Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede 1849-1874

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Het zilveren feest.

„Kom, Marie, word wakker!” zeide Frédérique op den morgen van Maandag den 11den Mei tegen haar nichtje, dat met haar op dezelfde kamer sliep. „’t Is allerprachtigst weer en de zon schijnt al zoo vriendelijk, alsof ze alle langeslaapsters als u ten bedde wil uithalen.”
„Ik was net zoo prettig aan het droomen,” antwoordde Marie, terwijl zij zich uitrekte. „Gij buitenmenschen spookt ook altijd zoo vroeg. Dat kun je maar niet afleeren.”
„Vroeg?” hernam Frédérique. „De Westerklok is daar zoo even zeven uur geslagen. Kom, sta nu maar gauw op. ‘t Is heden de dag, waarop Hunne Majesteiten in de hoofdstad komen.”
„Nu, als ik daarvoor om zeven uur moet opstaan, dan mag ik ‘t morgen wel om vier uur doen. Maar, in vredesnaam! Ik ben nu toch wakker, en dus zal ik u uw zin maar geven.”
Allerprachtigst weer! Ja, dat was het in den vroegen morgen van den 11den Mei. En er was dan ook vrij wat volk op de been, om de schoon versierde stad te zien. En wat een tal van vreemdelingen! In de logementen was geen plaats meer te krijgen; ja, vele particulieren hadden tegen groote sommen gelds hun kamers voor drie of vier dagen verhuurd. ‘t Bracht veel geld in de hoofdstad; maar er is in die dagen ook vrij wat geld besteed. Want Amsterdam was met recht in feestgewaad getooid en de burgerij heeft geen kosten ontzien, om alles mooi te maken. We willen in gezelschap van Frédérique, Marie, Henri en Leonard eens een kleine wandeling door de stad doen.
Eerst gaan we met hen naar de Willemstraat, die er keurig netjes uitziet, met haar slingers van groen en haar drie eerepoorten; dan door een dwarsweg naar de Westerstraat, waar we een door de feestcommissie opgerichte obelisk en een door de bewoners daargeplaatst fraai borstbeeld van koning Willem III zien, gekroond door de Nederlandsche Maagd.
„Die kroon zal van avond met gas geïllumineerd worden,” zegt Henri.
„Nu, dat zal een goed effect maken,” oordeelt Marie. „Doch we kunnen hier niet lang staan kijken; anders komen we niet op onzen tijd aan ‘t station.”
„Waar zullen we nu heengaan?” vraagt Frédérique.
„Wel naar den prachtigen bloementempel op ‘t Koningsplein,” antwoordt Henri. „Dan bekijken we meteen de schoone decoratie bij den burgemeester.”
Zoo gezegd zoo gedaan. We wandelen langs ‘t Singel naar ‘t Koningsplein; waar we een prachtigen bloementempel zien staan, versierd met de schoonste kinderen van Flora. Daarna gaan we even de Heeregracht op, waar we, onder verschillende prachtige decoratiën, die van den burgemeester van Amsterdam bewonderen, vooral om zijn rijkdom.
„En nu naar de Botermarkt,” zegt Henri.
„Wat is daar te zien?” vraagt Leonard.
„Wel een groote eerepoort met het ruiterstandbeeld van Willem den Zwijger er op,” antwoordt Henri.
Van de Botermarkt gaan we met onze jongelieden naar het Jozua-Daniël-Meyersplein, waar we een oud kasteel vinden opgericht, zoo natuurlijk, alsof het er wezenlijk stond.
„O, dat is prachtig!” roept Marie uit. „’t Doet me denken aan den Dillenburg, ‘t stamslot der Nassau’s.”
„Als ik ‘t niet beter wist, zou ik denken, dat er zoo straks een stoet van edelen uit de burchtpoort zou te voorschijn komen,” zegt Frédérique; „zoo natuurlijk is ‘t geschilderd.”
„Maar we moeten voort,” zegt Henri, terwijl hij op zijn horloge kijkt. „Indien we ten minste nog koffie willen drinken, vóor we naar ‘t station gaan.”
„Mij goed,” antwoordt Marie. „Dan gaan we den Dam over, en zien daar meteen ‘t versierde monument en de eerepoort.”
„’t Weer schijnt te betrekken,” merkt Frédérique aan, terwijl zij naar de lucht kijkt. „’t Zou me niet verwonderen, of we krijgen regen.”
„O, ongeluksprofetes!” roept Henri uit. „Doch ik vrees, dat je gelijk hebt. ‘t Zou vreeselijk jammer zijn.”
„Als de koning ‘t maar droog treft,” wenscht Leonard.
„We willen ‘t hopen,” antwoordt Frédérique, met de zekerheid van iemand, die lang buiten heeft gewoond. „Ik zou er echter aan twijfelen.”
„Welnu, dan nemen we onze parapluie’s mee!” troost Marie. „Als het niet anders is, in vredesnaam.”
We gaan met ons viertal den Dam over; drinken koffie, en wandelen met hen, met parapluie’s gewapend, naar ‘t station.
‘t Is bij halftwee. Een kanonschot verkondigt ons, dat de trein met H. H. M. M. gearriveerd is. Vergezeld van den prins van Oranje, prins Alexander en Frederik, alsook van den hertog van Saksen-Weimar en diens gemalin, ‘s konings eenige zuster, komen ze ‘t station binnen. Amsterdams burgemeester houdt een toespraak, en zijn dochtertje, in ‘t wit gekleed en met de Amsterdamsche kleuren op ceintuur en strikken, biedt der koningin een prachtigen bouquet aan. ‘t Zelfde doet de jonge juffrouw Westervoudt, na een aanspraak van den president der feestcommissie.
„Mijnheer de burgemeester,” zegt de koning, terwijl hij dezen hartelijk de hand schudt. „Het doet mij onuitsprekelijk veel genoegen, het vijfentwintigjarig feest mijner regeering in de hoofdstad te zullen vieren.”
En nu spoeden we ons met de jongelui naar ‘t huis van mijnheer de Winter, om den stoet te zien passeeren. Jammer, dat het regent—wel niet hard; maar toch, er valt vocht. Wat den stoet aangaat, die is uiterst eenvoudig. Na een escadron huzaren en de helft der eerewacht, komt Z. M., omstuwd door zijn adjudanten en gevolgd door de prinsen met de hunne, allen te paard gezeten, aan. Daarachter H. M. de koningin in een open rijtuig met de groothertogin van Saksen-Weimar en prins Frederik, en eindelijk de andere helft der eerewacht.
„Ziezoo! Nu gaan we naar den Dam,” zegt Henri. „We hebben echter tijd in overvloed; want behalve dat de stoet een heelen weg te maken heeft, moet die aan ‘t Burger-weeshuis nog tweemalen wachten, daar de weezen voor koning en koningin elk een couplet zullen zingen.”
En zoo vergezellen we hen naar den Dam, waar ‘t geducht vol is, en moeten nog een heelen tijd wachten, eer de stoet de Kalverstraat uit is. Doch daar komt hij onder ‘t uitbundig gejuich der menigte aan. Jammer, dat het zulk ongunstig weer is; wel zien we H. H. M. M. op ‘t balkon verschijnen; maar dat duurt slechts kort: de regen jaagt hen spoedig in huis. Dien avond om 9 ure gaan we nog eenmaal naar den Dam, om er door Amstels mannenkoor den „Jubeltoon” van Hofdijk en een paar andere stukken van Hol en Verhulst te hooren zingen. Gelukkig is ‘t weer goed, en, ofschoon we er niet veel van kunnen verstaan, door ‘t leven hetwelk de bijeengestroomde menigte maakt, is het toch een aardig gezicht, de zangers met hun verlichting à la giorno te zien aftrekken.
‘t Is Dinsdagmorgen, en, daar we kaarten voor de kerk hebben gekregen en we er al om acht uur moeten zijn, kunnen we de bidstond in de Westerkerk niet bijwonen. In ‘t naar de kerk gaan vangen wij nog eenige tonen op, welke de militaire muziek op den Dam doet hooren, in ‘t programma voor de feestviering „reveille” genoemd.
We treden de kerk binnen, waar we, vijfentwintig jaren geleden, met de ouders onzer jongelieden de inhuldiging bijwoonden. We zullen er nu den koning door de natie hooren gelukwenschen. Een koor van niet minder dan vijfhonderd zangers en zangeressen, begeleid door twee orkesten, zal de feestcantate zingen, door J. J. L. ten Kate vervaardigd en op muziek gezet door Joh. J. H. Verhulst, onder wiens directie de cantate zal worden uitgevoerd. Daar laat zich een fanfare hooren; de vorstelijke familie treedt de kerk binnen en neemt plaats op den troon. In ‘t midden de koning, naast hem de koningin, aan wier linkerhand de groothertog van Saksen-Weimar en diens gemalin prinses Sophia zich bevinden; aan ‘s konings rechterhand zitten de prinsen van Oranje, Alexander en Frederik. De stoel van prins Hendrik is ledig, daar deze keizer Alexander II van Rusland tegemoet is gereisd.
Daar doet het orkest het eerste gedeelte van de schoone feestcantate hooren, en plechtig klinken die heerlijke tonen door ‘t ruime kerkgebouw. Juffrouw Gips van Dordrecht zingt de solo’s. Hierop naderen achtervolgens de leden van de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, die bij monde van hun voorzitters den koning uit naam van het Nederlandsche volk geluk wenschen, waarop de koning antwoordt:
„Mijne heeren! Leden van de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal! Diep geroerd ben ik door de woorden, die het Nederlandsche volk door uw mond tot mij heeft gesproken. Aan de liefde en trouw, Mij en Mijn huis zoo ondubbelzinnig gebleken, wensch Ik te beantwoorden door een ernstig streven om den bloei en den voorspoed van ons aller dierbaar Vaderland te bevorderen. De Almachtige God geve mij daartoe Zijn onmisbare hulp en schenke aan Nederland Zijn besten zegen.”
Daarop nadert de burgemeester van Amsterdam, met de Wethouders en de leden van den gemeenteraad; toen de Commissarissen des konings met deputatiën uit de Provinciale Staten; eindelijk een aantal burgemeesters uit alle oorden des lands, om Z. M. het geschenk van de natie aan te bieden, bedragende een som van ƒ 193.000, waaraan de koning beloofd heeft, een bestemming te zullen geven. En die bestemming is de ondersteuning van de invaliden der land- en zeemacht, zoo in Nederland als in Indië. Met donderend gejuich wordt dat woord des konings begroet. Nu wordt de tweede helft der feestcantate gezongen, waarin de heer W. Deckers Jr. van ‘s-Hertogenbosch de solopartijen zingt: na ‘t eindigen daarvan is de plechtigheid afgeloopen.
O, wat een weer, nu we uit de kerk komen! ‘t Is geen Meiregen—’t lijkt wel November, zoo koud en guur is ‘t er bij. In vredesnaam; we gaan maar even mee naar ‘t huis van mijnheer de Winter, waar we de koffie gebruiken, doen onze winterjassen aan en spoeden ons, met een parapluie gewapend, naar ‘t station van den Rijnspoorweg, om—den Czaar van Rusland te zien aankomen. Dat station is keurig met bloemen getooid. Onze koning komt er met de prinsen, en begroet daar zijn Russischen neef met hartelijkheid. In gestrekten draf gaat het naar ‘t paleis, van welks balkon de keizer aller Russen een gedeelte van den optocht ziet.
En die optocht! Prachtig en indrukwekkend, wat het historische gedeelte aangaat, en waar we onze zeven stadhouders met hun voornaamste tijdgenooten, allen in het kostuum van hun tijd zien voorgesteld. Jammer maar, dat het zoo regent en de prachtige fluweelen en zijden kleedingstukken pletten of bederven. Onder de nummers van den allegorischen optocht treft ons vooral de vereeniging der goudsmeden met hun prachtige banier, voorafgegaan door hun schutspatroon, den bisschop St.-Eligius, in plechtgewaad en op een wit paard gezeten.
Indien we nu tot de genoodigden behoorden, konden we dien namiddag, lang na ‘t vertrek van den Czaar, naar ‘t Paleis voor Volksvlijt gaan, waar van wege ‘t gemeentebestuur den koning een galadiner wordt aangeboden. Daar onze vrienden er echter niet genoodigd zijn, moeten we ons maar vergenoegen met de vermelding, dat het prachtig is geweest, en de koning er een hartelijken toost op Amsterdam gedronken heeft.
Lang uitblijven bevalt ons ook al niet; wel is de illuminatie hier en daar opgestoken—meestal is zij uitgeregend of uitgewaaid, en waar zij aangebleven is, speelt de wind zoo onbarmhartig met de gasvlammetjes, dat alle effect verloren gaat.
Woensdagmorgen gaan we onder een stortbui naar den Dam, om er vierhonderd weeskinderen te hooren zingen. Wat worden ze tot op hun hemd toe nat, die arme schapen! Beter zijn er die dertien jongens en dertien meisjes aan toe, die om ruim tien ure, uit naam van 400,000 kinderen uit Nederland en Suriname, bij monde van den jongenheer Felix Westerwoudt, Z. M. het voor de door hen bijeengebrachte penningen vervaardigde feestgeschenk aanbieden, hetwelk de koning erkent een der aangenaamste te zijn van al welke hij tot nog toe ontvangen heeft. Niet minder aangenaam is hem dat van de maatschappij „Arti et Amicitiae,” bestaande uit ongeveer honderd prachtige miniatuurschilderijtjes, door verschillende Nederlandsche kunstenaars vervaardigd en, met de gravures en medailjes, in acht keurige lijsten gevat.
Daarna zouden we naar de volksspelen op ‘t Amstelveld of buiten de Willemspoort kunnen gaan, (want het is gelukkig nu goed weer geworden en ‘t Meizonnetje schijnt wat lief); we vergezellen onze jongelui liever naar de Plantage, waar we de harddraverij zien, en ‘s avonds gaan we naar den schouwburg, waar een gala-voorstelling plaats heeft, en „Uitgaan” van Glanor, en „het Meifeest” van Binger worden opgevoerd.
Wanneer we ons nu Donderdag naar de Westerkerk begeven, kunnen we H.H. M.M. in de bank zien zitten, of we gaan naar Artis Natura Magistra, waaraan de vorstelijke familie haar gewone bezoek brengt. Liever echter reizen we met Henri en Marie dien namiddag per spoor naar ‘s-Gravenhage om daar bij oom August te logeeren en er de feesten bij te wonen.
Wat een regen en wind op Vrijdag den 15en Mei, den dag dat Z. M. binnen de residentie zou worden ingehaald!
„Nu, die heeren van de eerewacht en die schutters zullen maar niet nat worden,” zegt Marie.
„Alsof papa droog zal blijven, die ook met zijn grenadiers gecommandeerd is,” zucht Frédérique de Winter.
„Gelukkig, dat de duizend kinderen van de gemeentescholen, die van morgen al in hun lokalen bijeenwaren, om naar ‘t Willemspark te trekken en om ‘t monument te zingen, naar huis gezonden zijn,” zegt mevrouw de Winter.
„En hoe hebben die van Scheveningen het dan gemaakt, mama?” vraagt Frédérique, „hebben die in dat weer heel naar hun dorp moeten terugwandelen?”
„Die zijn in vier wagens van de tramway gepakt, en zoo franco naar huis gezonden,” antwoordt mevrouw de Winter.
Gelukkig wordt het weer wat beter, en begeven we ons naar ‘t station. We merken, dat de gesloten rijtuigen, die op ‘t plein stonden, door opene vervangen worden, en treden het stationsgebouw binnen, waar de gewone uitgang prachtig gedecoreerd is tot ontvangst van HH. MM. Daar komt de trein aan. In ‘t wit gekleede meisjes met kransen in ‘t haar, bestrooien het pad, hetwelk de vorstelijke personen gaan, met frissche bloemen, of bieden HH. MM. ruikers aan. Na een korte toespraak van ‘s-Gravenhages burgemeester, zingt de liedertafel Caecilia hun een Welkomslied toe, waarvan de woorden zijn vervaardigd door Jan J. F. Wap, de muziek door Richard Hol.
Nadat de koning aan den directeur van ‘t mannenkoor zijn compliment gemaakt heeft, betuigt hij aan de ministers, de leden van den Raad, enz. zijn dank voor hun tegenwoordigheid te dezer plaatse, en stapt men in de open rijtuigen.
Daarop rijdt de stoet door de prachtige eerepoort aan de Wagenbrug, door de Wagenstraten, Veenestraat en Hoogstraat, naar ‘t Noordeinde en zoo naar ‘t Paleis, waar voor ‘t met vlaggen versierde ruiterstandbeeld een prachtige eereboog van groen is opgericht, en op het plein voor ‘t paleis ‘s middags om halfdrie de zangers van Caecilia, gesecondeerd door een koor van jongens en meisjes en andere Haagsche zangvereenigingen, het Volkslied en daarna een plechtig Te Deum aanheffen.
„Jammer, dat de optocht der jongelui van de Hoogere Burgerschool en ‘t Gymnasium is afgezegd,” zegt mevrouw de Winter tegen haar man, toen hij thuiskomt.
„Jammer?” vraagt deze. „Ik ben blij voor de jongens. Een nat pak te halen is niet alles. Dat heb ik van morgen ondervonden.”
„En de heeren van den optocht in Amsterdam niet minder, oom,” zegt Marie. „Die dropen, alsof ze in ‘t water gelegen hadden. De Haagsche regeering heeft dus zeer verstandig gehandeld.”
„Ook de illuminatie zal van avond niet doorgaan,” verzekert mijnheer de Winter. „En dat is ook goed; anders wordt het, evenals in Amsterdam, broddelwerk.”
„’t Is te hopen, dat we morgen mooi weer hebben!” wenscht Henri. „Voor heden zullen we ons dus maar vergenoegen met de volksvermakelijkheden op het Oranjeplein!”
Vergenoegen?—Nu, of we daar pret hebben! Ziet daar eens die kunstenmakers, met hun gymnastische toeren op het slappe en stijve koord, of die, als ware herculessen, zware gewichten tillen. Ginds staan Tobias Bamberg en andere goochelaars hun kunsten te vertoonen aan een verbaasd publiek. Maar ‘t meeste amuseeren we ons bij die kolossale poppenkast, voor welke groote en kleine kinderen een dolle pret hebben. Gelukkig, dat Henri ons hierheen heeft gebracht; we zouden anders vrij wat gemist hebben.
‘t Verdere van den Vrijdag brengen we door met het bekijken der prachtige versieringen. Naar den schouwburg gaan we maar niet; ofschoon daar een aardig gelegenheidsstukje van Bigot wordt gegeven, een jubelzang door de liedertafel „Kunstoefening” wordt uitgevoerd, en alles eindigt met een allegorische voorstelling met kooren, door Wijnstok.
Zaterdag is ‘t mooi weer. En de ingezetenen zijn wat blij, toen hun wordt aangezegd, dat optocht en illuminatie dezen dag zullen doorgaan.
Nu, die optocht van de jongens is alleraardigst. Keurig zijn ze gekleed, en wat gaat alles ordelijk en netjes! ‘t Is geheel en al een historische optocht, waarbij we prins Willem I en drie zijner broeders te paard zien. En wat is ‘t prettig, dat ze zulk goed weer treffen! We zien den optocht driemaal; maar zouden hem met plezier nog eenmaal voorbij laten defileeren. Waarlijk, zulk een troep ferme jongens strekt der residentie tot eer!
‘s Avonds naar de illuminatie. Nu, die is schitterend! Vooral de paleizen en ‘t Voorhout. ‘t Is letterlijk, alsof we in een zee van licht loopen. En alles blijft zoo goed aan. Doch uit den weg, en de hoeden af! Daar komen de koning en de koningin aan, die door de stad toeren, om alles eens te bezien. Wat een gejuich! Geen gebrek aan „Oranje boven!”
Als we nu lang genoeg in Den Haag bleven en een uitnoodigingskaart hadden ontvangen, dan zouden we met HH. MM. en de vorstelijke familie naar Scheveningen zijn gegaan, om in de prachtig gedecoreerde zaal van ‘t Stedelijk Badhuis het diner bij te wonen, hetwelk de gemeenteraad der residentie den koning heeft aangeboden. Dan hadden we ook de verschillende toosten kunnen hooren, o. a. die, welke Z. M. op zijn zuster en haar gemaal dronk. Daar we echter geen toegang hebben, verlaten we met dankzegging voor ‘t gesmaakte genot onze vrienden, en stoomen liever naar Rotterdam, waar we dominé Veldhuis met zijn beide kinderen, Ernst en Marie aantreffen, overgekomen om daar het kroningsfeest bij te wonen.
‘t Is de 21e Mei. Rotterdam is prachtig versierd; vooral de Delftsche poort, door welke Z. M. de stad moet binnenkomen, is allerkeurigst gedecoreerd, even als het station, het groote uit papiermaché vervaardigde standbeeld van Z. M. op de Erasmusmarkt, dat, omgeven door een verrukkelijk bloembed, een goed effect maakt, en het feestterrein op ‘t Westerplein, waar zich de vorstelijk gedecoreerde koningstribune bevindt, en welk plein bezet is met vijftig hooge standaards, tusschen welke guirlandes van groen, die van avond à giorno zullen worden verlicht.
Voorloopig echter blijven we met onze drie oude vrienden aan ‘t station, waar de koning en koningin door den burgemeester van Rotterdam worden toegesproken. De trein gaat over de Erasmusmarkt naar de koninklijke Yachtclub, waar een zeil- en roeiwedstrijd gehouden wordt en waar we door een toegangskaart binnenkomen. Wat is ‘t gebouw der Yachtclub keurig versierd: vooral de zaal, waarin de vorstelijke familie het haar door de club aangeboden déjeûné gebruikt. Na afloop daarvan begeven de vorstelijke personen zich op het balkon, en zien den wedstrijd eenigen tijd aan; daarna stappen ze in hun rijtuigen en rijden naar het feestterrein, waar ze den gekostumeerden optocht zien voorbijtrekken.
Nu! dat is een optocht, waarvan ‘t historische gedeelte onze geheele geschiedenis, met de Batavieren beginnende, voorstelt.
Wat zijn die twee vierwielige wagens met hun voorspan van ossen aardig; niet minder die druïde en die Bataafsche vrouwen en kinderen, welke er opzitten. ‘t Is een optocht van belang! We kijken dan ook, zooals men ‘t noemt, onze oogen uit.
Nadat de optocht voorbij is, volgen we de vorstelijke personen naar de Boompjes, waar een stoomboot gereed ligt, om haar door de Noorderhaven, die voortaan „Koningshaven” zal heeten, naar de plaats te brengen, waar Z. M. den eersten steen zal leggen aan de Maasbrug. Zoo iets hebben we al meer gezien, niet waar? Ik zal er u dan ook maar geen beschrijving van geven; ofschoon Ernst en Marie wat blij zijn, dat ze nu ook eens zulk een steenlegging zien, waarvan ze papa zoo dikwijls hebben hooren praten, die zoo iets te Zutfen aan de eerste spoorbrug gezien had. Voor ons echter levert de Maas met zijn tallooze versierde vaartuigen van allerlei vorm en grootte, alle vol menschen, een allerintéressantst gezicht op.
Nadat de koning weder naar de Yachtclub gereden is, waar hij de prijzen uitdeelt, keert hij nogmaals naar ‘t feestterrein terug, waar we andermaal den optocht zien. Daarna vertrekken H. M. met de groothertogin en prins Frederik naar ‘s-Gravenhage, en begeeft zich Z. M. met den prins van Oranje en prins Hendrik naar den Doelen, waar hem een diner wacht, hem door den gemeenteraad van Rotterdam aangeboden. Daar wij er niet bij kunnen zijn, wandelen we de stad eens door, om de keurige versieringen te zien, die overal aangebracht zijn, en zorgen, dat we ons bij tijds weer op het feestterrein bevinden, dat nu geïllumineerd is, en waar Z. M. ten derden male verschijnt, doch nu in zijn rijtuig blijft, om naar ‘t zingen van Rotte’s mannenkoor te luisteren. Toen deze muziekvereeniging op verzoek van den koning het eerste couplet van ‘t „Wien Neerlands bloed” aanheft, ontbloot Z. M. het hoofd, hetwelk door alle aanwezigen met luid gejuich gevolgd wordt.
Eindelijk toert de vorst van halfelf tot middernacht door de rijkverlichte straten, en houdt stil op de plaats, waar een schitterend vuurwerk wordt afgestoken. Eerst om 1 uur verlaat Z. M. met prins Hendrik de stad, om zich naar Vlissingen te begeven, waar zij den Czaar bij diens terugkomst uit Engeland zullen verwelkomen; terwijl de prins van Oranje met den groothertog van Saksen Weimar naar ‘s-Gravenhage vertrekt.
En nu, lieve lezeressen en lezers, hebben we de drie koningsfeesten bijgewoond, waarbij Z. M. in persoon tegenwoordig was. Den 25sten Mei vertrok de koning naar ‘t Loo, en, als ik u den brief van Ernst Veldhuis voorlas, dan zoudt gij daaruit zien, hoe Z. M. te Apeldoorn werd ingehaald. Maar hierover zwijgen wij, evenals over al de andere gemeenten in ons land, in welke de Meifeesten herdacht zijn. Nooit is er door ‘t geheele land zoo eenstemmig en met zooveel geestdrift feest gevierd. Wat mij aangaat, ik leg hier de pen neer en ben er ten volle verzekerd van, dat gij dit laatste hoofdstuk een waardig besluit zult vinden voor een werkje, waarin we gelezen hebben wat er gebeurd is gedurende HET TIJDPERK VAN VIJFENTWINTIGJARIGEN VREDE.
 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *