1873 – Schetsen uit Zeeland

… tief im Meeresgrunde,

Anfangs wie dämmernde Nebel,

Jedoch allmählich farbenbestimmter,

Kirchenkappel und Thürme sich zeigten,

Und endlich, sonnenklar, eine ganze Stadt,

Alterthümlich niederländisch,

Und menschenbelebt.

Bedächtige Männer, schwarzbemäntelt,

Mit weiszen Halskransen und Ehrenketten,

Und langen Degen und langen Gesichtern,

Schreiten über den wimmelnden Marktplatz

Nach dem treppenhohen Rathhaus,

Wo steinerne Kaiserbilder

Wacht halten mit Scepter und Schwert.

Unferne, vor langen Häuserreihn,

Wo spiegelblanke Fenster

Und pyramidisch beschnittene Linden,

Wandeln seidenrauschende Jungfern,

Schlanke Leibchen, die Blumengesichter

Sittsam umschlossen von schwarzen Mützchen

Und hervorquellendem Goldhaar.

Bunte Gesellen, in spanischer Tracht,

Stolzieren vorüber und nicken.

Bejahrte Frauen,

In braunen, verschollnen Gewändern,

Gesangbuch und Rosenkranz in der Hand,

Eilen, trippelnden Schritts,

Nach dem groszen Dome,

Getrieben von Glockengeläute

Und rauschendem Orgelton.

Verwondert het u nog, dat bij een blik op deze schoone, vroolijk lachende rivier, weemoedige gedachten, sombere beelden, in mijnen geest oprijzen? Toch, wat ook in den fellen strijd verloren ging, meer bleef behouden en werd gewonnen. Nog staven wij de oude spreuk: Luctor et emergo!

Zwijgend staarden wij een poos op het dartel spel der schuimende golven, door de zon met fonkelende diamanten overstrooid.

“En het volk, dat dit land bewoont?” vroeg mijn vriend.

Het draagt den stempel van zijn land. Open en rond, vrijheidslievend en onversaagd tot vermetelheid toe, ondernemend en kloek van zin: zoo heeft het zich getoond in de beste dagen zijner geschiedenis, en van die deugden is het nog niet geheel ontaard. Van kindsbeen af met het water vertrouwd, dat hen van alle zijden omgaf, voelden de rappe, forsche Zeeuwen zich op de stroomen niet minder te huis dan op het land: visscherij, zeevaart, handel, kaapvaart ook, waren van oudsher hunne geliefkoosde bezigheden. Zeeuwsche matrozen vormden voor een goed deel de bemanning van ’s Lands vloot; eene gansche reeks der uitnemendste vlootvoogden en zeehelden was uit Zeeland afkomstig. In de bange jaren der groote worsteling bleven de Zeeuwen niet achter; en deze wateren en deze eilanden waren getuige van menig heldenfeit, van menigen bloedigen kamp, ook met ongelijke krachten tegen de overmacht bestaan. Met hunne ranke vliebooten zwierven de zeeuwsche kapers en geuzen, de zeeuwsche ballingen, op de stroomen en langs de kusten rond, en tastten den vijand aan waar zij hem vonden; als het schelpdier aan de klip, hechtte zich de kleine boot aan het zware zeekasteel, en liet niet af voor de trotsche galei in de warrelende golven was verzonken, of aan den hoogen mast het oranjevendel den koninklijken standaard vervangen had. Ook op de zeeuwsche wateren heeft het in dien tachtigjarigen kamp geschuimd, gedonderd en gestormd; onder al deze rivieren, stroomen en kreken bijna geen enkele, die niet meer dan eenmaal was roodgekleurd door het bloed van vriend en vijand, van landzaat en vreemdeling. Zoo werd de aan de zee ontwoekerde grond, de steeds met ondergang bedreigde en juist daarom te vuriger beminde vaderlandsche grond, ook vrijgevochten van onrechtmatigen dwang, van het juk der vreemden, ondragelijk voor den kloeken, vrijen man, die zich zelven, in eeuwenlange worstelingen met de natuur, zijn land geschapen had. Het waren geduchte vijanden, die zeeuwsche waterleeuwen, met wie niet te spotten viel: dat ondervonden, op hun beurt, Spanjaarden, Engelschen en Franschen. Maar het waren ook trouwe vrienden, wier hart hun op de tong lag, wier ontvankelijk gemoed vatbaar was voor de edelste en zachtste indrukken: echte zonen van hun land, eenvoudig en vriendelijk, ongekunsteld en zachtmoedig, maar eenmaal in toorn ontbrand, vreeselijk in hun kracht, te duchten in hun wraak…..

Eene eigenaardige beweging op het dek deed ons opzien: Vlissingen was in het gezicht.