1873 – Schetsen uit Zeeland

Het Beeldenhuis te Vlissingen.

Het Beeldenhuis te Vlissingen.

De vijfde November 1550 was weder een dier verschrikkelijke dagen in de geschiedenis van Zeeland, waarin op nieuw de heete strijd om het bestaan met den onverzoenlijken, onvermoeiden erfvijand moest worden gestreden. Ditmaal gold het voornamelijk Zuid-Beveland, dat voor ver het grootste gedeelte geheel werd overstroomd, en zelfs voor een deel zijn met moeite gewonnen gebied weder aan de golven moest afstaan. Het verdronken land van Zuid-Beveland, nog heden maar even den grauwen, valen rug boven de wateren opheffende, getuigt nog altijd van dien noodlottigen dag. Wel bleef ditmaal de stad zelve gespaard, maar zij verloor haar gansche rechtsgebied, eene uitgestrektheid [4]van ruim duizend bunders, waarmede tevens aan een der hoofdbronnen van haar bestaan, de zoutbereiding, een onherstelbare slag was toegebracht. Doch de grimmige vijand liet niet af. In Januari 1551 hernieuwt hij zijn aanval: de dijk, die de stad en het onmiddellijk daaraan grenzende poldertje beschermt, bezwijkt; het water stroomt de stad binnen, rijst tot twaalf voet hoog in de kerk, verwoest eene gansche straat, vernielt alle zeeweringen. Wel wordt, met moeite en groote kosten, de dijk weer hersteld; maar nauwelijks is dit geschied, of daar buldert op nieuw de woeste aanvalskreet: den 2den en 3den November 1555 wordt de pas opgeworpen dam wederom vernield en de gansche omtrek onder water gezet. Was het wonder, dat den burgers van Reimerswael de moed ontzonk, en zij den dijk niet weder herstelden? Daar lag zij nu, de ten ondergang gedoemde stad, in het midden der wateren, nog maar alleen door haar eigen ringmuur beschermd. Doch die muur—hij mocht een veilige beschutting zijn tegen vijandelijke benden: om den vijand af te weeren, die nu Reimerswael bedreigde, daartoe bleek hij onmachtig. Wederom in Januari, in het jaar 1557, blies de gierende orkaan het sein tot de bestorming: daar rukten ze aan, als wilde ruiterscharen, de schuimende golven, en wierpen zich op den trillenden, schuddenden muur, met onwederstaanbaar geweld. Wat baatte tegenweer? De muur stortte in, de poorten werden vernield: de zegevierende vijand trok de stad binnen, en verwoestte in weinige uren kerken, kloosters, het stadhuis, het meerendeel der huizen…. Reimerswael was bijkans in een puinhoop herschapen.—Toch de moed niet ganschelijk [6]verloren; de hand aan het werk geslagen, hersteld wat te herstellen was. Zoo herrees zij weder, de fel geteisterde stad: maar zie, op den 31sten Augustus des volgenden jaars, tast haar een andere, niet min geduchte vijand aan. In de weinige, nog overgebleven zoutketen ontstaat, men weet niet door welke oorzaak, brand: het vuur breidt zich uit, wint in kracht, grijpt met felle woede rondom zich—en drie vierde gedeelte der stad ligt in de asch…..

“Denn die Elemente hassen

Das Gebild der Menschenhand.”

mompelde mijn vriend, luisterende naar dit somber verhaal.

Gezicht op Vlissingen.

Gezicht op Vlissingen.

Ja, het is waar, dat diepzinnige woord des dichters: wel haten zij de schepping der menschelijke kunst, de ruwe krachten der natuur, hernam ik; het bleek ook hier. Want mijne treurige geschiedenis is nog niet ten einde. In Februari 1561, in September 1563, hernieuwt de oude vijand zijn aanval, en laat op nieuw, in schromelijke verwoestingen, de teekenen van zijn zegepraal achter. Nu, reddeloos en hulpeloos, gaf zij den ongelijken strijd op, de arme stad. Haar onvermijdelijken ondergang voor oogen ziende, onmachtig dien af te wenden, richt zij zich in 1564 met een bede om hulp tot de Staten van Zeeland, tot ’s Konings stadhouder, den Prins van Oranje. Doch de regeering, als ware het in de zoo herhaalde rampen, die de stad getroffen hadden, een soort van godsgericht ziende, en haar toestand onredbaar oordeelende, sluit het oor voor den noodkreet der stervende, en wijst haar terug met de koele vermaning dat zij zich zelve helpen moest, zooals zij best kon. Zich zelve helpen! Maar het ontbrak haar aan alles, want van haar vroegere welvaart was geen spoor meer over; slechts flauwelijk en met groote moeite, kon zij de rest van haar armzalig leven verdedigen tegen den vijand, aan wiens genade zij nu was overgeleverd. En hij, van zijne prooi gewis, haastte zich niet; hij behoefde zich niet meer in te spannen om de verloren stad te verderven: met spottende, tergende wreedheid, liet hij haar over aan haar onontkoombaar lot, aan haar langen doodstrijd. Van nu geen nieuwe watervloeden meer, geen geweldige worstelingen meer op leven en dood, tusschen den mensch en de krachten der natuur: neen, een langzaam wegsterven, alleen verhaast door andere rampen.

Daar waren zware tijden voor geheel het vaderland aangebroken, en Zeeland had daarin ruimschoots zijn deel. Zuid-Beveland, nog door de Spanjaarden bezet, maar van alle kanten door de schepen der Geuzen omsingeld en bedreigd, leed bitter zwaar van de lasten des oorlogs. Daar tastte, in het laatst van 1573, eene afdeeling van het Geuzenleger Reimerswael aan, en vermeesterde haar, na korten wederstand. Maar wat zou men met de gewonnen veste uitvoeren? Zelf haar te houden, was onmogelijk; den vijand gunde men haar ook niet: zoo werd de stad door de ruwe bende in brand gestoken en weder verlaten. En sedert zinkt zij, langzaam, al dieper en dieper, zoo als de onvoorzichtige wegzinkt in het weeke welzand aan den oever der zee. Ontmanteld, ontvolkt, tot een schamel dorp gekrompen, doet zij zelve, in hare uiterste vernedering, afstand van haar rang als stad, van haar recht om met de vier andere goede steden van Zeeland ter Statenvergadering te verschijnen. Zoo sleept zij, in ellende en armoede, haar kommerlijk bestaan voort tot 1631. In September van dat jaar werd, in het naburige Slaak, dat merkwaardige gevecht tusschen de spaansche en de staatsche vloten geleverd, door Vondel in een prachtig gedicht verheerlijkt, en waarbij een groot aantal spaansche krijgslieden in handen der Zeeuwen vielen. De regeering vond goed, die krijgsgevangenen, ruim vierduizend in getal, op te sluiten in het afgelegen dorp, dat eenmaal Reimerswael was geweest; maar de weinige arme inwoners, op deze gasten niet gesteld, verlieten nu hunne woonplaats en trokken elders heen, meest naar Tholen. Zoo bleef de plek verlaten achter, den winden en golven ten prooi, tot eindelijk, in 1634, op last der Staten-Generaal, de straatsteenen, alles wat van de vroegere rijke koopstad was overgebleven, in openbare veiling werden verkocht: de opbrengst dier verkooping—ruim duizend gulden—werd tusschen de schuldeischers der stad, bij preferentie, verdeeld!—Dat was het einde van Reimerswael; voor haar faalde het zeeuwsche devies: zij heeft geworsteld, maar is bezweken. En nog heden, wanneer bij ebbe de gele zandvlakte droogvalt, herkent men de plek, waar eenmaal de stad heeft gestaan, de fondamenten der weggespoelde huizen, den loop der uitgewischte straten: ontroerende sporen van ondergegaan leven, als de voetstappen dier voorwereldlijke vogelen, voor immer afgedrukt in het slijk.

En zij is de eenige niet die aldus onderging. Onder de kalme, lachende, stralende oppervlakte dezer breede wateren slaapt menig vlek, menig dorp, menige hoeve. Ook hier zou, op menige plek, voor u dat aangrijpende visioen kunnen rijzen, zoo schoon door Heine geschilderd:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *