1873 – Schetsen uit Zeeland

De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes. 1875

De moerbeziënboom van Jacoba van Beieren te Goes. 1875

.

Van Kruiningen wandelen wij naar Krabbendijke, een dorp, als vele andere zeeuwsche dorpen, ter wederzijde van den dijk gebouwd, die hier als elders tevens de hoofdstraat vormt. Bijna alle huizen staan in twee rijen naast elkander. De roode en witte vensterluiken vervangen de groene en gele; en in plaats van linden, ziet ge hier pereboomen, langs staketsels geleid, en zoo gesnoeid, verwrongen en verdraaid, dat de takken een soort van parallelogram vormen. Eene ten platten lande vrij algemeene, maar niettemin zeer leelijke mode.

Een der woningen in het dorp is gesloten, en tegen den buitenmuur ligt een groote hoop stroobossen opgestapeld. Wij weten reeds wat dat beduidt, maar willen toch een of anderen dorpeling ondervragen; misschien dat we van hem nog eenige minder bekende bijzonderheden vernemen.

Daar zit, voor zijn opengeschoven raam, een kleermaker ijverig te werken, hij zal ons wel vertellen wat we weten willen: de lieden van de naald, zegt men, zijn praatziek. Ik zie hem nog voor mij, dien kleermaker, in gesprek met een paar aardige boerinnetjes, die van het veld huiswaarts keerden. Een origineele figuur: alles was even klein aan en om hem. Het kamertje, waarin hij zat, was klein; klein waren zijne armen en beenen; klein en pieperig was zijne stem: klein zijn knijpbrilletje op zijn puntig neusje: toch zag hij er opgewekt en schalks genoeg uit. Stellig zal hij ons te woord staan.

Aha! hij heeft ons reeds zien aankomen, en kijkt ons aan met zijne kleine, levendige, zwarte oogen: echter gaat hij rustig voort met naaien, en ziet tevens scherp toe op den kleinen knaap, die hem bij den arbeid behulpzaam is. Wij naderen het venster; en wijzende op het gesloten huis, vraag ik den kleermaker:

“Wat beduidt dat stroo?

—Dat stroo; da’s een dooie.

—Zoo, onder dat stroo?

—Nèë, in ’t ’uus. Van waer kommen gulli, dat ge datte niet en wèët?

—Ja, wij komen ver van hier; maar vertel ons eens, wat dat stroo met den doode te maken heeft.

—Wel, antwoordt de kleermaker, dien wij nu maar verder gewoon hollandsch zullen laten spreken; wel, als er hier bij de boeren iemand sterft, dan gaan de arbeiders in de schuur stroo halen, binden dat tot bossen, en stapelen die bossen op een hoop, hetzij voor den hoofdingang der woning, hetzij voor het hek [282]van het land. Die hoop is meer of minder hoog, naar gelang van den ouderdom van den overledene. Ge ziet daar een zeer grooten hoop: de man was dan ook vijf-en-tachtig jaar oud.”

Toen eensklaps zich tot den jongen wendende, die, natuurlijk, zijn oogen niet van ons af had, en het strijkijzer koud liet worden:

“Waar heb jij zoo naar te kijken, bengel? Maak voort met je werk en vergeet je ijzer niet.”

Daarop keerde hij zich weer tot mij, en vervolgde:

“Is de overledene ongetrouwd, dan steekt men een palmtakje in het stroo. Ziet ge daar dien knecht wel, die de deur uitkomt? Die is er niet kwaad aan toe. Hij moet de tijding van het overlijden aan al de bloedverwanten gaan mededeelen, zelfs aan hen, die twee of drie mijlen hier vandaan wonen. Ieder van deze verwanten moet den boodschapper te eten geven, waaraan ook niemand zich onttrekt. Die snuiter zal van daag, binnen drie of vier uren, vijf of zes maal achtereen zijn buik kunnen vullen.

“Twee dienstmeiden zijn op dit oogenblik bezig, den doode af te leggen. Zij trekken hem een opzettelijk daarvoor bestemd schoon hemd aan, wikkelen hem daarna in een laken, en leggen het lijk op stroo. De anderen zijn bezig met het in orde maken der rouwkleeren: want er is daar volk genoeg in huis, zoodat ze alles zelven kunnen doen. Voor het maken van den rouw hebben zij tweemaal vier-en-twintig uren tijd. Inmiddels zorgen de vrouwen voor het noodige om de familie en vrienden te onthalen, die bij de begrafenis tegenwoordig zullen zijn.

“Als ge nu in het huis kondt binnentreden, zoudt ge zien, dat al de schilderijen en al de spiegels tegen den wand omgekeerd zijn; dat al de klokken stilstaan, en de schoorsteenmantels zijn ontdaan van de schalen en borden en pullen, waarmede ze anders prijken.

“Zoo de heeren nog een paar dagen hier bleven, dan zouden zij ook de begrafenis kunnen bijwonen. Dan zouden ze ’s morgens de bloedverwanten en vrienden met hunne vrouwen, in rouwgewaad, zien komen, en zich aanstellen of zij zeer bedroefd waren, schoon ik overtuigd ben, dat niemand van hem hield, den ouden vrek, die, hoe rijk hij ook was, niemand iets gunde. Hij onthield zijn volk het noodige, en was te trotsch om met hen aan dezelfde tafel te eten.

“Maar die tranen zullen daar binnen wel gauw gedroogd zijn. In de groote kamer zijn banken en tafels gereed gezet; de mannen plaatsen zich aan de eene zijde, de vrouwen aan de andere. Op de tafels voor de mannen en de vrouwen staan groote koffiekannen en reusachtige borden met stapels boterhammen. Hoe zij zich daaraan zullen te goed doen! Die het ergst bedroefd zijn, eten er althans een dozijn: de anderen nog meer, zooveel zij maar bergen kunnen. Op de tafel voor de mannen staat tabak, heel fijn gesneden, en liggen lange pijpen gereed. In afwachting van de begrafenis, wordt er gerookt en gepraat.—Vroeger mochten de boeren, gedurende den rouwtijd, niet anders eten dan wat wit en zwart was: karnemelk met krenten, bij voorbeeld, en schol, omdat het vel van dien visch zwart is.

“Met het slaan van twaalven gaat men uit ter begrafenis. Eerst heeft men de friesche klok, die stilstond, weer aan den gang gemaakt, om het juiste uur aan te geven, waarop het lijk moet worden uitgedragen. Zoodra de klok twaalf geslagen heeft, staan de mannen op, en binden zich een krippen rouwband en lamfer om den hoed. De vrouwen krijgen een witten zakdoek, om hare tranen mede af te drogen. Zij houden die doeken ook zorgvuldig voor haar gezicht—want, o, ze zijn zoo innig bedroefd! Vroeger kregen ze kleine kommetjes om haar tranen in op te vangen…. De kommetjes waren altijd ledig!

“Dan komt de lezer van de rouwrolle binnen, ook met een grooten lamfer aan zijn hoed. Hij houdt een stuk papier met een rouwrand in de hand, en begint, op somberen toon, te lezen:

“De bloedverwanten en vrienden worden verzocht acht te geven op het aflezen hunner namen, en in die volgorde het lijk te volgen van…., overleden den 10den Juni, des morgens ten negen uur, in den ouderdom van vijf-en-tachtig jaren, een maand en zeven dagen.”

“Dan worden al de namen afgelezen, en komen ze allen achtervolgens te voorschijn, de verwanten, de vrienden, met hunne vrouwen. Allen hebben hun gelegenheidsgezicht aangetrokken; maar de eenigen, die in waarheid bedroefd zijn, dat zullen wel de twee zoons van den overledene zijn, schoon hij die ook niet heeft behandeld, zoo als het wel behoorde. Maar het zijn brave jongens, die hun vader eerden. Verder zoudt ge in den stoet opmerken, den voorman, die de plechtigheid regelt; den dominee, die hier niet ontbreken mag, en doorgaans ook den meester of dokter; benevens den lezer van de rouwrolle, die straks als rouwsluiter zal optreden.

“De dragers, die gereed staan, nemen de baar op, en wandelen langzaam naar het kerkhof, gevolgd door den ganschen stoet, uit minstens vijftig personen bestaande. Op het kerkhof wacht hen de doodgraver. Hij neemt zijn hoed van zijn hoofd, en zijn pruim uit zijn mond, en zegt:

“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Ik zal voor het overige zorgen.”

En hij zorgt dan ook voor het overige: namelijk, voor de ter aarde bestelling van het lijk. De stoet keert in dezelfde orde weer terug. Aan het sterfhuis gekomen, houdt de voorman voor de deur stil, en zegt nu op zijn beurt:

“De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den overledene bewezen. Zij worden verzocht binnen te komen.”

“Aan die uitnoodiging wordt gevolg gegeven. De lijkdienaars, die het lijk gedragen hebben, worden in de eene kamer ontvangen; de bloedverwanten en vrienden in een andere. Allen worden nu onthaald op aardappelen met brood en zoutevisch. Voor de maaltijd begint, doet de dominee het gebed, waarbij de mannen hunne hoeden voor de oogen houden, en zich althans den schijn geven van mede te bidden. Duurt het gebed wat lang, dan beginnen zij te hunkeren naar de [283]aardappelen en de zoutevisch. Eindelijk zegt de dominee amen, en nu valt ieder op de welvoorziene schotels aan. Als hij er nu nog lust in hoeft, dan mag dominee verder praten, zoo lang hij verkiest.

“Na den eten zal hij wederom bidden of danken, en vervolgens een hoofdstuk uit den Bijbel voorlezen. Is dat afgeloopen, dan gaat de dominee weg, met den dokter. Nauwelijks zijn zij vertrokken, of het gesprek loopt nu verder uitsluitend over den landbouw en over het vee. Vervolgens gebruiken al de genoodigden nog een kop thee met een boterham. Eindelijk, tusschen vijf en zes uren, is de plechtigheid afgeloopen, en keert ieder naar zijne woning terug.”

De kleermaker had uitgesproken: wij waren nu geheel op de hoogte van eene zeeuwsche boerebegrafenis. Wij dankten hem voor de gegeven inlichtingen, gaven den jongen een paar kwartjes, en vervolgden onze wandeling.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *