1873 – Schetsen uit Zeeland

Wanneer zij met de zeeuwsche jeugd

Een luchtje schepte aan ’t strand,

Dan las ze op elken tred haar naam,

Geschreven in het zand.

Geen jongeling, die niet voor haar

Met eerbied was bezield,

Haar niet voor de allerschoonste bloem

Der zeeuwsche meisjes hield.


Daar leeft in Zeeland, in het strand,

Een kleine, ronde visch,

Die voor der Zeeuwen kieschen smaak

Een lekker voedsel is.

Des zomers, als de zuidenwind

Langs kleine golfjes speelt,

En vriendlijk ’t gloeiende gelaat

Des nijvren landmans streelt;

Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,

Naar ’t breede, vlakke strand,

En ploegt dan, vol van vroolijkheid,

Het dorre, natte zand.

Dan grijpt in de opgeploegde voor

Een rappe hand den visch;

En dikwijls is de vlugste hand

Te traag voor dezen visch.

Intusschen speelt en stoeit de jeugd,

En fladdert door het nat,

Dat schuimend, met een groot gedruisch,

In mond en oogen spat.

De jongling grijpt een meisjen op

En draagt haar mede in zee;

Het meisje roept en wringt,—vergeefs:

Hij draagt haar mede in zee.


’t Was eens een schoone zomerdag;

En ’t puikje van de jeugd

Ging naar het strand met spade en ploeg,

En voelde niets dan vreugd.

Het lieve Roosje was er bij;

En ieder jongeling

Vergat den ploeg, vergat den visch,

Als ze aan zijn zijde ging.

[147]

Een jongling, die haar ’t meest beviel,

Bleef immer aan haar zij;

Hij zeide aan Roosje menigmaal

De zoetste kozerij.

Nu drukt hij eens heur zachte hand,

Daar hij een kusje steelt,

En met de lokjes om haar hals,

Heur bruine lokjes, speelt.

Het meisje wringt zich los, en zegt:

“Gij stoutert, daar gij zijt!

“Plaag nu ook de andre meisjes wat;

“Gij plaagt ook mij altijd!

“Ei, ga naar de andre meisjes heen,

“En laat mij nu met vreê!”—

“Zoo gij mij nu geen kusje geeft,

“Dan draag ik u in zee!”

Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,

Zij vlucht al lachend heen;

Hij volgt haar na, en slaat zijn arm

Al lachende om haar heen.

Nu roept en schatert al de jeugd:

“Draag Roosje nu in zee!”

Hij tilt haar ijlings van den grond,

En loopt met haar in zee.

De sterke jongling kust den last,

Dien hij zoo gretig torscht,

En klemt het allerliefste kind

Nog vaster aan zijn borst.

Het meisje roept en bidt vergeefs;

Hij gaat al fladdrend voort!

Het water spat, en klotst, en bruist,

Dat hij haar nauwlijks hoort.

In ’t eind was hij zoo ver gegaan,

Dat iedereen aan ’t strand,

Vol vreeze en schrik, gedurig riep:

“Genoeg! keer weer naar ’t strand!”

Op eens, daar hij teruggekeert,

Staat hij vertwijfeld stil:

“Help Roosje!” roept hij, “groote God!”

En Roosje geeft een gil.

“Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink

“Hier in een draaikolk neer!”

Het meisje grijpt hem om den hals.

En zinkt met hem ter neêr.

Zij zinkt, en wendt voor ’t laatst heur hoofd

Stilzwijgend naar het strand;

Doch was in ’t eigen oogenblik

Verzwolgen in het zand!

Daar stond de jeugd gelijk versteend;

Geen mensch, die zuchtte of sprak;

Tot eindlijk uit eens ieders oog

Een stroom van tranen brak.

“Mijn God! is ’t waar? is Roosje dood?

“Ligt Roosje daar in zee?”—

Zoo gilt en klaagt een iedereen:

De duinen gillen meê.

Wel schielijk werd dit droef geval

Verkondigd in de stad;

Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,

Die niet verslagen zat.

De jeugd ging zwijgend van het strand,

En zag gedurig om,

Een ieders hart was vol gevoel—

Maar ieders tong was stom.

De maan klom stil en statig op,

En scheen op ’t aaklig graf,

Waarin het lieve jonge paar

Het laatste zuchtje gaf.

De wind stak hevig op uit zee;

De golven beukten ’t strand;

En schielijk was de droeve maar

Verspreid door ’t gansche land.