1873 – Schetsen uit Zeeland

Een kleermaker te Krabbendijke. 1875

Een kleermaker te Krabbendijke. 1875

Ten zuiden van ’s Heer-Arendskerke ligt Heinkenszand, een dorp, grootendeels door Katholieken bewoond, wier aantal in dit westelijk deel van Zuid-Beveland vrij aanzienlijk is. Dit onderscheid van geloofsbelijdenis is ook merkbaar in de kleeding. Ge ziet hier geen paarsche of blauwe wambuizen, tenzij dan voor de boeren in heelen of halven rouw. De geliefkoosde kleuren zijn hier purper en scharlaken, met groote gele bloemen. Somwijlen zijn de boeren geheel in zijde of satijn gekleed, en doen zij u denken aan sommige oostersche kleederdrachten. De vrouwen dragen nog den zoogenaamden herderinnehoed uit het laatst der vorige eeuw, eveneens met zijde gevoerd.

Op de zeeuwsche dorpen, met name in die van Zuid-Beveland, vindt men doorgaans nog gezelschappen van jongelieden, die een soort van gilde, het jonkmansgilde of gilde der jeugd, vormen. Dit gilde heeft zijn eigen bestuur, zijn hoofdman, zijn secretaris, zijn bode, zijn eigen reglementen en strafbepalingen. Om lid te kunnen worden, moet men eerst voor de nationale militie geloot hebben. De nieuw aangenomene betaalt een entreegeld van negentig cents; welk bedrag tot een gulden twintig cents wordt opgevoerd, wanneer de nieuweling geen liedje zingen kan. De opneming in het gilde staat ongeveer gelijk met de toekenning van het burgerrecht in de gemeente. Wanneer een jonkman uit eene andere gemeente de hand van een meisje uit het dorp vraagt, dan wachten de leden van het gilde hem op aan de deur van de woning zijner beminde, en vragen van hem een vergoeding van vijf-en-zestig centen, zoo hij jonkman is, en drie gulden, zoo hij reeds vroeger gehuwd is geweest.

Het gilde viert ook zijn eigen feesten, die doorgaans met de dorpskermis samenvallen. Dan wordt in de herberg een rijk versierde kroon van groen en bloemen opgehangen, de kroon der jeugd genaamd; dan vergaderen zich daar de jonkmans met hunne meisjes, allen met bloemen versierd, en wordt er gegeten en gedronken, gezongen en gedanst naar hartelust. Deze gilden en de schuttersgezelschappen werden vroeger op geen enkel dorp gemist; en nog tegenwoordig zijn zij op de meeste plaatsen in stand gebleven, al begint ook hier en daar de vorm eenigszins te veranderen.

Onder de eigenaardigheden van het zeeuwsche landschap en het zeeuwsche landleven behoort ook de meekrapcultuur, die aan duizende handen werk verschaft, zoowel bij het aanplanten der meekrapkiemen, als bij het uitgraven der diep in den grond doorgedrongen wortels. Na het uitdelven, worden de wortels naar de meestoven gebracht, waar zij gedroogd en gestampt worden, en vervolgens ter verdere bewerking aan de garancine-fabrieken afgeleverd.

In den herfst, als de wortels rijp zijn geworden, trekken iederen morgen troepen veldarbeiders, tien tot twintig personen sterk, naar het veld. Aan het hoofd van zulk eene bende gaat de voorman, de aanvoerder of chef der bende; daarop volgt de neusman (nevenman); achter hen komen de volgers. De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot den arbeid opgeroepen; en al blazende loopt de hoornblazer vooruit. Op het veld gekomen, wordt de bende, naar zekere regelen, voor het verrichten van den arbeid verdeeld. Het werk vordert groote spierkracht, maar wordt toch van den morgen tot den middag voortgezet, met een half uur tusschenpoozen, halfschof geheeten, waartoe het sein weder met den hoorn gegeven wordt; de arbeiders eten dan hun stute, boterham, en hervatten weldra weder het werk. ’s Middags en ’s avonds, bij het gaan en komen, laat telkens de muziek zich hooren.

Wekelijks ontvangt elk lid der bende eene zekere som, naar verkiezing, in afkorting op zijn loon. Is eindelijk het werk geheel afgeloopen, dan gaat de voorman met den landheer afrekenen, en doet vervolgens rekening en verantwoording in eene vergadering, die te zijnen huize wordt belegd, en waarbij aan ieder zijn gerechte deel wordt uitbetaald. Natuurlijk wordt dan, voor gemeenschappelijke rekening, een maaltijd aangericht, waarop de bierkruik lustig rondgaat.

Somwijlen gebeurt het wel, dat de arbeid op het veld eensklaps door een kluchtig tooneel wordt afgebroken. Daar klinkt uit de verte, op spottenden toon:

Mèëdelver, lange spae,

Laet je ’anden wat dichter gae!

Dadelijk worden de spaden in den grond gestoken, en enkelen uit de bende jagen den spotter na, die het natuurlijk uit al zijn macht op een loopen zet. Weet hij een schuilhoek te bereiken, waar hij moeilijk te vinden is, dan wordt de jacht zoo veel te ijveriger en hartstochtelijker voortgezet. Meenen de vervolgers, dat hun man zich in een huis heeft verscholen, dan doorzoeken zij dit van onder tot boven: niemand mag, naar oud gebruik, hun den toegang weigeren. Is eindelijk de schuldige gevonden, dan wordt hij naar het veld gevoerd, waar intusschen de achtergeblevenen een diepen kuil hebben gegraven. Voor dien kuil gebracht, wordt den gevangene de keus gegeven, daarin tot den hals te worden begraven, of zich vrij te koopen met een pint jenever of brandewijn. Daar de heele zaak doorgaans slechts een grap is, betaalt de gevangene zijn pint, zijn losprijs, en wordt dan dadelijk in vrijheid gesteld. Is hij daartoe echter ongezind, dan wordt hij onverbiddelijk in den kuil gestopt, dien de meedelvers rondom hem weer aanvullen en vaststampen, zoodat hij in die houding, alleen met het hoofd boven den grond, een geruimen poos het werk mag aanzien. Voorwaar, een eigenaardige straf, die aan oud-germaansche zeden herinnert.

Jammer, dat deze meekrapcultuur, die voor Zeeland van zoo overwegend belang is, en met hare karakteristieke gebruiken en gewoonten kleur en afwisseling in het vaak zoo eentonige landleven brengt, dreigt ten onder te gaan. Men heeft immers het middel gevonden om de vroeger onmisbare meekrap door eene andere kleurstof, van eenvoudiger en goedkooper bereiding, te vervangen. Mocht dit werkelijk het geval [287]blijken te zijn, dan is de meekrapteelt onherroepelijk veroordeeld, tenzij men ook een middel vinde, om met goed gevolg den strijd tegen dezen nieuwen mededinger te kunnen volhouden. Of door den ondergang dier cultuur duizende gezinnen broodeloos worden, beteekent niets: geen enkele fabriekant zal zich, door overwegingen van dien aard, ook maar een enkel oogenblik laten weerhouden om zich de goedkooper verfstof aan te schaffen, zoo ras hij die krijgen kan. Wie weet, misschien nog weinige jaren, en de vroolijke hoorn der meekrapdelvers zal niet meer door de dorpen en over de velden weerschallen; niet langer zal, van tusschen de struiken of achter de boomen, het spottende refrein den delvers in de ooren klinken:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *