1873 – Schetsen uit Zeeland

De Nobelpoort te Zierikzee. 1875

De Nobelpoort te Zierikzee. 1875

En ook in andere gevallen, waar van geene betoovering sprake is, is het goed, dat er behalve de hulpmiddelen der officiëele wetenschap, die zoo dikwerf te kort schieten, nog andere zijn, waarvan krachtiger werking mag worden verwacht. Een beentje uit een varkensoor is een afdoend geneesmiddel tegen de kiespijn; en zoo ge aan rhumatiek mocht lijden, kunt ge niet beter doen dan de schroef van een doodkist of een stukje van een grafzerk bij u te dragen. Ook kent men in Zeeland een poeder, poeder van sintepathie genoemd, dat van velerlei nut is, en wonderlijke dingen werken kan. Dat poeder, uitwendig aangebracht, geneest niet alleen hoofdpijn, wonden en andere kwalen, maar heeft ook, inwendig gebruikt, het vermogen iemand het geheugen te doen verliezen; ja zelfs kan men, met behulp van dit poeder, levenlooze voorwerpen, zooals tafels, stoelen en ander huisraad, in beweging brengen. Voor eenige jaren woonden er te Domburg twee oude vrouwen, die beroemd waren van wege de groote dingen, die zij met behulp van dit tooverpoeder verrichtten; zij waren zelven in de wandeling bekend onder den naam van de sintepathies. Waaruit dat poeder eigenlijk bestaat weet ik niet, evenmin als mij de afleiding van den naam recht duidelijk is. Sommigen denken aan het fransche sympathie: zou Sinte-Passie niet meer voor de hand liggen?

Dat ge, ter afwering van de nachtmerrie, uw schoenen of muilen met het achtereinde naar het bed moet zetten; dat het niet goed is uwe afgeknipte hoofdhairen in het vuur te gooien, en evenmin om aan tafel twee messen kruislings over elkander te leggen; dat het, in sommige gevallen, gevaarlijk is, onder den spiegel plaats te nemen, en hoogst bedenkelijk om met uw dertienen aan tafel te gaan zitten; dat een zwarte kat in den regel niet vrij is van eenige betrekking tot toovenarij, en dat een hond met gele plekken boven de oogen het vermogen bezit om geesten te zien:—dat zijn van die zaken, die eigenlijk aan geen redelijken twijfel onderhevig zijn.

Wat zullen wij van al deze dingen zeggen? Er eenvoudig de schouders over ophalen, en van dom bijgeloof spreken, dat bij de meer algemeene verspreiding van het onderwijs van zelf wijken zal? Wel, ik wil u wel bekennen dat dit alles zich voor mij in een eenigszins ander licht vertoont. Ge spreekt van bijgeloof, en meent daarmede alles gezegd te hebben; maar waarschijnlijk zoudt ge tamelijk verlegen staan, indien ik u eens vroeg, mij eene duidelijke omschrijving van dat woord te geven, de juiste grens aan te wijzen, waar het geoorloofde en in uwe oogen redelijke geloof in ongeoorloofd en onredelijk bijgeloof overgaat. Wat is eigenlijk bijgeloof? Hebt ge wel eens beproefd die vraag te beantwoorden? Zoo ja, dan zult ge ook weten, hoe uiterst moeilijk dat antwoord te geven is, hoe bij uitnemendheid onzeker en vlottend hier de grenslijnen zijn. En dan zult ge, ook al vondt ge geen formule die u bevredigde, althans dit geleerd hebben, dat ge niet meer zoo haastig schermt met woorden, waarvan de beteekenis u zelven niet duidelijk is; en ook dit, dat ge niet aanstonds voor domheid en onverstand uitmaakt al wat uw begrip te boven gaat. O die jammerlijke [377]bekrompenheid en oppervlakkigheid, die zich zoo vaak en zoo gaarne onder het masker van hooger ontwikkeling, van wetenschappelijken zin verbergt, en aanstonds als onmogelijk verwerpt wat in haar klein kadertje van kennis niet past! Al die meeningen, denkbeelden en overtuigingen, die wij hier niet verder kunnen bespreken, en nog minder in haar oorsprong en beteekenis nagaan en toelichten;—ze zijn toch nog geheel iets anders dan de gewrochten eener kranke verbeelding, eener overprikkelde fantazie, aan het hollen geraakt bij gemis van den teugel der kennis. Ze zijn de verstrooide brokstukken, de nu doorgaans onsamenhangende fragmenten, de verspreide en deels geschonden relikwiën van eene wereldbeschouwing, waarin geslachten bij geslachten zijn opgegroeid, hebben geleefd en zijn gestorven, die voor hen de onuitputtelijke bron van kracht, van moed, van hoop en vertrouwen is geweest, de oorzaak van wat zij het hoogst en best hebben gewrocht; eene wereldbeschouwing, die nog heden de geestelijke atmosfeer is waarin millioenen ademen. Voor die allen was en is de natuur niet enkel een gewrocht van onbewuste krachten, gebonden aan en werkende in de doode materie, niet enkel een groot chemisch en mechanisch proces, maar een levend organisme, in al zijn deelen bezield, eene openbaring des geestes, en daarom ook door duizenderlei geheimzinnige banden verbonden met het menschelijk leven, daarop inwerkende, daarin deelende, daarvan als eene duistere afspiegeling vertoonende. Al deze zoogenaamde bijgeloovigheden—onredelijk en onzinnig voor hem, die de diepe beteekenis, de dichterlijke symboliek, den verborgen samenhang daarvan niet meer begrijpt;—ze zijn duistere klanken uit het verre, verre verleden, toen de mensch, nog te midden der natuur levende, nog niet verleerd had hare taal te verstaan, haar hiëroglyphenschrift te ontcijferen; toen hij nog acht gaf op de teekenen en voorbeduidingen aan den hemel en op de aarde, en misschien in nog hooger mate dat raadselachtig voorgevoel, dat wondervol instinkt bezat, dat wij nu nog in zoovele dieren met verbazing opmerken.

De oude toren te Zierikzee. 1875

De oude toren te Zierikzee. 1875

Overigens wil ik u gaarne toegeven dat het wenschelijk is, dat de onwetendheid, die bij dit alles ongetwijfeld eene rol speelt, voor betere kennis wijke; maar de wijze, waarop dit geschiedt, is voor mij verre van onverschillig. Kunt gij den landman van dit bijgeloof genezen, zonder tevens in hem den zin te verstompen voor eene hoogere, niet met de zintuigen waarneembare wereld, zonder bij hem het orgaan te verlammen, waardoor ook hij de dingen des geestes moet leeren kennen en eerbiedigen, zonder zijn gemoedsleven te schaden: het is mij wel, en ik zal niet ontkennen, dat ge hem daarmede een dienst hebt bewezen, door hem te verlossen van zooveel ijdele vreeze. Maar zoo ge, om hem van zijn bijgeloof te genezen, tevens alle poëzij uitroeit, immers dien zin voor eene hoogere, geestelijke wereld, die nog voor ons allen verborgen is; zoo ge hem leert alles te verwerpen en te loochenen wat hij niet begrijpt, wat buiten zijne zinnelijke waarneming, boven zijne verstandelijke bevatting ligt;—dan bewijst ge hem stellig geen dienst; dan maakt ge hem geestelijk armer in plaats van rijker; dan zou ik u wel willen bidden, laat dien man zoo als hij is, met zijn verbeelding en vooroordeelen, maar ook met zijne vatbaarheid om nog andere dingen te verstaan, te erkennen althans, dan die hij met zijne oogen zien of met zijne handen tasten kan. En in uw verbeterd en meer uitgebreid onderwijs,—ge leert den kinderen reeds zoo veel, wat hun later van ondergeschikt nut is;—waarmede gij zoo vele maatschappelijke kwalen en zoo vele individueele verkeerdheden genezen wilt, in dat onderwijs wordt reeds zooveel van de poëzy des levens afgetakeld!

Onder de mannen vooral viel een zeer sprekend onderscheid op te merken; twee sterk geteekende typen trokken onze aandacht.[378]

Sommigen zijn klein en mager van gestalte, donker van hair en uitzicht, geelachtig van tint, zeer prikkelbaar, zeer onafhankelijk van karakter, en bijwijlen uitgelaten vroolijk. Zij dragen, in enkele streken, den naam van Boschkerels, waarschijnlijk omdat hunne voorouders vroeger de uitgestrekte bosschen bewoonden, die in deze landstreek werden aangetroffen, maar sedert lang verdwenen zijn.

De Boschkerels lijden over het algemeen een armoedig, half zwervend leven. Zij oefenen allerlei kleine beroepen uit; zij maken bezems, vogelkooien, hondenhokken, muizenvallen, strikken en knippen en dergelijke zaken en bieden die te koop aan. Onverschrokken stroopers, eten zij zelven niet van het wild, dat zij vangen; uitgeleerde dieven, stoven zij met de boter van den naaste de groenten, die zij hem ontstelen. Toch munten de Boschkerels boven de andere boeren uit, zoodra het aankomt op vlugheid van begrip, op handigheid en vaardigheid van bewerking. Zij zijn blijkbaar van een ander ras dan de andere landbewoners: naar hun voorkomen te oordeelen, schijnen zij van gallischen of keltischen stam.

De bewoner der vlakke landen en polders vertoont een geheel anderen type. Hij is groot van gestalte, breedgeschouderd, zwaar, plomp in zijne bewegingen en van herkulische kracht. Als ge hem zoo ziet loopen, met zijne slingerende armen, zijne groote handen, zijn een weinig vooruit stekende knieën en reusachtige voeten, schijnt hij welhaast een kolossale beer, die, in plaats van op vier pooten, rechtop wandelt. Uitermate wantrouwend, zeer bijgeloovig, zwaarmoedig, traag van begrip, is hij min of meer bevreesd voor alles wat hij niet kent of niet begrijpt. Hij vergeet niet licht eene beleediging, maar zal zijn wrok weten te verbergen tot hij het gunstige oogenblik gekomen acht, om zijn vijand te treffen. Bij het spel, als hij gedronken heeft, kan hij onhandelbaar en zeer gevaarlijk worden. Vechtpartijen in de herbergen zijn hier dan ook geene zeldzaamheid.

Even als op Walcheren, is ook hier het mes het algemeene wapen der boeren. In de Vier-Ambachten, in het land van Axel en in de omstreken, draagt de boer het, in een lederen scheede, aan zijn gordel, en legt het nooit af.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *