zusters, Anne en Marie. Eertijds hadden ze samen gehuisd, maar Marie had een man liefgekregen, en ze had Anne verlaten. Het scheen, of ze in zusterschap niet gescheiden waren, en of Anne blijde was om Marie’s geluk. Echter, wie menschen kent, weet, dat er vele zijn, dubbel van tale: de taal, die de mond spreekt, en de gezwegen taal der booze gedachte. Er is een glimlach, welke den haat verbergt.

Marie kende geen andere taal dan die zij sprak, daarom geloofde ze hare zuster.

De dagen van den honger kwamen, en éérst was er ellende in de huizen der armen. Het deerde Marie niet, dat haar vier kinderen voedsel behoefden: zij en haar man hadden geld gespaard, en ze gaven met volle handen. De armen loofden haar naam, en men zegende haar met rijke woorden.

De honger werd machtiger in de stad. Niet alleen de armen, doch reeds gezellen en meesters der gilden vroegen barmhartigheid. Toen eerst recht waren het Marie en haar man, die troostten. Ieder was welkom, en geen hongerige ging ongespijzigd uit haar woning.

Bladzijde 12De honger liet niet af.

Het was op een avond—en er werd zachtkens aan Marie’s deur geklopt.

“Klop … klop … klop …” tot driemalen toe.

“Open niet,” fluisterde de man. “Wanneer het boos volk is—”

“Die zóó laat komt,” zeide zij met vaste stem, “heeft mij meer noodig dan een ander.”

En ze opende de deur.

Haar zuster stond vóór haar.

“Marie—” kreet ze, “om Gods wil, verhoor mij. In drie dagen heb ik geen brood geproefd—Help mij.”

“Hebt ge geen brood meer?” vroeg Marie verbaasd.

“Neen, want alles, wat ik had, heb ik aan de armen gegeven.”

“Zoo dit zoo is—zet u aan den disch, en wees een der onzen. Waar voedsel is voor zes, zal er ook voor zeven zijn.”

Ze gaf haar brood en vleesch. Den beker schonk ze vol van wijn.

“Eet en drink en verlaat ons niet meer,” zoo zeide zij eenvoudig.

“Ach neen—” riep Anne uit, “ik wil in mijn huis blijven, want wat zou men zeggen, als ik ten uwen koste leefde! Gij hebt de armen gegeven, zoodat iedereen het hoorde. Ik daarentegen heb de ware milddadigheid betracht, en mijn linkerhand wist niet, wat de rechter deed. Geen mensch wist van mijn goede daden, en daarom zal men het in mij misprijzen, zoo ik ten uwen koste leef. Laat mij slechts des avonds in het duister komen. Driemaal zal ik kloppen, opdat gij, mijn zuster, weten kunt: “het is de arme Anne, de hongerige Anne, die buiten staat.”

“Zoolang wij te eten hebben—tot de laatste kruimel—zullen we het met u deelen

Haar woorden waren haar daden.

Des avonds, als zij Anne verwachtte, stond zij aan de deur, teneinde haar de schaamte te besparen, dat ze als Bladzijde 13bedelares moest kloppen. Zelve zeide zij in de stad, dat Anne en zij tezamen het brood gaven, en niemand vermoedde de waarheid. Men prees de beide zusters in éénen adem.

De nood steeg. Een handvol meel moest men met goud betalen. Toen kwam de tijd, dat ieder gezin voor zichzelf zorgde, en dat niemand zich bekommerde om ‘t leed van zijn buurman. Niets, dat den mensch nuttig kon zijn, spaarde de dood. Doode visschen dreven op het water, het vee stierf aan vreemde ziekten, het gras was zelfs verdroogd. Boven de lijdende aarde was de diep-blauwe hemel en de verzengende zon, dag aan dag. Waaraan had de menschheid zulk een straf verdiend?

Slechts Marie’s handen waren nog mild. Waar ze helpen kon, hielp ze. Met een glimlach zag ze ook voor haar den tijd van rouw tegemoet. Want wanneer de honger begint over een volk, kent hij geen einde.

Een avond, dat Anne aan haar tafel zat, deelde Marie het brood. Ze gaf haren man, haar kinderen en Anne gelijke stukken, doch zij-zelve nam niet.

Zij aarzelde met spreken, tot allen hadden gegeten. Op dat oogenblik zeide zij:

“Zijt gij verzadigd, mijn dierbaren?”

Anne antwoordde:

“Zoo gij nog een stuk brood voor mij hebt, wil ik het gaarne.”

“Ik kan niet meer geven, want het brood is op.”

“Bak dan nieuw.”

“Ik kan niet meer bakken, want ik heb geen meel meer.”

“Kunt ge dan geen meel koopen?”

“Zoo ik geld had, doch er is niets meer over.”

Toornig verhief zich Anne en riep uit:

“Gij slechte vrouw! gij hebt dus uw zuster, uw kinderen en uw man vergeten! Waarom gaaft ge dan hedenmorgen nog een stuk brood aan een ellendigen bedelaar? Waarom gaaft ge uw geld aan de armen? O! ik ken u en uw streken. Bladzijde 14Steeds hebt ge de brave gespeeld, en men zeide: ‘die goede Marie,’ terwijl men dacht: ‘die slechte Anne.’ Daarom was het u te doen, dat ge mij vernederen zoudt. Dat was altijd uw doel, al lang geleden, toen ge met uw man trouwdet, en mij in de eenzaamheid achterliet, in plaats van voor mij te zorgen en te werken. Nu eindelijk ontvangt ge het loon voor uw hoogmoed.”

Marie had haar hoofd gebogen, als ware ze waarlijk schuldig. Met moeite zeide zij ten laatste:

“Gij doet me onrecht,”

“Te veel recht doe ik u nog. Nooit meer zet ik een voet in uw woning. Nu zie ik, wie ge zijt.”

Zij verliet ‘t huis, zonder een groet. Nog even hoorde men haar haastige schreden. Daarna was er slechts de geluidloosheid van den nacht, en voor ‘t eerst gevoelde men den angst om ‘t eigen behoud.

Dit nu was de dankbaarheid der menschen, dat men Marie niet achtte, en niemand, zelfs zij, die nog iets te missen hadden, haar hielpen. Zij was armer dan de armsten—immers ze had in dien tijd ‘t geloof in de menschheid verloren. Ze meende echter, dat ze haar zuster onrecht had gedaan en nog dacht ze dit, nadat de honger zich in haar woning had genesteld en haar gast was geworden. De honger zette zich aan den leegen disch, als de maaltijd moest beginnen. Onbewogen luisterde hij naar ‘t gekrijt der kinderen, en hij verzadigde zich aan hun smart. Hij drong—al zwijgende—booze, bittere gedachten in hun ziel. Hij was de overwinnaar der goede stad Leiden.

De nood werd zoo sterk in Marie’s woning, dat zij ging bedelen om brood. Zij stond temidden van hen, wien zij vroeger gegeven had.

Een hunner zeide tot haar:

“Gaat naar uw zuster, die heeft nog brood genoeg. Ons wil ze niets schenken, doch u natuurlijk wel.”

“Mijn zuster heeft geen brood, want zij heeft alles gegeven.

Bladzijde 15“Geloof dat niet! Uw zuster houdt zich als een arme. Gaat naar haar toe.”

Figuur 2.

Niemand opende. Ze luisterde of er van binnen geen geluid kwam

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *