1873 – Schetsen uit Zeeland

Wissekerke (Noord-Beveland) 1875

Wissekerke (Noord-Beveland) 1875

Maar ook nog een ander zichtbaar gedenkteeken is van haar gebleven. In den tuin van het aloude Slot van Oostende toont men u nog een overouden moerbeziënboom, onder welks schaduw, naar de overlevering verhaalt, de Vorstin meermalen zou neergezeten hebben. Mogen wij deze overlevering gelooven? Oud is de boom zeker; zijn stam is ter aarde gekromd en rust op steenen palen, maar nog altijd dragen zijne takken bladeren en vruchten, ook al is hij inwendig bijna geheel hol. Al heeft dan ook Jacoba van Beieren nimmer onder dezen zelfden boom gerust,—hij mag inderdaad gelden voor een getuige van vroeger eeuw, en stellig niet zonder oorzaak is haar naam aan dien ouden gebogen stam verbonden. Die naam geeft nog heden den boom beteekenis, en geen vreemdeling zal Goes bezoeken, zonder ook zijne schreden te richten naar den tuin der oude herberg, om daar een der relieken te aanschouwen van de in zoo menig opzicht merkwaardige vrouw, wier aantrekkelijke, in waarheid tragische figuur zoo beteekenisvol daar staat op den drempel van den nieuweren tijd, aan den uitgang der middeleeuwen, waarvan zij zelve, althans in sommige opzichten, eene getrouwe vertegenwoordigster was, voor wier traditioneele beginselen zij zelve kloekmoedig gestreden heeft, en in ’t einde als slachtoffer gevallen is.

De kroon der jeugd.

De kroon der jeugd.

Goes bezat weleer, als iedere goede middeleeuwsche stad, hare schutterdoelens of schutterhoven, en wel ten getale van drie: het schuttershof van den handboog, dat van den voetboog, en het hof der kloveniers of schutters van de busse. Deze laatste schuttersdoelen is verdwenen; de beide anderen bestaan nog, doch hebben thans eene andere bestemming gekregen; in het schuttershof van den handboog vindt ge tegenwoordig een schouwburgzaal met bijbehoorende lokalen, een teekenschool, en een societeit, welke laatste de zinspreuk van het oude schuttersgilde: van [278]ongeneuchten vrij, heeft behouden. Voorheen behoorden alle gezeten burgers der stad tot een dezer drie schuttersgilden, die tot het laatst der vorige eeuw zijn in stand gebleven, maar toen mede ondergegaan in den geweldigen storm, die zoo vele andere en gewichtiger instellingen van den ouden tijd omverwierp. Toch waren ook zij eerwaardige instellingen, die aloude schuttersgilden, zoo oud als de vrije steden en gemeenten, wier bescherming hunne voorname taak was, ja zelfs ouder nog; instellingen, geworteld in het volksleven, haar ontstaan niet dankende aan een geschreven wet of reglement, maar van zelve geworden en ontwikkeld en opgegroeid met het volk, en mede behoorende tot de eigenaardige kringen, waarin het gezonde, rijk geschakeerde, organisch gevormde leven der middeleeuwen zich bewoog. Tot verdediging der veste moest het schuttersgilde steeds vaardig zijn; maar het deed nog iets anders dan nu en dan soldaatje spelen in vredestijd: het was geen onsamenhangende hoop, alleen door dwang aldus te saam gebracht en tijdelijk gehouden: het was eene vrijwillige vereeniging van vrije poorters, eene corporatie, die hare eigene plaatsen van bijeenkomst had, hare eigene rechten en privilegiën, waarop zij trotsch was; die hare eigene feesten vierde, waaraan de halve bevolking der stad, meer of minder rechtstreeks, deel nam. Ook zij zijn voor altijd verdwenen, al is nog de herinnering aan het oude schuttersvermaak, het vogel- of papegaaischieten, niet geheel uitgestorven.

Zoo wandelende, hadden wij al spoedig gezien, wat Goes bezienswaardigs oplevert. Morgen zullen wij onze voetreis door het eiland aanvangen.