1873 – Schetsen uit Zeeland


De spoortrein voerde ons, in minder dan een half uur, van Middelburg langs Arnemuiden, over het afgedamde Sloe, langs ’s Heer-Arendskerke, naar de eenige zuid-bevelandsche stad, naar Goes. Van hier uit zouden wij onze wandeling door het eiland beginnen.

Goes is eene oude, zeer stille, niet zeer mooie stad, waar weinig te zien valt. Wij hadden onzen intrek genomen in een der eenvoudige logementen op de Groote markt, waar nog alles toeging met die echte oud-hollandsche eenvoudige huiselijkheid, die op vreemdelingen een zoo zonderlingen indruk maakt. Hier geen kellners, zich een air de grand seigneur gevende; hier, geen pedante garçons, die u met hun onuitstaanbaar fransch en nog onuitstaanbaarder hollandsch vervolgen; geen maître d’hotel, die u, voornamelijk als ge voetganger zijt, behandelt met al de voornaamheid, die den meester van een groot etablissement past; hier, niets van al dien praal, al dien glans, al die pracht en beweging, die nu eenmaal, in onze voorstelling, van groote hotels onafscheidelijk is. Och neen, hier niets van dat alles. Ge moet zelf de voordeur openen en de gelagkamer opzoeken, waar ge dan, achter de toonbank en voor een rijkelijk met glazen en karaffen voorzien buffet, de vrouw des huizes of eene harer dochters vinden zult, aan wie ge dan uw verzoek om een kamer hebt mede te deelen. Doorgaans is er, eer ge antwoord bekomt, eenig overleg met de andere huisgenooten noodig; was moeder de vrouw straks niet in de gelagkamer, dan verschijnt zij toch nu in persoon om uwe vraag aan te hooren en te beantwoorden. En wordt uw verzoek toegestaan, dan vliegen geen trippelende knechts u voor langs breede trappen: neen, de huisvrouw zelve of een der familieleden zal u, een donkeren smallen trap op, naar uwe kamer geleiden: uwe kamer, meestal laag van verdieping, donkergroen of hardgeel geverwd, met witte gordijnen voor de ramen, gekleurde platen in vergulde lijsten langs de wanden, en een groot ledikant in den hoek, tenzij er een bedstede gevonden wordt, in wier donkere diepte ge dan des avonds verdwijnt, veilig achter de vaak dubbele beschutting van deuren en gordijnen. Toch hebben zij hare goede zijde, die oud-hollandsche, aartsvaderlijke herbergen, waar de vreemde reiziger nog dikwijls, als hij zich niet al te zeer terugtrekt, als een lid des gezins wordt beschouwd.

Op de vrij ruime, sierlijk beplante markt staat het stadhuis, een smakeloos gebouw, deels van oude dagteekening, deels in de vorige eeuw geheel vernieuwd, waarbij er natuurlijk niet aan gedacht is, dit nieuwe gedeelte in overeenstemming te brengen met hetgeen van het oude gebouw over bleef. Integendeel: boven op een ouden, zwaren, vierkanten toren, een middeleeuwsch monument, plaatste men een modernen koepel in den stijl der zeventiende eeuw, die bij den toren in het minst niet voegt en eene wonderlijke vertooning maakt. Ter zijde, achter het stadhuis, bevindt zich de ingang tot een der kruispanden van de groote kerk: een alleszins bezienswaardig monument van gothische architectuur uit de eerste helft der vijftiende eeuw, maar zoo zeer door huizen en nauwe stegen ingesloten, dat het bijna onzichtbaar is. De schoone, ruime kerk is inwendig geheel bedorven door een muur, die haar in twee gedeelten splitst, waarvan het eene [275]door de Hervormden, het andere door de Katholieken wordt gebruikt. Mocht deze wanstaltige muur eens worden weggeruimd, de kerk weder hersteld, en aan hare oorspronkelijke bestemming, namelijk de katholieke eeredienst, waarvoor zij alleen geschikt is, teruggegeven—dan zou Nederland een schoon gedenkteeken van middeleeuwsche bouwkunst rijker zijn. Inderdaad, de Protestanten in ons land moesten gezond verstand en goeden smaak genoeg toonen te bezitten, om aan de Katholieken deze oude kerken te verkoopen, die toch bepaaldelijk voor hen gebouwd en ook alleen voor hunne eeredienst geschikt zijn. Voor de protestantsche godsdienstoefening, zoo geheel anders ingericht, zoo geheel andere eischen stellende en voor zoo geheel andere behoeften voldoening verlangende, zijn deze heerlijke middeleeuwsche kathedralen volstrekt onbruikbaar, tenzij dan dat men beginne met ze totaal te verknoeien. En dan nog! Wat akeligen indruk maken op de bezoekers dezer misvormde kerken, die doellooze, ongebruikte en onbruikbare ruimten: koor, transept, zijbeuken soms, waarmede men letterlijk niet weet wat aan te vangen. Gevoelt men het dan niet, dat men, samenkomende in de afgeperkte ruimte van het schip, soms ter nauwernood de helft van de kerk in bezit nemende, terwijl al het overige ledig blijft;—gevoelt men het niet, dat men zich aanstelt als een kleingeestig burgerman, toevallig in het kasteel van een vorst gehuisvest, en die nu, zelf met de hem niet passende woning verlegen, en beseffende dat hij daar niet behoort, een paar kamers voor zijn klein leven inricht, en het edele gebouw tot een wildernis maakt? Is daar geen stem, die een verwijt, eene beschuldiging fluistert wegens de onverantwoordelijke schennis, aan deze trotsche monumenten gepleegd, waar men ze door allerlei armzalige betimmeringen onkenbaar maakt, overal den blik door houten beschotten tegenhoudt, en den katholieken tempel zooveel mogelijk verhanselt tot eene hoogst ongeschikte, ondoelmatige gehoorzaal met min of meer gemakkelijke zitplaatsen? Welk een gansch anderen indruk zouden kerken als die te Utrecht, te Haarlem, te Gouda, en zoo vele anderen maken, indien zij aan hare oorspronkelijke bestemming werden wedergegeven, en in plaats van, voor de protestantsche godsdienst, slechte, onbeholpen spreekzalen te zijn, op nieuw werden herschapen in katholieke, harmonisch schoone, kathedralen. Mocht, al ware het alleen om der schoonheid en des goeden smaaks wille, deze dag der herstelling spoedig aanbreken!

Te Goes vindt ge een oude herberg, die den naam draagt van het Slot van Oostende, en die ook inderdaad een overblijfsel is van den alouden ridderburcht van dien naam, waarschijnlijk door een der Heeren van Borsselen gesticht. Dit slot Oostende is vermoedelijk ouder dan de stad, die, als zoo vele anderen, zich langzamerhand in de schaduw van den sterken burcht zal hebben ontwikkeld, en die eerst in de vijftiende eeuw met stadsrechten werd begiftigd. Toen de goederen van Floris Van Borsselen, in de burgertwisten der veertiende eeuw, werden verbeurd verklaard, werd het slot Oostende door Graaf Willem III, aan zijn jongsten zoon, den ridderlijken Jan van Beaumont, geschonken; later kwam het weder aan de grafelijkheid, en geraakte in het begin der zestiende eeuw in bezit van het adellijk geslacht Van der Goes, welks wapen nog boven een der gangen gevonden wordt. In 1747 ging het, bij verkoop, over aan den Raad van State, die het tot een militair hospitaal inrichtte, maar het gebouw reeds in het volgende jaar aan de stad overdroeg, die het op hare beurt aan een partikulier verkocht. Nu werd het geheel veranderd, onkenbaar gemaakt, en tot herberg en logement ingericht, waartoe het heden nog dient. Voorwaar, niet veel is er van den ouden ridderburcht overig, tenzij dan de ruime, zwaar gewelfde kelders, die trouwens nog maar voor een klein deel toegankelijk zijn.

Toch verdient ook dit treurig overblijfsel van het adellijk slot uwe belangstelling; want groote, historische herinneringen zijn aan dit grijze gedenkteeken van den ouden tijd verbonden; herinneringen niet alleen aan de fiere, machtige Heeren van Borsselen, wier doorluchtig stamhuis zich in den nacht der eeuwen verliest, en die eeuwen lang aan het hoofd stonden van den zeeuwschen adel; niet alleen aan den edelen ridderlijken held, Jan van Beaumont; maar herinneringen vooral aan die beklagenswaardige Vorstinne, wier avontuurlijk leven en treurig lot haar eene onvergankelijke beroemdheid hebben verzekerd, en die nog altijd blijft voortleven in de heugenis des volks, dat althans haar naam in eere houdt, ook waar het van haar daden luttel weet:—Jacoba van Beieren. Even als haar vader, schijnt ook zij voor Goes een bijzondere voorliefde te hebben gekoesterd: althans reeds in het eerste jaar harer regeering schonk zij aan het open vlek stadsrechten, en, wat geen goede stad mocht ontbreken: muren en wallen. En toen zij later, na een veel bewogen leven, eindelijk den strijd tegen haar overmachtige vijanden moede, bezwijkende deels door den onvermijdelijken loop der dingen, deels door eigen, roekeloos opgeladen schuld, van de regeering afstand had gedaan, toen hield zij enkele malen, met haar gemaal Frank Van Borsselen, haar verblijf op ditzelfde slot Oostende. En al was zij geene gebiedende Vrouwe, geene regeerende Vorstinne meer, toch omgaf haar nog altijd genoeg van den vorstelijken luister, om den burcht, waar zij inkeerde, tot een hofburcht te maken, die althans eenigermate een beeld vertoonde van den schitterenden luister van het hofleven der vijftiende eeuw. En ook al ware dit niet het geval geweest: was niet de tegenwoordigheid zelve der nog zoo jeugdige, zoo rampspoedige Vorstinne, die zoo veler hart had weten te betooveren en in geestdrift voor haar en hare zaak te ontvlammen, voldoende om de algemeene aandacht, de algemeene belangstelling te wekken, nog verlevendigd door de herinnering aan de weldaden, waarvoor de ontluikende stad haar had te danken? En de voormalige Landsvrouwe toonde zich nog niet vervreemd van haar volk. Was het niet bij gelegenheid van een dier oude volksfeesten, waarvan de herinnering hier nog voortleeft, bij het vogelschieten, dat zij zich, naar het loffelijke gebruik dier dagen, onder de schare mengde, en zelve deel nam aan den wedstrijd? Naar de overlevering wil, [276]zou de Gravinne toen zelve, met eigen hand, den houten vogel, door een welgemikt schot, van zijn hoogen paal hebben doen tuimelen, waarop zij, mede naar aloude zede, door de schutters tot schutterkoningin werd uitgeroepen. En toen de bewoners der omliggende, aan de heerlijkheid van Goes onderhoorige dorpen, ’s Heer-Hendrikskinderen, Wissekerke, Baarsdorp, Sinoutskerke en ’s Heer-Abtskerke, haar met dien triomf kwamen geluk wenschen en geschenken aanbieden, toen toonde zij zich vorstelijk mild, door hun de vlastienden kwijt te schelden, zoo als het sedert gebleven is tot dezen dag. Alzoo leeft de herinnering van de bekoorlijke Gravinne nog altijd voort in het hart des volks, dat zij door een duurzame weldaad aan zich verbond.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *